Strafwerk! De kameel en de oude man

Door Neerpenner gepubliceerd op Wednesday 28 May 14:55

De kameel en de oude man
of
Toen de wereld nog jong was.

(Uitleg: Dit is een bizarre invuling van een opdracht. Zelfs voor mijn doen is het bizar. Ik werd aangetrokken door de opdracht over de wijze man en de kameel, maar ook door het gedicht over een verre verleden. Dus wat deed ik? Ik mengde ze allebei. Geen gedicht, gelukkig, maar toch gemengd.U merkt wel hoe. En of het nog niet buitenissig genoeg was, heb ik er ook een soort (let op dat woord) hommage aan Tolkien gemaakt. Omdat ik zijn boeken net heb gelezen en erdoor geïnspireerd werd.
Je hoeft hem niet gelezen te hebben om dit te begrijpen, je mist enkel een paar knipogen. Zo, genoeg gebabbeld. Nu het verhaal.)

 

86d82ae264e70c270f75e08300e1e8c4_1401284

 

De kameel stapt door de woestijn. Hij torst de oude man op zijn rug. Zijn steltachtige poten bewegen zich langzaam door het zand heen. De woestijn is een landschap van eeuwige veranderlijke heuvels. De zandduinen bewegen zich alsmaar voort, aangevoerd door een aanwakkerende oostenwind, als een grootse, vertraagde golfbeweging van de zee.
De kameel stapt voort, hij stijgt op de duinen en hij daalt weer van hen af. De oude man zwijgt met gesloten ogen. Hij droomt. Maar hij kan zowel diep in zijn slaap verzonken zijn of juist klaarwakker en ongewoon helder van geest.
De zon reist boven hen mee. Naar het Westen. Hij zakt steeds dieper, de weinige wolken kleuren vurig donkeroranje en de schaduwen van de zandduinen worden langer.
De kameel volgt op zijn eigen stugge gang de richting van de schaduwen. Alsmaar naar het Westen, alsmaar naar voren, stapt de kameel. Zonder te stoppen, in een vloeiende beweging.
De oude man murmelt iets. Het komt uit oude tijden en het is onverstaanbaar. Zijn ogen zijn nog steeds gesloten, maar een glimlach tekent zich af op zijn gerimpelde gelaat. Zijn grijze baard wappert zacht in de aanzwellende oostenwind.
Opeens klinkt er een vreemd, jankend geluid boven de woestijn. De kameel stopt voor de eerste en laatste keer tijdens zijn tocht door de woestijn en kijkt op.
Er verschijnt een zwarte vlek aan de horizon, onder de zon. Het geluid wordt sterker en lijkt nu meer op een woest, angstaanjagend gebrul met zware, trillende ondertonen. Zelfs de loeiende oostenwind wordt overstemd.
De zwarte vlek komt suizend op hen af. Het wordt groter en duidelijker. Het heeft grijze vleugels die glinsteren in het rode zonlicht en spitse neus.
De oude man rilt even.
Het beest vliegt over hen heen, afschuwelijk luid krijsend. Een grijze jachtvliegtuig, zwenkend met zijn vleugels. De oude man spert zijn ogen open en schreeuwt. Hij heft zijn linkerhand op in een afwerend gebaar, maar het beest verdwijnt al weer uit zicht. Het wordt weer een zwarte vlek aan de horizon.
De oude man laat zijn hand zakken, met een verwarde uitdrukking op zijn gezicht. De kameel draait zijn hoofd om naar hem en vraagt glimlachend: ‘Was je weer aan het dromen, vriend?’
De oude man kijkt nog even naar het zwarte vlek, dan veegt hij zijn lange, grijze haren uit zijn ogen.
‘Ja, ik droomde weer. Het was een droom…’ de adem van de oude man stokt even, ‘een droom over vroeger.’
De kameel zet zich weer in beweging, schommelend.
