De Nederlandse Literatuur Gids Kwartaal nummer 1, 2014 deel korte verhalen

Door San-Daniel gepubliceerd op Saturday 26 April 08:26

Vertelwijze:

Verhalen die uit het hart komen hebben een sterke impact op de lezer. Zij spreken de lezer direct aan en betrekken die in de innerlijke strijd en de emoties die met een dergelijk verhaal verbonden zijn . Verhalen hebben altijd een spannings opbouw nodig en moet een natuurlijke verteltrant hebben, dus niet: .'.en toen en toen en toen..' De lezer moet verlok worden om verder te lezen en diens nieuwsgierigheid dient gevoed te worden.  Het volgende verhaal is van Dora Weltevrêe en beantwoordt ruimschoots aan al die aspecten. 

San Daniel voor de Nederlandse literatuur Gids

 

Lang geleden

Ooit schoot een zinnetje door haar hoofd waarin alle tegenstrijdigheid was gevat.
Omdat ze de onzin daarna meermaals tegenkwam bleef die zin regelmatig aan haar schedel kloppen. Ze begreep dat ze dit zo vaak zou ervaren tot ze er de reden van zag. Die ene zin kreeg daardoor een dwingende bestaansrede.
De situaties die deze gedachten in haar opriepen hadden iets gemeen. Dat accepteerde ze aangezien zij de mensen die het overkwam niet helpen kon. Waarom die frase haar dan toch achtervolgde bleef onbekend. In de hoop dat het daardoor de spanning verloor zette ze de zin uiteindelijk in een piepklein notitieblokje, waarop ze normaliter de dagelijkse boodschappen schreef. Dat bleek tevergeefs. Al lag het opschrijfboekje weggestopt bij spullen die ze even uit zicht had gelegd, die reeks woorden bleef haar óók achtervolgen als ze hem niet zag.

Jaren later, het regende en ze verveelde zich, vond ze achterin het inmiddels propvolle laatje dat beduimelde blokje en vreemde associaties vlogen plotseling als aasgieren rond haar hoofd. Die plukten de oorspronkelijke woordenketting niet kaal, maar kleedden hem juist aan. 
Het was niet eigenwijs dat ze dit met niemand deelde, want ooit, toen ze in de onomkeerbare toekomst verzeild was geraakt, had men haar om diezelfde logische gedachten uitgelachen. 
Het fenomeen, waarin ze die zin had gevat, kwam echter steeds vaker voor. 
Lag dat aan haar? Was het een teken des tijds waarin zij eenvoudig niet paste?
Zij wist niet waarom de tegenstrijdigheid haar bleef boeien en ze zette die schijnbaar normaliteit als titel op de helft van een a-viertje, waaronder ze een rijtje onsamenhangende steekwoorden schreef. Eindelijk leek ze er klaar mee. Vechten voor haar rechten bleek mislukt en niet lang daarna verhuisde ze om een andere toekomst te verzinnen, maar ongemerkt kwam dat papiertje mee als relikwie van wat ze vergeten wilde. Jaren, misschien wel tien, lag het woordenspel nog steeds ongezien in datzelfde laatje want de stellingkast was mee verhuisd. Inmiddels hadden de woorden alle kracht verloren. Tot ze het huis opruimde, dingen weg deed waar ze geen behoefte meer aan had, en ze dat schrijfvelletje weer tegenkwam. Ze kon ze er niet toe komen om dat na al die jaren weg te gooien. Omdat het voor haar een raadsel bleef, waarom het haar telkens vergezelde. 
cb3904b59c7a58166e60fd36e46bd1cf_1396351Noodgedwongen moest ze jaren later opnieuw verhuizen, maar het ongebruikte vodje vol tegenstrijdige begrippen kwam niet in de vuilnisbak terecht. Het ging, alweer zonder dat ze het expres zo wilde, mee naar het huis zonder ziel.

Toen ze het daar na een jaar ontdekte, legde ze het beduimelde velletje bewust bij spullen waar ze in dit leven geen afscheid van zou nemen. Het lag gebroederlijk onder een notitietje dat illustreerde hoe ze ooit een normale huisvrouw had willen zijn: Het recept van gemberkoek. Haar moeder had het ooit voor haar genoteerd omdat die zogenaamd nooit mislukken kon. Hij was bij haar nooit gelukt en dat dunne gescheurde vodje bewaarde ze vanwege het regelmatige handschrift, waarvan de woorden onherroepelijk vervaagden. Er lag ook het plastic geboortearmbandje van de baby bij, die inmiddels het huis uit was. Plus een pasfotootje van de hartsvriendin, die ze tien jaar niet meer had gezien. Dat alles mocht om één of ander sentiment niet verdwijnen.

Het lag te wachten. 

Waarop wist ze niet.
Waren het stiekeme sluimerende gevaren? Lijken in de kast die een onbegrepen verleden bewaarden?
Dat ene velletje was als een rammelend uitgedroogd skelet, opgehangen aan ooit bereidwillige gedachten. Haar zoveel jongere, niet meer goedgelovige ik, had de verschoten woorden opgeschreven. Het bleef haar fascineren, telkens als iemand iets onbegrijpelijks deed. Zij kende hun angsten niet, kon die niet voor hen overwinnen.
Vroeger had ze mensen in de put toegefluisterd: "Je bent goed zoals je bent. Mythen uit een aangeleerd verleden! Laat ze los! Grijp je kans, durf en leef! Je bent geen kind meer, je kreeg eindelijk de verlangde hoofdprijs! Geniet ervan! "
Het had nooit geholpen, hen niet eens geraakt en inmiddels lag de ongrijpbaarheid van wat ze hen had willen geven haar al dertig jaar zwaar op de maag. Zij riep niets meer tegen de onverzettelijke muren van levensbange mensen, had geaccepteerd dat haar zienswijze had verzaakt.

Dat de associaties langzaam een slapende verslaving werden, net zoals de machteloosheid dat anderen het geluk negeerden, kon niet voorkomen dat het vuile verkreukelde velletje een boeiende tand des tijds bleef. Tot op een dag, totaal onverwacht, dat verouderde zinnetje fictief uit de as herrees, een hoofdpersoon met een karakter kreeg met heuse familie inclusief geschiedenis plus een volwassen plot. Het ontrolde schijnbaar moeiteloos uit haar gedachten. Nu ligt de roman al twee jaar klaar en het gelinieerde velletje met het zinnetje, dat een half leven met haar meereisde, is weggegooid. "Wie zonder er iets voor te doen het geluk krijgt toegeworpen en het niet waardeert, voelt zich even bevrijd, maar na verloop van tijd beroofd van de veiligheid der pijn en armoede."

