Dansend door het leven (2)

Door Weltevree gepubliceerd op Tuesday 13 May 16:33

Het is een rustige, heldere avond. Niet warm of koud, windstil en er staan veel sterren. Ik heb lekker kunnen oefenen en mijn ouders weten dat ik na de dansavond nog ergens iets ga drinken. Waar hij me mee naartoe neemt is niet verteld, maar we lopen zwijgend door de Beekstraat, richting het station. 
Eigenlijk weet ik niet waarom ik ja heb gezegd. Hij danst wel aardig, maar hij zou me niet zijn opgevallen als hij me niet al weken meermaals ten dans had gevraagd. Hij is ook minstens dertig centimeter langer dan ik, net als Ron Stalknecht. Ik mis hem. Het voelde zo goed, totdat, ach wat… Ik moet hem vergeten, maar ik ben niet gek, keek niet voor niets steeds naar de ingang en voelde die stekende teleurstelling als hij niet in de deuropening stond.
Het is al twee maanden geleden dat ik hem afwees. Had ik niet zo kinderachtig moeten zijn en hem wel tussen mijn benen moeten laten grijpen terwijl hij mij te jong vindt voor een vaste relatie? Kom zeg. Nee. Nee. Het is alles of niets bij mij.  Hij had me al aan zijn ouders voorgesteld. Dat zegt toch wel iets? Waarom heeft hij dan later gezegd dat we géén verkering hadden? Ik wist niet wat ik hoorde, moet niet blijven hopen dat Ron zijn best voor me zal doen, maar dat zegt nog niet dat ik er geen verdrietig om ben. Mijn eerste verliefdheid, verdorie, ik had met hem de hele wereld aangekund... Hebben zijn ouders soms gezegd dat ik niet goed genoeg ben? Omdat wij thuis geen winkel hebben zoals zij? Of omdat ze mijn studierichting niet kunnen waarderen? Is dat zoveel minder dan die school voor edelsmeden in Schoonhoven? Of vinden zijn ouders een toekomstig kunstenaar te vrijgevochten voor hun enige zoon? Kom, tutje hola, je hebt nu een ander afspraakje. Geniet daar van. Geen handvol maar een landvol, zou je vader zeggen, maar ik weet het zelf ook wel: buiten de danszaal, waar ik straal als ik dansen kan, ben ik niet zo opvallend, niet uitzonderlijk aantrekkelijk of mooi en verliefd worden doe ik helemaal niet zo makkelijk. 


We duwen het leren gordijn opzij en stappen via de kleine hal café Carnegie binnen, zo op het oog een soort bejaardensociëteit. Al snel zie ik dat schijn bedriegt. Er zitten veel jongelui op de lange leren banken langs de muur. Het is daar heel gezellig. Er zitten ook wat mensen van de dansschool, maar Bert zoekt een rustig plekje, zegt hij. Ergens in het midden waar het stiller is kiest hij een vierkant tafeltje voor twee. Wat stijfjes opgeprikt zit hij tegenover me lang te zwijgen, weet met zijn armen geen raad, lijkt zenuwachtig, wat ik wel vertederend vind. Ik lach hem maar eens toe. Misschien verluchtigt dat de gespannen sfeer? Hij knikt wel, maar lijkt toch ergens anders te zijn met zijn gedachten en ik vraag me af waarom hij dan zo nodig iets met me wilde gaan drinken.