‘Ik zag even, heel even, hoe het was. Hoe alles was,’ zegt de oude man en houdt zich vast aan de kameel.
De verkleurde wolken zweven boven de alsmaar zakkende zon, en de kameel kijkt om zich heen. Hij ziet hoe de duinen naar het Westen golven, hoe de gele zandslangen hun sporen trekken in de woestijn, maar het dier ziet nog meer. Hij ziet ook hoe er groene velden lagen, met witte bloemen, zo helder als kristallicht. Hij ziet kinderen lachen en spelen, terwijl boven hen de vogels vliegen en fluiten.
Hij ziet, voor zich en in het Westen, een lange, witte toren oprijzen. Om die toren liggen talloze kleine, maar rijkelijk versierde huizen.
‘Weet je nog?’ zegt de kameel, ‘Toen de wereld nog jong was?’
De oude man staart naar de horizon waar de zon weldra opgeslokt zal worden door de aarde en zwijgt even. Diep in zijn blauwe ogen schittert een droevig licht. Dan wendt hij het hoofd af van de horizon en glimlacht.
‘Je bedoelt, beste kameel, van toen ik nog jong was. Ik herinner mij die wereld nog goed, ja. Alles was gevaarlijker, scherper, maar ook veel simpeler en mooier. We waren zo groots. We konden dingen die nog nooit eerder werden gedaan en nu ook nooit meer zullen worden herhaald.’
De oude man slaakt een zucht en zijn rimpels worden dieper, alsof ze snijden in zijn huid. Hij kijkt even om, daar waar het vliegtuig verdween.
‘Maar er zijn geen draken meer, niet?’
De kameel knikt en stapt door in de woestijn.
‘Daar was ik al bang voor,’ zegt de oude man bedroefd, ‘De laatste elf is ook weggegaan. Alleen wij zijn nog over in deze wereld.’
Hij laat de kameel los en haalt een oude, leren zak van zijn rug. Hij maakt de zak open en er glinsterde metaal in het verdwijnende zonlicht.
‘Deze waren ooit mijn zwaard en schild. Tinwë en Ëarwen. Ooit boezemden ze de vrees in de harten van vele vijanden van het Westen. Ooit streden zij met mij tegenover legers, tegen machtige draken. Of tegen de boosaardigheid van de Tovenaar-Koning. Maar nu zijn ze gebroken, nu zijn ze versplinterd in gewone stukken metaal.’
De oude man zucht nogmaals. ‘Ze waren niet eens gebroken door de vijand, ze waren verroest. Het was de ouderdom die hen vernietigde.’
De kameel hoort het verborgen verdriet in zijn stem en troost hem. ‘Zo gaat het in deze tijden. Dingen moeten worden afgebroken om weer herbouwd te worden. Het mensenvolk is gevallen en zal weer herrijzen in de komende Era’s.’
De zon raakt met zijn gouden stralen de aarde aan. De kameel en de oude man wandelen in het felle, afzwakkende licht, te midden van de schaduwen.
‘Misschien,’ zegt de oude man, terwijl hij zijn ogen toeknijpt, ‘maar nooit zoals weleer.’
De kameel gaat onverstoorbaar verder en zegt: ‘Misschien is dat een zegen.’
De oude man maakt een handgebaar naar de duinen naast hen. ‘Ooit groeiden er hier bloemen, leefden mensen. En nu is er alleen maar zand, een eindeloze woestijn, zover het oog reikt.’ Zijn stem klinkt ongewoon bitter.
‘Ooit was ik een trots paard die tot het einde van de wereld kon rijden en nu ben ik een simpele kameel, wandelend in het zand. Maar hoor je mij klagen, zoon van de Edain?’
De oude man kijkt verbluft naar de kameel en er verschijnt weer een glimlach op zijn gezicht. ‘Kameel! Soms vraag ik mij af wie van ons tweeën de wijze is!’