Dora Weltvrêe

Tijd en ruimte in verhalen:

Een verhaal speelt zich af in een ruimte of in diverse ruimtes en /of op verscheidene locaties. Die worden niet willekeurig gekozen maar dienen een nut in het verhaal. Tijd en ruimte lopen altijd hand in hand in een verhaal. Het neemt immers tijd om een ruimte te overbruggen.  Waar speelt het zich af en waarom, vragen die de lezer, tijdens het lezen,  meer  grip geven op het verhaal.Het volgende verhaal van Annelies Vijlbrief  illustreert dit overduidelijk. 

San Daniel voor de Nederlandse literatuur Gids

Op het moment dat de lift stopte had Otto niet door dat er iets mis was en hij deed alvast een stap naar voren in afwachting van de deuren die hardnekkig dicht bleven. Onder zijn voeten trilde de vloer, op een tweede trilling volgde een schok. Nog had hij het niet door, tot het licht begon te flikkeren en zelfs een paar tellen uitviel. Op het moment dat zoemend de noodverlichting aansloeg zag hij het kind in de hoek. Otto schrok toen hij het jongetje zag dat op de stoffige vloer zat te huilen. Met de magere armpjes om de knieën geslagen en zijn hoofd als een schildpad tussen de schouders getrokken was het kind het toonbeeld van wanhoop en eenzaamheid. Het kind was geen geestverschijning, zoveel wist hij toen hij naar het jongetje keek en zichzelf herkende. Dat rode korte broekje en dat gestreepte shirt herkende hij onmiddellijk, de frisse kleuren zeiden hem dat ze net nieuw waren. Gekocht door zijn moeder ter ere van de logeerpartij bij Opa en Oma.

“Je bent niet echt,” zei de man hard, “alleen een hersenspinsel, het restant van mijn herinneringen en dat wat er ooit was.” Otto hoorde hoe zijn stem te luid door het kleine hokje resoneerde en hield geschrokken zijn mond. Ineens was hij blij dat hij alleen was zodat er niemand getuige was van zijn uitval tegen het luchtledige. Toch wierp hij steels een beschaamde blik om zich heen. Tegen de muur geleund in die zogenaamde coole houding die hij als tiener had geperfectioneerd wachtte hij tot het snikken minder werd. Zijn blik onafgebroken op de jongen gericht om maar niet te hoeven zien dat hij opgesloten zat in een koekblik waar de temperatuur al zeker twee graden was gestegen. Een defecte lift alleen is al een nare droom, in een hittegolf en zonder airco helemaal een nachtmerrie.

"Je bent niet echt," zei hij nog een keer. Wel iets zachter en zonder zijn eerder agressie. "Je bent mij - een herinnering."
"Ik ben wel echt," het jongetje keek op, veegde met de palm van zijn rechterhand over zijn ogen. Waar zijn nagels in het vlees hadden gedrukt zag Otto putjes in de vorm van halve maantjes. "Wie bent u en hoe komt u hier?" Vroeger was hij altijd beleefd geweest tegen iedereen die ouder was, zijn ouders stonden op goede manieren. Toch was het vreemd om door dat kind met "u" aangesproken te worden, het maakte dat hij zich oud voelde.
"Niet echt..." Otto keek streng op zichzelf neer. "Je bent mij op mijn achtste."
"Nietes!" Met vlammende ogen keek hij naar Otto op, die meer verwachtte maar het ventje zweeg. Hij liet zijn hoofd weer zakken en begon opnieuw hartverscheurend te snikken. De man in de lift leek vergeten te zijn. Otto zuchtte, hij besefte dat er niet met hem te praten viel en liet zich naast het kind op de vloer zakken. Na even aarzelen sloeg hij zijn arm om hem heen. Otto was niet zo knuffelig maar hij vond dat hij het niet kon maken geen gebaar te maken. Het was het tenslotte zijn jongere zelf die hier in dit hok zijn longen uit het lijf snikte. De jonge Otto drukte zich als een  wanhopig apenjong tegen hem aan. Wat er toen gebeurde kon alleen in dromen of nachtmerries; de twee lichamen van man en jongen leken samen te smelten. Otto voelde hoe hij kromp, kleiner en magerder werd tot hij verdwenen was in de herinnering. De wanden van de lift werden donkerder, de spiegel die de hele achterwand besloeg en die de illusie van ruimte moest geven verloor haar glans en werd zwart. Ook de geuren veranderden, de vage stank van sigaretten en nog niet vervlogen parfum maakte plaats voor door kamfer doordrenkt hout en de muffe reuk van winterjassen. Otto sloot zijn ogen, huiverend omdat hij wist wat er ging komen. Een paar tellen hield hij ze dicht, hopend dat de nachtmerrie dit keer wel op een afstand bleef.

856ecc571809ef15d77b6f50eaee2c47_1393855

Hij was alleen in het donker, toen hij wakker werd wist hij even niet meer waar hij was. O, ja. De kast, hij had zich verstopt in de klerenkast van de logeerkamer, onder de jassen en half verscholen achter de koffers die daar wachtten op een vakantie. Otto grinnikte, hij had zich zo goed verstopt dat niemand van zijn neven en nichtjes hem had gevonden. Omdat het zo lang duurde was hij even weggedoezeld. Moe van het ravotten met zijn neven en de opwinding van zijn eerste logeerpartij. Ze hadden hem niet gevonden, tennminste dat dacht hij in eerste instantie. Hij wilde triomfantelijk de kast uit stormen om iedereen te laten merken dat hij het spel had gewonnen, maar toen hij tegen de deur duwde hoorde hij hoe iemand het uitproestte. Een gegiechel dat luider werd toen de deur dicht bleef. Hard gebons en luid gelach waren het antwoord op zijn aarzelende vraag of de kast misschien op slot zat.
"We spelen niet met slaapkoppen baby!" jende een hoge jongensstem, het was zijn jongste neefje Harold. "Blijf jij maar lekker in het donker zitten," nam een ander het over "Vragen we wel of je Mammie je straks de fles geeft ukkepuk!!" Dit was Harolds oudere broer Thomas, een grote jongen die al elf was. "Mieniemuis - Pielemuis!!" werd er spottend aan toe gevoegd. Het gebons op de kast werd luider, snelle klappen op de deur en zijwand waardoor Otto's wereld begon te trillen. "Mieniemuis - Pielemuis - Mieniemuis - Pielemuis..." Hij drukte zijn handen voor zijn oren om het niet aan te hoeven horen en had zich huilend in een hoek van de kast teruggetrokken. Daar wachtte hij tot zijn neefjes genoeg hadden van hun getreiter. Toen het eindelijk stil werd had hij voorzichtig zijn handen laten zakken. Zijn verkrampte schouders deden pijn en waren stijf geworden. Eerst was hij opgelucht door de rust buiten de kast maar al snel, toen er niemand kwam om hem te bevrijden, werd hij bang. Het leek wel of niemand naar hem op zoek was, de tijd verstreek en hij bleef alleen in het donker in een steeds benauwder wordende kast.