Het ouderwetse pluchen kleedje doet me denken aan thuis, waar mijn ouders in dergelijke nep Persjes steevast gaten branden. Alsof ze het expres doen, hihi, het bij ons thuis gewoonte is om de sigaretten op de tafel uit te drukken. Kennelijk heb ik er een oog voor, want hier vind ik ook meteen al een brandgaatje en heb er plezier om. Ik zet er, zoals ze thuis doen, de asbak op.
“Haha, zo te zien komen mijn ouders hier ook wel eens,” kwink ik een slag die Bert uiteraard niet begrijpt. Ook niet als ik het hem uitleg. Hij hoeft er niet om te lachen. Jammer, minpuntje.
De ober heeft de cola en sinas, gatsie met onbehoorlijk grote brokken ijs, nog niet gebracht, of Bert haalt zijn portefeuille uit de binnenzak. Erg spraakzaam is hij nog steeds niet. Ik werp hem nog maar eens een glimlach toe, wie weet ontspant hij dan wat? Hij zoekt lang in zijn portefeuille en legt uiteindelijk een grijs fotootje op tafel. Wazig, met veel te weinig contrast. Van mij uit gezien is het een hoofd, maar het plaatje ligt op de kop. Mijn broer maakt betere foto’s, denk ik meteen gehaaid. Ik weet het omdat ik Broer vaak in de donkere kamer heb geholpen. 

“Weet je wie dit is?” vraagt hij en ik haal mijn wenkbrauwen op. Ben ik helderziend of zo? Ik kijk hem vragend aan en draai de foto om. Uiteraard ontken ik. Waar zou ik dat kind van moeten kennen? Ik wacht... drink een slokje en wacht, vind het allemaal erg ongemakkelijk worden.
Totdat hij uiteindelijk, gehaast en met geknepen keel, van wal steekt. Zonder enige inleiding val ik middenin een doodeng verhaal. Gefascineerd luister ik hoe hij van alles over tafel schuift wat ik bij een eerste afspraakje beslist nooit en te nimmer zou verklappen. Het ongeluk, zijn smerige wensgedachten en de onheilspellende dromen, zijn angsten en de harde oordelen over zichzelf. Een heel rataplan biecht hij me op en ik durf nauwelijks nog mijn drankje van tafel te tillen. Dat lijkt zo onverschillig tegenover dit indringende betoog.

“Ik laat echt niets achterwege, hoor!” zegt hij opeens heel nadrukkelijk. Vertaalt hij mijn geschrokken blik soms als ongeloof?  
“Want ik moet eerlijk zijn.” Het klinkt alsof iemand het hem heeft opgedragen. Ik knik, sta er om bekend goed van de tongriem te zijn gesneden.
"Dat lijkt me wel zo handig, Bert." zeg ik lachend. "want ik kan echt niet tegen leugenachtige lieden. Daar heb ik thuis al voldoende van meegekregen en dit verhaal lijkt me nou niet iets dat je verzint om indruk op mij te maken, toch?" Hij schudt heftig zijn hoofd. Ondertussen doe ik mijn best neutraal te kijken als hij het hele verhaal nog iets uitvoeriger vertelt. Over het bloed dat de goot in liep en zijn wanhopige schrik. Hij doet uit de doeken dat hij over de reling van de brug kotste. Vertelt over de Donald Duck die hij las en dat hij zich na de begrafenis met niemand hoefde te bemoeien. De meeste van zijn reacties herken ik niet, vind ik vreemd, maar ik heb ook niet zo’n groot verlies geleden, denk ik er meteen achteraan. Bijna voel ik me een voyeur, zo onverwacht sta ik in zijn ellende te zompen. Zelfs over de onderkoelde haat jegens zijn moeder, die hem altijd als een klein kind behandelt, vertelt hij zonder enige schaamte. In zijn ogen branden zwarte gevoelens als hij over zijn vader praat. Dat is een gevoelloze bullebak, die veeleisend en lomp de regels in huis bepaalt, "en mijn ma onderneemt niets daartegen." Het verwijt snerpt lang na in mijn oren. Beland in een modderstroom van puberale klachten stijgt me zijn verleden tot aan de lippen stijgt en mijn maag knijpt samen. Ik ben te netjes om hem de mond te snoeren, maar ik had van dit eerste afspraakje iets heel anders verwacht. 