De kameel zwijgt tevreden en slaat de vliegen weg met zijn staart.
Het tweetal beweegt zich voort in de woestijn. De ondergaande zon is nu al voor de helft gezonken in de aarde, en de eerste sterren verschijnen, nog bleek, boven hun hoofden. En hun tocht blijft doorgaan, steeds in de richting van het Westen. Daar waar vroeger de witte toren glansde in het zonlicht, daar waar de zon en de aarde elkaar ontmoeten.
De zandduinen groeien rondom hen, ze veranderen in heuvels waar voortdurend zandkorrels afrollen.
De oostenwind neemt toe in kracht en geselt hen. Het zand danst rond de poten van de kameel, nestelt in zijn vacht en in het grijze gewaad van de oude man, beneemt hen de adem.
De oude man draait zich om, hapt naar de adem, en ziet hun schaduw, geworpen door de zon. Het is een donkere, brede weg die door de woestijn heen snijdt. Hij ziet hoe die duisternis donkerder wordt in het verflauwende licht en zich vermengt met de schaduwen van de zandheuvels.
De oude man draait zijn hoofd terug naar de zon, hij staart naar de rode lucht voor hem en droomt.
‘We zijn er,’ zegt de kameel.
De kameel houdt plotsklaps halt. De oostenwind gaat liggen, net als de kameel.
‘We zijn er, ‘ herhaalt de oude man. Hij stapt voorzichtig van de liggende kameel af en beiden kijken ze naar het huis dat voor hen ligt. De witte muren die nog bovenuit het zand steken, stralen vredig in het licht van de zonsondergang. Er zijn verdorde klimplanten aan bevestigd, die ooit vrucht droegen. De ramen zijn verduisterd door eeuwenoude lagen zand en geen licht kan ze binnendringen.
Onder het dak staan runen in het witte baksteen gebeiteld, ze vertellen verhalen van een machtig rijk dat van het noorden tot het zuiden reikte. Maar ze spreken in vergeten talen en niemand kan hen nog horen.
‘Thuis,’ fluistert de oude man en vele eonen passeerden door dat ene woord.
Hij keert zijn gezicht naar de kameel die opgestaan is.
‘Ik heb altijd de Gift van de Ene vervloekt. Maar ik zie nu in dat het een zegen was.’ Er staan tranen in zijn blauwe, vermoeide ogen. ‘Ik kan eindelijk gaan, deze oude wereld verlaten, en mijn mensen volgen.’
De kameel buigt zijn hoofd en zegt: ‘Ik zal met u gaan, zover als ik kan.’
De oude man lacht en weent tegelijkertijd, en ze gaan verder, zij aan zij. Ze beklimmen de grootste zandduin die hen naar het hoogste balkon leidde. De klim gaat moeizaam. Soms zakt de oude man met zijn voet naar omlaag. Soms valt hij naar achteren, altijd op tijd gered door de kameel.
Ze zijn bijna aan de top, wanneer de oude man op zijn knieën zakt.
Zijn adem raspt en hij zegt: ‘Ik kan niet verder. Ik heb te lang geleefd, hier zal ik blijven liggen. En mijn botten zullen geblakerd worden door de nieuwe zon.’
De kameel trekt met zijn tanden aan het grijze gewaad.
‘U moet verdergaan. Wilt u dat het zo eindigt, tussen het zand van de woestijn?’
De oude man heft het hoofd op, en gesteund door de kameel, staat hij weer op en gaat verder.
En uiteindelijk staan ze op de top van de zandduin, de oostenwind waait nog zachtjes door zijn grijze baard en door de vacht van de kameel. Voor hen ligt het houten balkon. Ooit keek het balkon heen over een groen land, doorkruist met heldere rivieren. En op sommige dagen keek het balkon over een menigte mensen die de nieuwe koning toejuichten.