Verdomme! Otto bracht zichzelf weer in de tegenwoordige tijd. Hij had kunnen weten dat die claustrofobie hem eens op ging breken, maar om zich te laten verdwalen in het verleden? In die herinnering die hem bang had gemaakt om opgesloten te zitten?
'Het is donker en ik heb honger...' De kleine Otto zat er weer, zijn stem zwak en breekbaar. Had hij werkelijk zo geklonken? Zo kinderachtig? Geen wonder dat zijn neven hem tot pispaaltje hadden uitgekozen hadden en dat zijn vader soms ongeduldig en bruusk kon reageren. Hij wilde zijn miezerige zoontje natuurlijk verharden, weerbaar maken voor de wereld. Het was hem gelukt ook, behalve die claustrofobie was hij een opgegroeid tot een man die zijn emoties en angsten aan niemand liet zien.

Pas tegen het avondeten werd de sleutel van de kastdeur omgedraaid en kwam Papa hem halen, huilend wilde hij zich in diens veilige armen storten. Zijn vader had hem even laten betijen maar duwde hem snel van hem af en gaf hem een zakdoek met de vermaning zijn tranen te drogen. Grote jongens huilen niet, hield hij hem voor.
"Je moet nog even wachten, Papa komt je over een klein poosje redden." Otto keek in het smalle gezicht, was hij echt zo mager geweest? Of was dit alleen het geval in zijn herinnering. Hij had als kind altijd honger, misschien dat hij daardoor een ondervoed beeld van zichzelf heeft "Dan krijg je eten, Oma heeft je lievelingskostje gemaakt."
"Poffertjes?" even lichtten zijn ogen op, meteen daarna werden ze dof en zag hij hoe het jongetje weer in zichzelf terugtrok.

a58cbefbceee5bf48bfd50845ec109b7_1393855

Otto wist hoe het joch zich voelde. Na een tijdje was het benauwd in de kast geworden en hij had het idee dat er in de jassen wel eens muizen of grote spinnen konden wonen. Hij stelde zich de harige poten voor, kriebelend over zijn vel en ritselend door zijn kleren. Of het gesnuffel van muizen, met scherpe tandjes en een glibberige staart die in zijn gezicht sloeg.
Doodsbang had hij zich in een hoek teruggetrokken zijn handen beschermend voor zijn gezicht. Bijna apathisch eigenlijk. Net als toen zat hij nu gevangen in een kooi met muren die letterlijk op hem af leken te komen. Otto voelde hoe de paniek bezit begon te nemen van zijn lichaam. Zijn hart roffelde sneller als een steelband kon doen. Het zweet was hem al uitgebroken door de stijgende temperatuur maar de hitte werd ondragelijk. Was hij alleen geweest had hij zonder gene zijn overhemd uitgerukt en zijn spijkerbroek in een hoek gegooid, maar hij had de kleine Otto om rekening mee te houden. Hij wist natuurlijk wel dat het kind niet echt was, toch... het jongetje had hem stellig verzekerd dat hij wel echt was en om nou je zelf voor leugenaar uit te maken ging hem iets te ver.

Zijn jongere versie maakte een verstikt geluidje, een snik en een beverige zucht ineen. Otto zag dat hij helemaal trilde en toen hij naar zijn hand keek die hij naar de jongen uitstak merkte hij op dat hij hetzelfde deed. Hij haalde diep adem om de spanning uit zijn lichaam te krijgen. Vandaag moest dit gedoe voor eens en altijd voorbij zijn. Wilde hij het soort mens zijn die zijn leven liet bepalen door een irrationele angst die niet eens de kracht had een doodsbang kind te troosten? Op het moment dat die gedachte door zijn hoofd ging nam hij een besluit. Hij haalde voor een tweede keer diep adem, liet de lucht langzaam door zijn neus naar buiten gaan en stelde zich voor dat het die stomme angst was. Hij zat vast in de lift - nou en! Wat kon er gebeuren?
"Ze zijn me vast vergeten," het kind keek hem vanonder een iets te lange pony aan. "En nu zijn ze vast al aan het eten en er zijn hier vast en zeker muizen en dikke spinnen..." een traan liep over een rode wang en vermengde zich met een druppel slijmerig doorzichtig spul wat uit zijn neus kwam. Otto wilde zich walgend afwenden, bijna had hij zijn voornemen om de oudste en wijste te zijn vergeten maar herinnerde zichzelf er net aan. Dapper hield hij zijn blik op de jongen gericht en probeerde geruststellend te glimlachen.

"Dan zorgen we toch dat ze ons niet vergeten," zei hij op opgewekte toon. Hij reikte hem zijn hand en wachtte tot de kleine Otto die aannam. "We zijn niet meer in de kast weet je. Geen muizen en spinnen – die heb je trouwens verzonnen hoor - maar wel een knop die je alleen maar in hoeft te drukken om met iemand te kunnen praten." Hij zat al een minuut of tien opgesloten maar had er nog helemaal niet aan gedacht om de buitenwereld om hulp te vragen.
"Met wie praat je dan?" De jongen toonde voor het eerst belangstelling voor iets anders dan zijn eigen angst. "Opa of Oma?"
"Nee, ik denk met iemand van de technische dienst." Samen drukten ze op de knop waar met rode letters ALARM bij stond. Meteen kraakte er iets door de luidspreker en vroeg een vriendelijke stem: "U zit zeker in de lift die tussen de derde en vierde verdieping vast zit?"
"Eh, ja.' Plotseling was Otto verlegen met zijn houding, was zich er sterk van bewust dat hij een denkbeeldig jongetje aan de hand had en vroeg zich ongemakkelijk af of het er niet belachelijk uitzag. Hij troostte zich met de gedachte dat er geen camera's in de lift leken te hangen. “Heeft u enig idee hoe lang het nog kan duren? Het begint hier behoorlijk heet te worden ziet u.”
“Niet zo heel lang meer,” klonk de stem geruststellend. “We zijn er druk mee bezig.” Het deed Otto goed om dat te horen. De stem was een welkome draad met de buitenwereld, waar alles ruim en grenzeloos was. Hij en zijn kleine ik waren niet meer alleen in een doos van nog geen tien kubieke meter.
“Heb je dat gehoord?” vroeg hij de jongen, “volgens die meneer duurt het niet lang meer voor je naar je poffertjes kunt.”