Hield hij nou maar eens even zijn mond. Ik kan het hem niet aandoen, maar het liefst stapte ik op. Bert merkt niets van mijn lichaamstaal, kan de stortvloed van bekentenissen kennelijk niet stoppen. De woede die loskomt verbaast me zeer en als ik hem vraag hoe het komt dat hij nog steeds zo kwaad is, zegt hij dat hem vaak een machteloze woede overvalt. Tot op heden heb ik daar tijdens de dansavonden niets van gemerkt. Misschien vertelt hij dit wel voor het eerst van zijn leven, bedenk ik ineens, maar… ach nee… zoiets kun je toch geen vijf jaar verzwijgen? Zou hij dit aan iedereen vertellen, die hij voor de eerste keer mee uit neemt, vraag ik me dan af. Heel zijn doopceel legt hij in mijn schoot, ik merk dat het hem goed doet, maar wat moet ik er mee? Ik ben geen psycholoog. 

“Vertel je dit aan iedereen die je een drankje aanbiedt?”
“Nee, oh nee, jij bent de eerste die er ooit over heeft gehoord, zelfs Rex weet van niets,” zegt hij nadrukkelijk. Het klinkt bezwerend. Dat bevreemt me. Zij zijn dikke vrienden. Ik heb hen enkel met zijn tweetjes, als een Siamese tweeling, zien opereren. Het is dus te privé, maar hoe komt het dan dat hij mij hiervoor heeft uitgekozen?
Ik val hem niet meer in de reden, zet toch mijn glas aan de mond en in de loop van zijn relaas zie ik flarden spanning uit zijn gezicht zakken. Na een uur is mijn glaasje al een kwartier leeg, heb ik een kurkdroge mond en hoge nood, maar hij schrikt als ik abrupt opsta.
“Nee, ik ga nog niet weg, ik moet een plas en lust nog wel een bitter-lemon,” glimlach ik en vlucht weg. Naar het toilet. Om bekomen, mezelf weer bij elkaar te pakken. Wat moet ik in Godsnaam met jouw in de knoop gelopen gevoelens? Wat een angstaanjagende gevoelens gillen hier over tafel. Zonder enige gene. Het is bijna eng, zo open als hij is. Heel anders dan Ron die zich niet binden wil. Die mijn maagdelijkheid wilde kapen zonder het officieel verkering te willen noemen.

Vervolg
 

 

 

Reacties (9) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Ah, weer een ander gezichtspunt. Boeiend geschreven....mensen die ineens hun ziel en zaligheid op tafel leggen, ik ken ze. Ik herken dan ook het gevoel van de vertelster.
inderdad boeiend om het vanuit haar oogpunt te zien
toch indringend dat hij alles ineens uitspuugt .;;
Boeiend om het nu vanuit haar oogpunt te zien. Ik worstel met mijn verhaal met hetzelfde probleem, moet ik wel of niet ook Gemma's kant belichten?
Jouw verhaal blijft intrigeren.
Leuk om het nu vanuit haar te lezen.
Ja, het verhaal wordt nu gedeeld,
Het kan daardoor ook via twee hoofdfiguren worden verteld. Ik vind altijd dat een ik-figuur in de tegenwoordige tijd de lezers meer meetrekt in het verhaal, maar dat is uiteraard voor iedereen verschillend
Daarmee kan je een mooi inkijkje geven in beide personages. Ik vind tegenwoordige tijd ook meer meesleuren.
Een klein typefoutje zag ik als je dat wilt horen: ik val hem niet meer in de reden. Ik stoor me er niet aan, maar weet niet hoe punctueel jij hierin bent..:)
Ik krijg opeens het vreemde gevoel of ik in een autobiografie ben beland. Misschien dat die kunstacademie en het dansen de schuld zijn?
Och, wat maakt het uit? Fictie-Aurobio-Historisch of sure- realistisch
Het komt omdat ik plotseling de 'IK-figuur introduceer en ik vroeg me af jij vind dat die overgang zo kan....
ik vind het een tikkeltje bevreemdend, maar het kan wel. Ik heb vaker boeken gelezen die opgedeeld waren in het gezichtspunt van een ik-figuur en karakters die je in de derde persoon volgde. Het was wennen maar na een hoofdstuk of drie was het heel normaal/