De oude man stapt over het balkon heen en de kameel volgt hem. De oude man glimlacht triest tegen de kameel en legt zijn knokige handen op het verweerde houtwerk van het balkon.
Hij ziet hoe de zon bijna geheel in de aarde verdwenen is. Hoe de lucht aan de horizon in goud en oranje gekleurd is, en hoe het duister van de nacht aan kracht wint.
‘Dat het hier moet eindigen,’ zegt hij.
‘Er zijn ergere manieren om te gaan,’ zegt de kameel, terwijl hij samen met de oude man naar de lucht kijkt.
‘Dat is waar,’ zegt de oude man knikkend, ‘Dat is waar. Maar toch, ik blijf denken aan vroeger. Ik kan geen vrede hebben met hoe de wereld nu is.’
‘Uiteindelijk bent u ook maar een mens,’ zegt de kameel, terwijl een ondeugend licht in zijn ogen flonkert.
De oude man glimlacht, terwijl hij de laatste warmte van de zon over zich voelt glijden. ‘Gelukkig maar.’
‘Het is tijd.’
‘Ja.’
En op dat moment gaat de zon onder. De oude man spert zijn ogen open. Want de zon werpt zijn laatste licht over de zandduinen. En ze kleuren diepgoud, van een zo vurige intensiteit dat ze zelf lijken te branden. Als torens van vuur. Het gouden, dansende licht verdrijft de schaduwen, en de oude man ziet alleen maar licht.
Het is alsof het grijze gordijn dat de wereld was, wordt neergelaten en een diepere wereld onthult, verborgen in het licht van de ondergaande zon.
Opeens hoort de oude man daverend gejuich en hij kijkt vlug van de zon naar beneden. Daar, onder zijn balkon, staan vele mensen van alle leeftijden te juichen en te brullen.
Heil! Heil onze koning! Heil!
De zandduinen zijn verdwenen en een rivier kabbelt in hun plaatsen. Aan zijn oevers groeien witte bloemen, stralend als pasgeboren sterren
De mensen brullen nog steeds, wuiven en grijnzen naar hem toe. De oude man ziet achter hen groene velden, zo ver als het oog reikt.
De oude man richt zijn blik nog lager, en ziet dat de witte toren weer tot aan zijn voet vrij is van alle zand.
Verwonderd kijkt hij naar zijn kameel en ziet dat daar een paard in de plaats daarvan gekomen is. Het is een grootse paard, en zijn zwarte vacht glanst in het zonlicht. Witte vleugels liggen opgevouwen op zijn flanken.
‘Ik dacht dat dit voorbij was,’ stamelt de oude man. ‘Ik dacht dat mijn volk en land dood waren.’
Het paard lacht, een lang hinnikend geluid.
‘Niets is dood, Koning. Het heeft alleen maar op u gewacht. En neemt u uw wapens weer op.’
Het paard buigt zijn hoofd en aan zijn voeten stralen een zwaard met een robijn in het handheft en een blauwe schild met een opaal in het midden.
De oude man schudt zijn hoofd.
‘De tijd dat ik nog wapens kon dragen is voorbij, ik ben daarvoor te oud en versleten geworden.’
‘Koning!’ zegt het zwarte paard. ‘Kijk naar uzelf!’
En de oude man ziet in de glinstering van het schild dat hij weer jong is geworden, weer in de kracht van zijn leven. Toen de wereld nog simpel was en zo kleurrijk.
De jonge koning lacht en gespt het zwaard aan zijn riem, pakt het schild op. Op dat moment laat zijn volk zijn luidste brul tot nu toe horen.
De jonge koning, met het gejuich nog in zijn oren, stapt op het gevleugelde paard. En samen, als twee oude vrienden, vliegen ze de snel opkomende zon tegemoet, boven het groene land.