b7fbd0376759edc0fa6b1ab03b7192a7_1393855

“In de kast is geen knop waarmee je met mensen kunt praten.” Weifelend keek het kind de lift rond, dit is groter dan de kast en er is een lampje en jij bent een groot mens, groter dan oom Henk, waarom ben jij dan ook bang?” Aan zijn stem kon Otto horen dat hij zich afvroeg wat voor griezeligs er dan wel in de lift verborgen moet zijn dat een volwassene er bang voor moest zijn. Natuurlijk had het kind in hem gelijk. Zelfs in de kast was er niets geweest om bang voor te zijn. De spinnen en muizen hadden hun oorsprong in een overspannen verbeelding. Het was ook niet zo dat niemand wist waar hij was. De neefjes wisten het, zij hadden heel gemeen de sleutel omgedraaid en hem dat ook laten weten. Otto haalde weer diep adem en voelde de spanning uit zijn schouders vloeien. Hij zat vast in een lift - nou en? - er werd aan gewerkt en tot nu toe waren de muren nog steeds niet op hem neergestort en had hij ook nog geen zenuwinzinking of hartaanval gekregen. Ik ben niet bang meer. Zei hij zelfverzekerd, over een poosje is de lift gemaakt en zijn we vrij. Jij en ik. Zijn herwonnen zelfvertrouwen werkte blijkbaar want de jongen knikte bedachtzaam en glimlachte zelfs een beetje. Wel hield hij nog steeds Otto's hand stevig vast en liet die ook niet los.

Zo kon het gebeuren dat toen na nog eens tien minuten de liftdeuren eindelijk opengingen ze samen hand in hand de hal op de begane grond inliepen. Daar, onzichtbaar voor de monteur en ieder ander in de hal begon de kleine Otto te vervagen tot hij volledig was verdwenen.
“Klein probleempje met de stroomtoevoer meneer, niets om ons erg druk over te maken.” De monteur knikte naar Otto. “Gelukkig geen last van claustrofobie geloof ik?”
“Nee, gelukkig niet.” Hij keek even naar de hand waar hij zojuist nog dat kleine jongenshandje in had gevoeld: “Daar ben ik overheen gegroeid.”

Annelies Vijlbrief.

 

Verhalen hebben altijd een nut voor de verteller en voor de lezer. Zij kunnen verhalend zijn op een persoonlijke manier, het kunnen ego documenten zijn of  ze kunnen maatschappij kritische elementen bevatten.  Elementen die een sterk wij gevoel oproepen. Wij tegen de maatschappij.. of die het falen van een ambtelijk apparaat  chirurgisch ten toon stellen.  Zo een verhaal is het volgende verhaal van Karina, 'want bomen komen elkaar niet tegen. De titel nodigt al uit tot lezen en Karina, bezigt een verteltrant die het menselijke in ons oproept.

San Daniel voor de Nederlandse literatuur Gids

 

Als Mantelzorg ontbreekt…0d6805b8b4f0f50daa95e4d5ab1ca604.jpg

Het jaar 2000...

Hij staarde wat voor zich uit, het leek of het niet tot hem doordrong dat ik binnen was gekomen, maar niets bleek minder waar, ik zag het, ik zag het aan zijn manier van -verzitten, van de ene op de andere bil. ´Dag meneer Krabbenbos´ zei ik, en hij knikte terug als teken van groet.
Hij gebaarde dat ik moest gaan zitten in de stoel tegenover hem. Het was een situatie waar ik zo onderhand  wel aan gewend geraakt was, dit tafereel maakte ik 2 keer in de week al gedurende een half jaar mee. Geforceerd vragen hoe het met hem was deed ik niet, als je kunt zien dat het niet goed gaat met iemand, is het alleen maar wreed om dat steeds opnieuw te vragen, in plaats daarvan zei ik -standaard- ´wat fijn om u weer te zien´, en standaard vond hij dat ook fijn om te horen. Een gemeend vriendelijk  woord hoorde hij niet meer, van niemand niet, er kwam niemand meer over de vloer, althans, géén vrienden en familie meer, allemaal weggevallen. Sinds een half jaar dus, kwam ik bij hem als ¨thuishulp¨. Naast de hulp die hij van mij kreeg, kwam er ook nog verpleging over de vloer, en in de ochtend en avond iemand om hem in en uit bed te helpen. Hoewel het niet tot mijn taken behoorde, maakte ik tussen de middag vaak een witte boterham voor hem met een spiegelei, gebakken in de roomboter, dat mocht eigenlijk niet, vanwege zijn cholesterol, maar we deden het stiekem.  Soms als ik van thuis nog wat eten over had, vooral stamppotten, dan nam ik dat voor hem mee, hij vond het heerlijk, een ouderwetse stamppot.

497e32bd72e4d05488c911abcee45784.jpgJe hóórt je kind niet te overleven!..., dan kun je sterven van verdriet…

Ik kende zijn levensverhaal, zijn vrouw -Rietje- was vijf jaar geleden overleden en hun enige zoon al een paar jaar eerder, ´eigenlijk´ zei hij..., ´ is Rietje gestorven van verdriet, ze kon er niet mee omgaan, het hóórt niet zo, je hóórt je kind niet te overleven!´, en hoewel hij het wilde uitschreeuwen, sprak hij met een zachte stem. Ik had er ook geen antwoord op, kon alleen maar beamen dat het inderdaad tegennatuurlijk is en dat ook ik helaas een beetje weet hoe het voelt, maar dat laatste sprak ik niet uit, ieder zijn leed. En hier, in deze situatie,  ging het om meneer Krabbenbos.

Ik werd ongeschikt bevonden als thuishulp...

Veel viel er niet te doen in het huis van hem, het was klein en praktisch ingericht. De spulletjes van Rietje waren verwijderd, ¨allemaal stoftrekkers¨ vond men. Dat het emotionele waarde voor meneer Krabbenbos had, deed er niet toe. ´Laat dat afstoffen toch zitten!´, zei hij altijd, en tegen mij was dat niet tegen dovemans oren  gezegd! Ik ben ook niet heel lang thuishulp geweest omdat ik niet zo goed in huishoudelijk werk ben. Tenminste..., dingen schoonmaken die niet vies zijn, vind ik zonde van de tijd, en zó werkte het vaak in de thuiszorg. Liever ging hij een stukje lopen, samen met mij, daar had hij veel meer aan. Wandelen met meneer Krabbenbos was gezellig, hij leefde helemaal op, kwam altijd wel een bekende tegen, niet verwonderlijk, want hij woonde al 40 jaar in deze buurt. Tijdens de wandelingen veranderde hij, hij leek zowaar weer een jongeman te worden, begon zelfs te flirten met me...,  ´Als hij 40 jaar jonger was geweest, dan had hij het wel geweten!´ En niemand van wie we tegenkwamen mocht weten dat ik ¨de hulp¨ was, ´dat ging de mensen helemaal niks aan´, vond hij, wie ik dan wél was, wist hij handig te omzeilen. Hij kreeg praatjes, was vrolijk en in níets was hij dan de oude man die ik aan het begin van de middag aantrof.

