Het grote meesterplan

Door Weltevree gepubliceerd op Wednesday 21 May 21:26

Een collectieve losse stemming van laat-maar-waaien. Van God voor ons allen en wij voor onszelf. Men leek af en toe dronken van blijdschap. Het land had soms iets weg van een wriemelende mierenhoop waarin drukke kolonies werkinsecten langs linten heen en weer krioelden en precies wisten wat hun taak was.
Zoveel idealen hadden vijf jaar op verwezenlijking gewacht en dat alles ontplofte nu bij velen, schijnbaar zonder plan. Iedereen werkte keihard in het bevrijde koninkrijk. Met een stalen doorzettingsvermogen waren de meeste onderdanen in de weer om het aangeslagen land terug op de poten te helpen. Bergen puin werden versleept, die met een opgeruimde zin en ijzeren doorzettingsvermogen, op een andere plek als fundamenten dienst zouden doen.
Op organische wijze groeide er een nieuwe rangorde waarin leiders en volgers zonder mokken een homogeen draaiend samenspel vormden. Men organiseerde noodhuisvesting, vervoer, etc. 
Al dat harde werken was niet alleen nuttig om de beschadigingen in materiële zin te repareren en/of op te ruimen. Tevens was het een prima remedie om de zwarte bladzijden van de afgelopen vijf jaar anders in te kleuren zodat men positief in nieuwe mogelijkheden en vooruitgang durfde geloven. Machteloos wachten, ingelijfd bij een vijand die meedogenloos had huisgehouden, was voorbij. Niemand keek graag terug. Ieder om zijn of haar eigen reden.
Ontberingen achter zich gelaten, wilden de meesten niet over persoonlijke verschrikkingen praten. Niet over de dodelijke verliezen, soms wel drie binnen één gezin. Op vermisten werd stil gewacht en om hun terugkomst werd Godsvruchtig gebeden. Het bleek dat hele families helemaal niet meer naar huis terugkeerden. Dat was onbegrijpelijk stil, onbeschrijflijk schril diep leed, waaraan weinig ruchtbaarheid werd gegeven. Al dat weten hing echter wel als te felle, schrijnend pijnlijke spiegels aan de wanden in veel burger huizen en de boeren bevolking volgde zoals altijd de seizoenen. Zij leefde geruisloos met hun eigen verwoeste familiegeschiedenis. 

Confronterende beelden van vernielde stadskernen werden zo snel mogelijk weggewerkt en de meeste inwoners zwoegden welhaast ononderbroken om voor zichzelf en de zijnen een nieuw bestaan op te bouwen. Druk doende kneedden sommigen hun afschrikwekkende herinneringen om, tot een hoopvolle toekomst waardoor de meest schokkende beelden leken te verbleken.Sommigen dachten voorzichtig hongerend aan een flintertje geluk, anderen wentelden zich in de herwonnen weelderige vrijheid en droomden van exorbitante rijkdom. Alles was mogelijk. Vol goede moed en onvermoeibaar werden creatieve oplossingen ontdekt voor de meest uiteenlopende problemen. Wie een originele manier verzon om aan geld te komen had al snel een streepje voor.  Al met al overheerste opwinding, kenmerkend voor positieve opbouw.

Vreugdevol, vernieuwend, had het ook een zekere spanning om van nul af met een schone lei te beginnen. Althans, zo ervoer de uiterlijk onopvallende zoon van ‘de Koning’ dat, direct na de oorlog. Hij was de oudste van het echtpaar dat drie jaar daarvoor door een verdwaalde granaat was gedood en Paterneo was daardoor automatisch hoofd van het gezin geworden. Hij nam zijn taak heel serieus. Vóór de oorlog had hij, de intelligentste van de drie nazaten, als enige twee jaar voortgezet onderwijs kunnen volgen. Daarna werkte hij bij een handelsfirma waar hij iets van boekhouden opstak. Tijdens de bezetting was bij zijn vriendenkring al snel bekend dat hij een uitstekende neus had voor zaken. Hij werd er vermaard om dat hij altijd ergens handel vandaan wist te snaaien. Dat niet alles eerlijk toeging wist iedereen. Het was een ongeschreven regel dat niemand naar de oorsprong vroeg als iets het Christelijke licht niet leek te kunnen verdragen. In bezettingstijd kwam dat iedereen goed van pas. Nood brak wet en van 'eigen volk' zag men veel door de vingers. 