De kameel ziet hoe de oude man achterover valt. En terwijl de donkere nacht intreedt, vangt hij hem op zijn rug. Voorzichtig sleept de kameel hem naar binnen, waar een vergeten hal op hem wacht, met koele muren.
Daar legt hij de oude man op de marmeren grond ter ruste. Hij ziet hoe de oude man vredig glimlacht en glimlacht terug.
De kameel zegt: ‘Laatste koning van alle mensen, ik groet u en moge u nu rusten.’ En hij verandert dan in een paard met vleugels opgevouwen op zijn donkere flanken.
Zijn witte vleugels ontvouwen zich en hij vliegt uit de begraven toren. Terwijl de woestijn onder hem voorbij schiet en de sterren boven hem schijnen, zoekt het paard naar een nieuwe meester.


 

Reacties (33) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Geweldig. Las hierna dat stukje van mij waar ik jou mening om vroeg.
Ik moet nog heel veel leren.
Ik heb ook heel veel te leren. Het stopt nooit, telkens als je denkt dat je niet beter kan schrijven, schrijf je over een tijdje een stuk dat de lat nog hoger ligt. Dat is nou het mooie.

Een tip kan ik je alvast geven, schrijf zoals je het ziet. Schrijf niet: De boom stond in de storm. Schrijf: Zijn bladeren ritselden door de felle wind, ze maakten een ruisend geluid dat zich vermengde met het brullen van de wind. (toegeven, die twee zinnen kunnen ook samen)
Maar dat betekent niet dat je moet beschrijven zoals mij! Schrijf zoals je het ziet, alleen jij ziet het zoals jij alleen kan. :)

Dank je wel voor je complimenten!
Heel, heel fijn! Ik heb genoten; dit is inderdaad een authentieke Neerpenner.
Ja, ik heb de knipoogjes richting Tolkien écht wel opgevangen. Je hebt duidelijk niet alleen Lord of the Rings gelezen, maar ook de Silmarillion.

Het beeld van een man die zó oud geworden is dat zelfs zijn zwaard en schild verroest zijn tot hoopjes metaal is een hele mooie.

Je beschrijvingen zijn inderdaad filmisch, maar ooit vroeg je me om kritisch te kijken. Ik vond één zin die voor mij niet werkt:
"Maar hij kan zowel diep in zijn slaap verzonken zijn of juist klaarwakker en ongewoon helder van geest"

Je schrijft in de derde persoon, een verteller zorgt voor de noodzakelijke beschrijvingen als de hoofdpersonen zelf niet observeren. Maar in deze zin is de verteller aan het concluderen, alsof hij zelf een persoon in het verhaal is. Dat breekt de concentratie. Als de kameel zich nou afvraagt of de man klaarwakker is of slaapt, dan werkt het wel, voor mijn gevoel.

Voor de rest, dít is het soort verhaal dat ik hier mis. Je hebt ons wel getrakteerd. Well done! En beiden zitten we nu al op drie fout, dus ik "vrees" dat Roosje ons binnenkort weer aan het werk gaat zetten. ik kijk nu al uit naar je volgende straf...
Allereerst bedankt voor de uitgebreide reactie!

Ja, het klopt, zonder de Silmarillion had ik dit niet kunnen schrijven. Dat boek staat vol van die bitterzoete eindes, waarin de magie steeds zwakker wordt en steeds verder verwijderd raakt van Midden-Aarde. Ik denk dat het bitterzoete ook in mijn verhaal zit.
Ah, Tolkien, niemand anders heeft een wereld geschapen die zo aantrekkelijk is voor mij...

Ik heb zelfs een keer overwogen om een gedicht te maken over een gevecht van een koning tegenover een kwaadaardige tovenaar, a la Tolkien. :) Natuurlijk sneuvelen ze allebei.

Ik vind het eigenlijk een compliment dat je met je kritische blik maar een zin eruit haalt die niet zo goed loopt.
Je kritiek is terecht, ik wou overbrengen dat hij zodanig veel droomt, dat hij dat zowel met open als met gesloten ogen kan doen. Maar dat is dus niet gelukt. Misschien schrap ik het gewoon beter.