Ik mocht mijn ¨cliënt¨ niet meer zien...

Het moest er een keer van komen..., één van de andere hulpen had geconstateerd dat meneer vaak in de middag van huis was als ik er was, en dat was níet de bedoeling..., onverantwoord, als er wat met meneer gebeurd dan zou ik niet bij machte zijn om hem professioneel bij te staan. Ook over het huis van meneer was men niet écht te spreken, er lag overal stof! Ik mocht niet meer bij meneer Krabbenbos komen, er werd een andere hulp ingezet, ik was te persoonlijk betrokken bij deze ¨cliënt¨. Er werd me ook uitdrukkelijk verboden om privé langs te gaan bij hem. Ik was er naar van..., kon het niet verkroppen, maar kon er niets aan veranderen, óók viel niet te ontkennen dat ik een slechte thuishulp was. Ik zag meneer Krabbenbos niet meer.

Want bomen komen elkaar niet tegen...

Tot op een middag, ik had mijn dochter van school gehaald, ik meneer Krabbenbos tegenkwam, 497e32bd72e4d05488c911abcee45784.jpghij was alleen..., hij was alleen aan de wandel gegaan en had weer praatjes voor tien. ´Hoe gaat het met u?´ vroeg ik, ik kon me deze vraag dit keer wél permitteren vond ik, want hij oogde blij en vrolijk... ´Goed!´ zei hij.

 ´Nu wél, ik ga lekker zelf aan de wandel, en ik wist nog waar jouw dochter op school zat, dus besloot ik, dat ik lekker een eindje die kant op wandel... , ik kan niet de hele dag maar binnen zitten en niemand kan mij verbieden naar buiten te gaan!.

' Ik wil niet vast geworteld zitten in mijn huis, ik ben geen boom, want bomen komen elkaar niet tegen, snap je Karina? '

Ik begreep het helemaal, onze ontmoeting deed hij op een toevalletje lijken, maar we wisten beiden beter...

Wie was nu de mantelzorger?

Tot aan zijn dood, ben ik toen elke week een uurtje bij hem op bezoek gegaan, samen met mijn dochter als ik haar uit school had gehaald. Soms gingen we aan de wandel, soms deed hij een spelletje met mijn dochter. Die twee hadden elkaar helemaal gevonden, ik had twee vliegen in één klap geslagen! Wie was nou eigenlijk de mantelzorger in deze situatie? Het deed er eigenlijk niet toe...

Steunpunt voor Mantelzorgers…

Ik werd door mijn werkgever overgeplaatst naar een kantoorbaan, bij het 

¨Steunpunt voor Mantelzorgers¨, daar heb ik 12 jaar met plezier gewerkt. 

Karina

verhaal perspectief: 

Een verhaal wordt altijd verteld door een verteller. Wat is het perspectief van de verteller.  Staat die boven het verhaal en ziet hij van boven toe op het verloop? Zit de verteller in het verhaal? Is het een 'ik'  verteller? Is het een alwetende verteller, maw, zijn we deelgenoot van de gedachten van meerdere personages? Is  de waarneming van de verteller gekleurd en zijn wij daar deelgenoot van?  Het volgende verhaal van Ingrid  Aanen bezigt diverse vertel perspectieven.

San Daniel voor de Nederlandse Literatuur Gids 

 

Dead man walking

Knarsend ging zijn celdeur open. Een van de cipiers Ben Matthews stapte zijn cel in.

‘John’ zei hij. De overige drie cipiers bleven op de gang wachten. 
‘Het is tijd John, ik kom je halen. Je voetboeien wil ik aflaten op je laatste wandeling.’
‘Dat waardeer ik Ben.’ zei John. De laatste zeven jaar dat hij hier gezeten had, had hij Ben leren kennen als een strenge doch vriendelijke man. De gevangenbewaarders hadden dienst op deze afdeling door middel van een rouleersysteem. Waarschijnlijk om een te hechte band te voorkomen met de ter dood veroordeelden die hier zaten. Als je hier echter zo lang zat als hijzelf dan voorkwam je niet dat je elkaar toch wat beter leerde kennen. John hield van lezen en kreeg zijn leesvoer uit de gevangenis bibliotheek aangeleverd. Elke keer als Ben dienst had werd het betreffende boek besproken. Toen bleek dat Ben heel wat boeken al gelezen had werd hun band wat hechter voor zover dat überhaupt mogelijk was. Ben begeleidde John zijn cel uit naar de gang en posteerde hem tussen de vier cipiers. Ben voor hem, aan zijn beide zijden een en de laatste achter hem. Het was doodstil in de cellengang. Ben riep luidkeels: ‘dead man walking.’ Langzaam zette ze zich in beweging op weg naar de kamer waar zijn executie zou plaatsvinden. Ben hoorde vaag een ritmisch handgeklap van de overige bewoners van de gang en soms een flard van een stemgeluid. De deuren waren vrij dik en het geluid werd er erg door gedempt. Tijdens zijn laatste voetstappen op de gang gingen zijn gedachten als vanzelf terug naar de paar heftige verwarrende jaren voor zijn arrestatie. 

 

8a7fe8a79f7be9afb8ae32e18459b46c_1395160

 

Al op jonge leeftijd zwierf John over straat. Zijn vader kende hij niet, zijn moeder had twee baantjes om het hoofd boven water te kunnen houden. Al gauw hing hij ’s avonds rond in de hoerenbuurt waar hij soms klusjes opknapte voor de pooiers. In het begin spaarde hij het verdiende geld nog op maar al snel werd het omgezet in alcohol en wat later in drugs. Omdat hij soms dagen alleen maar alcohol dronk en niet at kreeg hij de bijnaam de Magere. Na een paar berovingen op winkels zat de politie achter hem aan en vluchtte hij de stad uit. Hij was nooit meer terug geweest. Op de vlucht, zonder geld kikte hij gedwongen af van de drugs. Zoals hij zelf later zei tegen de zoveelste psychiater: ‘dat is een van mijn betere beslissingen geweest.’ In een nieuwe stad ging het in eerste instantie wel goed. John vond een baantje als bordenwasser in een restaurant en hield zich gedeisd. Uiteindelijk bleek toch de zelfkant van de maatschappij harder aan hem te trekken dan de gezapigheid van een veilig, saai leven. Al snel was hij weer te vinden in de hoerenbuurt waar hij zich ditmaal wist op te werken tot pooier. Drugs raakte hij nooit meer aan, zijn dames des te meer. Als ze niet hard genoeg werkte naar zijn zin, sloeg hij er op los. Wel zo dat het niet meteen zichtbaar was, je moet je koopwaar natuurlijk niet blijvend beschadigen. 