Patto, zoals zijn vrienden hem ook wel noemden, was van huis uit aards conservatief. 
Hij hield zich aan strakke Bijbelse regels, aangevuld met het persoonlijk gewiekste dat het beste als pragmatisch egoïsme kon worden omschreven. Zijn droom was heftig maar weinig origineel: rijk en zorgeloos leven. Wie had die illusies niet? 
Naarstig zocht hij een manier om van zijn zwakbegaafde broer en zusje af te komen, wiens erfdeel hij zou gebruiken voor de rest van zijn eigen leven.
Op een rustige doordeweekse avond riep hij hen bij elkaar.
"Ie kunt het goe sam’n vind’n, reddent heel goe zonder mien en om de hand’n vrieje te hebb’n nim ik oe cent’n mit, zodak ut in de groten stadte kan invester’n. Ik veul dattut un succes wort en jullie zou’n jeun deel der later van turugge kun’n krieg’n," vertelde hij vol vuur met de gladheid van een goed gebekte vertegenwoordiger. Ze knikten natuurlijk enthousiast. Aan hem konden ze hun zaakjes wel overlaten. Dat het venijn schier onzichtbaar in de staart zat zou een jurist meteen zijn opgevallen, maar zijn domme broer en zus hadden niets in de gaten. 
Zelf vond hij dat: 'jullie zouden het terug kunnen krijgen ' een prachtige vondst. Het maakte de zin wel interessant lang en klonk zeer betrouwbaar, maar het was de beste slag om de arm. Het betekende immers nog niet dat het echt zou gebeuren en hij had, als het fout liep, toch niet echt gelogen. 
De waarheid lag verscholen in het feit dat Paterneo zich schaamde voor de twee zonderlinge figuren die zijn wellustige ouders -volle neef en nicht- na hem op de wereld hadden gepoot. Die twee hielden zich, net als zijn ouders, bezig met absurde heidense hersenspinsels waarin hij zich absoluut niet wilde verdiepen. Het was als vloeken in de kerk. Geesten, duistere occulte zaken. Vreselijk vond hij het. Ketterij waar enkel zwakbegaafden zich in verloren. Dat ongrijpbare gezever had iets duivels, was onvoorspelbaar en joeg steeds vaker onrustige adrenaline stoten door zijn lijf. Het wordt hoogtijd om mijn slag te slaan, dacht Paterneo vaak zenuwachtig. Zodra ik de kans schoon zie zal ik mijn biezen pakken. 
Die zondagmorgen in de eerste verwarrende tijd- normale gewoonten stonden nog in de kantlijn- sprong de vonk ineens over. Hun zeer gewaardeerde dominee preekte over de noodzaak van vooruitgang. Zijn familie stelde, bij de koffie daarna, daarom ook geen moeilijke vragen toen hij diezelfde morgen met een klein koffertje vertrok. 

Het was nog vroeg. Schaamte liet hij op het perron achter zich. Hij was vrij, zat heerlijk alleen in de treincoupé en het oude, bijna vergeten, avontuurlijke gevoel was terug. De toekomst leek een naakte pas geboren baby en lag open en bloot voor hem. Hij voelde zich weer de kwajongen die hij lang geleden was. Het kind met grootse dromen. De enige echte troonopvolger van zijn ouders uit de tijd voordat het noodlot had toegeslagen. 
Onderuit gezakt in de vroege zon, speelden de voorbij flitsende schaduwen van bomen een lichtspel achter zijn gesloten oogleden. Het schitterende kleurenspel fascineerde hem mateloos en het ritme van de zingende wielen op de rails maakte hem soezerig. Eindelijk ongebonden zou hij bergen werk verzetten en een eigen glansrijk koninkrijk stichten. 
Waarschijnlijk kwam het door het slaapverwekkende kedeng-kakedeng dat de gouden gedachte zijn mijmeringen plotseling verdrong. Het idee schoot als vuurwerk door zijn hoofd en als vanzelf sprongen zijn ogen te ver open.
Hij schrok van de spin die zich tien centimeter voor zijn neus langzaam aan zijn eigen draad liet zakken. Het veelpotige monster bengelde uitdagend voor zijn ogen heen en neer. Harig en groot. 'De voorbode van de toekomst,' bliksemschichtte het door zijn geest
Uit macht der gewoonte greep hij de spin en kneep hem met zijn blote handen fijn, waarna aanstormende gedachten als een keurig in het gelid marcherend regiment soldaten zijn hoofd binnenstampten. Kedek-kedak, natuurlijk, ieder-een heeft voedsel nodig en als bij toverslag wist hij, kedek-kakkedak, wat hem te doen stond.
Naarmate de trein verder boemelde kreeg zijn ingeving een duidelijker beeld. In feite zag hij zichzelf, kedek-kakkedak, er al middenin, met een, kedek-kakkedak, karrenvracht geld in de kassa achter de toonbank. Hij hoefde het meesterlijke plan alleen nog maar in daden om te zetten. Als handigste en eerste gezagvoerder had hij de alleenrechten op dit idee en zonder schuldgevoel denderde hij met het toegeëigende geld zijn nieuwe leven in. Met het startkapitaal dat veilig in het leren tasje onder zijn zondagse pantalon zat. Hij tastte er even naar, genoot van het opwindende geile dikke plak biljetten en glimlachte slinks. Mijn domme broer en zus, haha, zullen het eerste jaar niet eens op het idee komen om mijn beweegredenen en vertrek te wantrouwen, wist hij en toen de trein stopte, stapte hij- puur op gevoel- als vanzelf uit, zonder zich te bedenken. God had hem gestuurd.

Het bleek dat hij in de stad van 'een brug te ver' was aangekomen. In het centrum van het land en dat voelde verbazend goed. Hier, waar zo hard gevochten was en de kern van het leven in puin en as lag, zou zijn feniks herrijzen. Niemand zou er na een paar jaar nog naar vragen hoe hij dat had gedaan. Vanaf nu laat ik me Erneo noemen, besloot hij en stapte opgewekt bij perron twee van de trap af naar de stationshal, die tijdens de bombardementen miraculeus gespaard was gebleven.

Vervolg

Reacties (8) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Kijk, hier zat ik op te wachten, een betere kennismaking met Erneo. Het Bijbelse en christelijke herken ik niet echt, totaal niet eigenlijk, misschien komt dat nog.
nu leren we hem beter kennen
nu weet ik hoe hij was en is en zeker niet zal veranderen ...
Sommigen worden alleen maar erger...
Nee, aardiger wordt hij niet met de jaren.
Dus nu de achtergrond van Berts vader, boeiend.
We gaan hem beter leren kennen, zeker weten...
Bizar of beter schandalig eigenlijk dat die stationshal de tand des tijds van deze eeuw niet heeft doorstaan....
Ja, overleeft met de art-deco tegeltjes en het glas in lood de slag om Arnhem maar wordt vijftig jaar daarna eenvoudig met de grond gelijk gemaakt. Wat een deceptie