Ik denk dat ik weet wat voor soort verhaal je hier mist. Dat heb ik hier ook, serieuze verhalen. Daarmee bedoel ik niet dat ze serieus moeten zijn, maar wel op een serieuze manier geschreven, dat de schrijver van plan is om een verhaal te schrijven dat de lezer niet snel vergeet.
Het is wederzijds, ik kijk uit naar je volgende straf. :)
Prachtig, Neerpennert! Alsof ik dit ooit niet goed zou kunnen vinden! Een heel mooi verhaal, met gedetailleerde beschrijvingen om van te smullen. Enne, het mag dan geen gedicht zijn, maar je hebt het poëtisch gebracht. :) Dankjewel voor dit mooie verhaal!
Nou, ik kan best onzeker zijn over mijn verhalen. :)

Hier zie je goed waarom ik zo van beschrijvingen hou, en ze zo vaak mis in andermans verhalen, hier. Ze geven een smaak aan het verhaal, ze geven, op het verhaal zelf na, het meest van de schrijver bloot, hoe hij de wereld ziet.

Naast een poëtische waarde, hebben ze ook een nuttige waarde. Ze zijn het decor voor het verhaal, ze maken dat het verhaal geloofwaardig wordt. Ik beschrijf de woestijn zo uitvoerig, zodat jullie gaan geloven in de woestijn en dan geloven jullie gemakkelijker wat er in de woestijn zich afspeelt. Het geeft mijn verhaal een vaste bodem.
Een verhaal zonder beschrijvingen is voor mij een film zonder decor. Het verhaal mag dan zo goed zijn, de acteurs fantastisch en de dialogen geweldig, de kijker blijft toch op zijn honger zitten.

Zonder beschrijvingen, zou ik niet kunnen schrijven...

Blijkbaar is deze reactie uitgedraaid op een enthousiaste lofrede op beschrijvingen, dus ik hou het nu bij een dankjewel! :)
Ik ga maar niet meer uitgebreid reageren, anders krijg ik weer iets over rare reacties op rare tijdstippen, maar ik snap wat je bedoelt. ;)
Een verhaal dat als een film voor mijn netvlies loopt. Prachtig geschreven! Toevallig las ik deze week een boek dat vele raadvlakken met bovenstaand verhaal heeft. Daardoor raakte het mij nog meer. Chapeau!
Jouw reactie maakt mij gelukkig. Ik beschouw het verhaal als gelukt als de lezer het voor zich kan zien.

Mag ik je vragen welke boek het was? Ik ben nieuwsgierig en op dit moment wil ik wel zo'n dergelijk verhaal lezen.
"De scherpschutter." Het is het eerste deel van een serie van 8 boeken: De donkere toren saga van Stephen King.
Ik heb die gelezen en ik moest eerst nadenken wat die verhalen gemeen hadden. Ik dacht dat ze compleet van elkaar verschilden.

Maar toen besefte ik dat de scherpschutter ook leeft in een wereld die verder gegaan is, en die daar ook geen vrede mee heeft. Hij is wel een stuk actiever dan de oude man, moet ik toegeven. Dank je wel!
In het eerste deel doortrekt hij ook een enorme woestijn (richting het westen) en wordt in één nacht tien jaar ouder.

Aan het eind van het eerste deel met de palaver met de man in het zwart over het universum vind ik prachtig.
Mooi strafwerk
Dank je, Wasbeer!
Dit is inderdaad een echte neerpenner!
Heerlijk om te lezen!!
Dank je voor je complimenten!
Een prachtige Neerpenner neergepend met hier en daar werkelijk fantastische beschrijvingen, om in te lijsten gewoon.

Wat mij betreft kun jij niet genoeg straf krijgen. De zweep erover!
Ik bloos door je mooie reactie. Dank je wel!

Nogal sadistisch ook, deze reactie. Maar je hoeft geen zorgen te maken, ik heb al drie fouten, en wellicht heb ik al een vierde gemaakt. :)
Dat is waarlijk goed nieuws, mijn beste.
En tussen ons gezegd en gezwegen; enig sadisme is me niet vreemd inderdaad.