 

Hij schrok op uit zijn gedachten doordat Ben voor hem stil hield en een deur opende. Naast Ben  kon hij een glimp opvangen van een soort operatietafel en daarachter stonden een aantal mensen. Hij herkende de directeur van de gevangenis en de dienstdoende arts. De dokter kwam naar hem toe lopen. 
‘John, zou je hierop willen gaan liggen.’ Hij wees naar de tafel. Langzaam schoven de cipiers wat dichterbij zodat hij geen andere kant uit kon. Hij was echter niet van plan om hysterisch te proberen weg te komen. Vluchten zou sowieso niet lukken en lang geleden had hij al vrede gesloten met de situatie. Na zijn arrestatie wist hij dat er geen ontkomen aan was. Om niet ten onder te gaan aan angst en wanhoop had hij al vrij snel besloten deze toestand te accepteren. John klom op de tafel en zijn beide armen werden zijwaarts gelegd en vastgebonden met leren riemen. 
‘We hebben de procedure al eerder besproken John, ik ben echter verplicht je nu exact te vertellen wat ik zal gaan doen.’ zei de arts. John knikte. Terwijl de riemen ook om zijn benen werden vastgemaakt begon de dokter zijn riedel af te steken. 
‘Ik ga in beide armen een infuus aanbrengen zodat wanneer de injecties worden gegeven de verschillende vloeistoffen tegelijkertijd je lichaam zullen binnendringen.’ Toen de dokter de vloeistoffen bij naam ging noemen besloot John zich af te sluiten en dacht terug aan Tessa. 

 

85ca8a5d3b5aa111ed332603bed198f1_1395160

 

Tessa, de mooie Tessa. Ze was uit zichzelf naar hem toegekomen om te vragen of ze voor hem kon werken. Parttime want ze studeerde en daar had ze dus ook het geld voor nodig. Tessa was jong en zeer gewild en ze verdiende in korte tijd het geld wat ze nodig had en John nog veel meer. John vond haar erg interessant, een woord dat hij nog nooit had gebruikt met betrekking tot een andere vrouw. Langzamerhand begon hij haar als zijn bezit te zien en begon een ziekelijke jaloezie te ontwikkelen. Toen Tessa op een gegeven moment wilde stoppen omdat ze genoeg geld had voor haar studie probeerde hij haar uit alle macht over te halen om te blijven werken. Voor een spaarpotje zoals hij haar voor hield. 
‘Je kunt nu veel geld verdienen, dat wordt alleen maar minder als je ouder wordt.’
‘Ik wil genoeg geld voor mijn studie en dat heb ik nu. Na mijn studie ga ik bakken geld verdienen dan hoef ik nooit meer de hoer uit te hangen.’ had ze hem toegeworpen. Ze was meteen zijn leven uitgelopen en had niet meer omgekeken. John kon het niet verkroppen dat hij haar niet meer zag en begon haar te stalken. Eerst ongezien volgen, hoe langer het echter duurde hoe meer hij zich liet zien en hoe hinderlijker hij werd. Uiteindelijk was het volledig geëscaleerd en waren bij hem de stoppen doorgeslagen. Toen hij haar flat was binnendrongen en haar met een andere man aantrof had hij de man doodgeschoten en Tessa gewurgd.

 

De directeur kwam in het zichtbeeld van John en vroeg: ‘Wil je nog iets zeggen John, je hebt het laatste woord.’ 
‘Nee, dank u. Alles is al gezegd.’ Wat moest hij zeggen dacht John, dat hij spijt had? Hij had er lange tijd over na kunnen denken maar hij had nooit iets van spijt gevoelens kunnen ontdekken. Spijt is ook zo’n onzin gevoel, wat heb je er aan? Eerlijk gezegd had hij uiteindelijk na lange tijd en vele gesprekken bij een psychiater, voor zichzelf kunnen toegeven dat hij eigenlijk genoten had van de wurging. Hij had zich opgewonden gevoeld en besefte later dat dit het begin van een verslaving zou zijn geweest. Elke keer weer die opwinding willen voelen.Dat hij nu op deze tafel lag redde waarschijnlijk iemands leven en misschien zelfs wel meerdere. Hij hoorde de directeur zeggen: ‘het is tijd.’ Even later voelde hij de koude vloeistoffen zijn lichaam binnendringen.

Ingrid  Aanen

Deus ex machina:

De Deus ex machina  (Deus =God in het latijn en ex=van en machina werktuig) was een Goddelijk of bovennatuurlijk ingrijpen in een verhaal. De 16de en 17de eeuwse  toneel schrijvers bedienden zich er van om schier onmogelijke zaken op te lossen in hun verhaal.  Piet Van der Vlist  auteur van het hierna volgende verhaal gebruikt  dit middel in een meer moderne setting.  

San Daniel voor de Nederlandse Literatuur Gids.

 

  

Je hoeft van mij nooit meer terug te komen!

 
 

“Lieve Piet,

Als je deze brief leest is het al weer méér dan 32 jaar geleden dat wij elkaar voor het laatst gezien hebben. Jij was kwaad toen ik wegging en schreeuwde me nog na: ‘je hoeft van mij nooit meer terug te komen!’ Toen wist je nog niet dat dat ook niet meer zou gebeuren... “

 

Ik hapte even naar adem, nadat ik de de envelop van PostNL had opengemaakt. Een kort excuusbriefje gaf aan dat er nagezonden post in zat, afkomstig uit een vliegtuig dat op 6 oktober 1981 was neergestort. En ik wist het gelijk: dat moest een brief van Marja zijn.

300332dd2a55f23cb75549e404d51d12.jpg

We waren bijna 9 jaar getrouwd toen zij op die dag de deur dichttrok en uit mijn leven verdween. We hadden net als bijna iedereen de eerste zeven vette jaren achter de rug, toen het opeens niet meer ging. De spanning was er af, de irritaties namen toe en de kinderen eisten alle aandacht van haar op. We begonnen langzaam uit elkaar te groeien.

 

“Ik heb zoals je weet een vlucht naar Hamburg geboekt om een weekendje helemaal alleen in een hotel door te brengen. Even bijkomen, even goed nadenken, proberen weer helemaal tot mezelf te komen. Jammer dat je het daar niet mee eens was. Je vertrouwde me niet, was bang dat ik iemand anders zou ontmoeten en je nooit meer zou willen zien. Je dacht dat ik niet meer terug zou komen en jou met de kinderen achter zou laten.

Dat was ook helemaal niet mijn bedoeling, maar toch is het zo gegaan. Niet op de manier waar jij bang voor was, maar zoals de goden het voorzien hadden. Het heeft zo moeten zijn, anders was jij niet meer gelukkig geworden.”

 

En weer kon ik niet verder lezen. Ik begreep het niet. Ik moest weer terug denken aan die dag, inderdaad al méér dan 32 jaar geleden, toen ik om zes uur op het nieuws hoorde dat er een vliegtuig van NLM, dat via Eindhoven onderweg was naar Hamburg, was neergestort. Mijn hart kromp ineen en ik wist het gelijk: zij zat in dat vliegtuig. En inderdaad, nog geen uur later kwam een politieagent mij vertellen dat Marja één van de slachtoffers was. En zij was de enige die, evenals de bemanning, uit Nederland afkomstig was. Hoe wrang kan het leven zijn.

Maar hoe heeft ze  in godsnaam deze brief kunnen schrijven? Hoe kon ze weten dat dit zou gebeuren en hoe is die brief bij de post terecht gekomen? Snel las ik verder.

 

“We waren met 13 passagiers om 17.04 uur van Rotterdam Airport opgestegen, onderweg naar een tussenlanding in Eindhoven waar nog meer passagiers  zouden worden opgepikt. Zover kwam het echter niet. In de buurt van Moerdijk kwam ons een heftige onweersbui tegemoet. De piloot probeerde die te ontwijken, maar we kwamen in een valwind terecht en met een hevig gekraak brak er een vleugel af.

8ebceec7ce255f7e0456e56d9bbd9bab.jpg

Ik zag het door het raampje gebeuren en kon geen geluid meer uitbrengen. De ander passagiers ook niet en in doodse stilte stortte het vliegtuig loodrecht naar beneden. Ik hoorde de klap nog en toen werd het donker.”

 

Vreselijk. Ik probeerde te bedenken hoe haar laatste ogenblikken geweest moeten zijn. En ik kreeg steeds meer spijt van wat ik gezegd had toen ze wegging.

 

“Ik kwam weer bij van het geluid van sirenes. Een doordringende geur van rook en kerosine. Stemmen. ‘Er leeft niemand meer’. ‘Er is niet veel meer van over’. ‘God wat een ellende’. Het drong als in de verte tot me door.

Opeens een lichtflits, prachtige kleuren die mij omringden en een witte gedaante die zachtjes vroeg wat hij voor me kon doen.

99c0df51744e4d4ebd022659834daa8d.jpg

‘Ik zou Piet nog zo graag willen laten weten dat ik zoveel van hem houd en dat ik wil dat hij gelukkig wordt. Daarom was ik ook een weekendje weggegaan, maar ik weet nu dat het ons samen niet gegund was.’

 

Door de tranen in mijn ogen kon ik even niet verder lezen. Het werd mij in één keer duidelijk waarom ik een jaar na Marja’s dood Irene tegen kwam en waarom het zo goed met haar klikte dat we al snel met elkaar trouwden. En waarom de kinderen ook zo blij met Irene waren. Het heeft zo moeten zijn, het levenslot heeft dat bepaald. En dan gebeurt het gewoon!

En snel las ik de laatste regels op het verkreukelde, vergeelde stuk papier.

 

“De gedaante gaf mij een pen en papier en zei: ‘schrijf alles op, ik zorg dat je brief op het juiste moment bij Piet terecht komt. Ik doe hem in de postzak die in het vliegtuig ligt.’ En zo is het dus gegaan.

Schat, ik houd nog steeds heel veel van je en ik vergeef je om wat je gezegd hebt toen ik wegging. Het ging niet meer met ons en dit moest gebeuren om jou toch gelukkig te maken.

Dikke knuffel, ik zie je snel terug.”

 

Mijn dochters zijn getrouwd, ik heb drie kleinkinderen en ik ga binnenkort met pensioen. Samen met Irene kan ik nu eindelijk de rust vinden waar ik zo lang naar verlangd heb. Morgen ga ik voor het eerst naar de gedenksteen op de plek waar het vliegtuig met Marja is neergestort…..

9d52915c1e9f713e0c9f3d51532fbc4f.jpg

 

 

Werkelijkheids gehalte:

Een lezer raakt snel verveeld als een verhaal werkelijkheids gehalte ontbeert. Er is maar zoveel dat je kunt accepteren als weldenkend mens. Een manier om een verhaal méér werkelijkheid te geven is door er bekende feiten in te vlechten of gebruik te maken van historische gegevens. Annelies Vijlbrief doet juist dát in haar volgende korte verhaal. De lezer herkent de feiten of gebeurtenissen en raakt betrokken bij het verhaal. 

San Daniel voor de Nederlandse Literatuur Gids.

 

 

 

Metalen Doodskist

 

Mijn groen met zilveren draak maakte een brullend geluid toen het schuim van de hoge golven tegen zijn vleugels spatte, onder ons was de zee zwart als inkt. onwillekeurig gleed mijn tong over mijn gebarsten lippen en ik proefde het zout van mijn tranen. Draak wist waar ik heen wilde en brulde als in een wild protest, ik voelde zijn verzet toen ik onverbiddelijk van de kliffen weg stuurde. Het leek of hij voelde wat ik van plan was en bleef hij trekken tot ik zijn neus omlaag kreeg en we laag over de wilde zee vlogen. Net als mijn draak leek de wind ook een eigen leven te leiden. De storm rukte hard aan de vleugels sloeg het zeewater tegen het cockpitraam. Het maakte me niet uit dat ik door het zilte water bijna niets meer zag. Ik vloog toch nergens heen. Het was meer uit routine dan uit belangstelling dat ik naar de brandstofmeter keek en zag dat die richting het rode vlak ging.

Niet lang meer en er was geen brandstof voor een veilige terugtocht naar het vasteland. Ik had mij voorgenomen om zodra de wijzer volledig in het rood stond, ik mijn protesterende draak de zee in ging sturen. Een zeemansgraf voor de dochter van een marineman en een metalen vogel als doodskist voor de vrouw van een luchtvaartpiloot. Bijna poëtisch als het niet zo pathetisch was. Er was niets wat ik hoefde te doen, alleen maar het stuur rechthouden. Voor mij lag de zwarte zee die in de verte samensmolt met de even donkere nacht. Het zeewater dat door de harde wind tegen de ramen spatte zorgde dat mijn blik vertroebelde en mijn draak brulde grommend een slaapliedje. Ik voelde hoe mijn gedachten wegvluchtten uit de werkelijkheid, langzaam verdween ik in het verleden en zag mijzelf als meisje in die gelukkige jaren twintig.

Ik ben geen lafaard”, zei ik voor alle zekerheid nog een keer. Ik keek in het lachende gezicht van William en sloeg zijn hand weg die hij naar mij uitstak. “En ik hoef je hulp ook niet” Ik liep langs hem heen en klauterde zeer ondamesachtig op de zilveren vleugel van de liefde van zijn leven, de Fokker CII. Zonder op de blikken van zijn vriend Regal en neef Harry te letten wurmde ik me in de voorste stoel van de zilveren dubbeldekker. Pas op Wonky straks gaat het dametje er met je kist vandoor!” riep Regal vrolijk. Ik zwaaide naar hem en stak mijn tong uit naar mijn broer die om onduidelijke redenen door zijn vrienden de naam Wonky had gekregen. Ze hadden allemaal bijnamen, Regal heette eigenlijk Reginald maar vanwege zijn gelijkenis met prins Edward had hij de naam Regal gekregen en Harry was Bonkers (getikt).

b06e2533cd822070ef81f518a2109d1d.jpg

Ondanks dat ik mezelf voorhield dat ik geen lafaard was, was ik wel bang toen ik daar in de metalen vogel wachtte tot William instapte. Dun metaal, stinkend naar rubber en olie met vier gammel uitziende vleugels niet eens gemaakt door een Brit, hoe kon ik daar vertrouwen in hebben? Toch was ik op de uitdaging van mijn broer ingegaan. We hadden ruzie gemaakt over Amy Johnson. Door een spottende opmerking van William dat ik niet aan haar kon tippen was ik kwaad geworden. Ik kon alles wat zij ook kon als ik de kans maar kreeg. Amy Johnson had als vrouw haar eigen kist had en die net zo veel – zo niet meer – over vliegtuigen wist als de mannelijke piloten. Zij vloog solo, wilde records vestigen en bewees dat een vrouw niet onderdeed voor een man. William schudde zijn hoofd en merkte op dat Amy een uitzondering was, één van de jongens. Zo voelde ik me ook, ik was liever met William en zijn vrienden op pad dan bij mijn nichtjes en zusjes, die ik maar saai vond. William deed aan autoracen, trok zich van niets en niemand iets aan en had net zijn vliegbrevet gehaald.

De ruzie sloeg nergens op maar was fel en met veel geschreeuw. Zo gingen we met elkaar om, we hielden ons nooit in. Dat hoefden we ook niet want we waren zo hecht als een broer en zus maar konden zijn. Het eindigde ermee dat hij riep dat ik te laf was om met hem mee de lucht in te gaan en dat ik dus nooit een tweede Amy kon worden. Die uitdaging kon ik niet over mijn kant laten gaan – ik was geen lafaard. Nooit ben ik vergeten hoe het voelde toen we over het gras hobbelden, hoe de wind onder de vleugels kwam en we steeds een stukje werden opgetild, de schok toen we weer op de grond terechtkwamen. Steeds langer bleven we in de lucht tot we niet meer terug vielen. Het vliegtuig brulde, gromde en bewoog als een wild dier door de hemel die blauwer leek dan ooit. Hoger en hoger gingen we, richting de wolken en ik voelde hoe mijn angst oploste en plaats maakte voor een opwinding en een vrijheid die ik nog nooit eerder had gevoeld...

De Grote Oorlog was gewonnen en de wereld lag open voor iedereen die het wilde grijpen. Er gonsde een uitgelaten roes over de aardbol, een euforie die niet lang duurde en die overging in een koortsachtige wil om te leven en te feesten. De maatschappij veranderde snel en alleen de jeugd scheen het bij te kunnen benen. Met politiek hield ik me niet bezig, ik was aan het dansen op de muziek van de jazzbands en ging naar de bioscoop om me te vergapen aan Errol Flynn. Mijn ouders waren geschokt door mijn gedrag, de korte rokken en mijn moderne korte kapsel, maar daar trok ik me niets van aan. Het was de twintigste eeuw, en wij meisjes hadden van de vrijheid geproefd. Rijk, jong en wild lieten we ons niet in het keurslijf terug persen, er was stemrecht, we mochten werken, en net als mannen hadden we de broek aan. Ik maakte me nergens zorgen om. We hadden het goed en mijn ouders waren dan wel niet blij met mijn keuzes, toch legden ze me geen strobreed in de weg. Ook niet toen ik besloot dat ik net als William wilde vliegen. Verstandig als mijn vader was zag hij in dat ik hoe dan ook mijn zin door ging zetten. Met of zonder zijn hulp. Ik was als een natuurkracht en was niet te stoppen. Het hielp dat ik Williams steun had, die was nog steeds helemaal idolaat van Amy Johnson en vond het daarom niet zo gek dat zijn zusje ook een eigen vliegtuig ambieerde.

Ik had geen tranen meer, mijn gezicht een verstijfd masker onder het opdrogende zout. William was de eerste die stierf, mijn broer en mijn held raakte vermist boven de Noordzee op weg naar België. Waarschijnlijk neergehaald en verzwolgen door het zwarte water. Zijn graf zal het mijne ook worden. Hoe kon ik leven zonder de mensen van wie ik hield, meer dan van het leven zelf?  Met mijn ogen knipperend kwam ik tot de werkelijkheid terug. Het leek of ik uren weg was geweest, verdwaald in de herinneringen van gelukkiger tijden, die wilde jaren twintig en dertig. Ik danste door het leven, eerst de charleston daarna op de jazz en de trompetspel van Louis Armstrong. Ik kreeg na lang zeuren mijn eigen vliegtuig, mijn geliefde Dragonfly of de Draak zoals ik hem liefkozend noemde want een libelle was te fragiel te sierlijk voor mijn lieve lomperik. Met een libelle verover je het luchtruim niet, dat doe je op de rug van een draak.

7a37641a6fdc61a341d1b0262dcfd11f_medium.

Ik ben geen lafaard... ik had het al zo vaak gezegd maar dit keer vroeg ik me af of ik het nu wel meende. Ik was bang … echt bang. Wat ik ging doen was het engst, het meest bepalende wat ik ooit kon doen. Vandaag ging mijn leven veranderen, definitief. Ik keek in de hoge spiegel en een vreemdeling staarde terug. Een ivoorkleurig gewaad, langer dan elke japon die ik bezat. Bezaaid met zoetwaterparels, gesluierd met antiek kant en daarachter grote donkere ogen in een door de zon gebruind gezicht. Een verklede jongen die probeerde om er als een dame uit te zien. Ik voelde me thuis in broeken en pilotenjacks. Als ik ging dansen droeg ik een soepele wijde broek van zijde, maar nooit een rok. Tot vandaag, omdat ik wist dat Regal het niet verwachtte en ik hem juist op deze speciale dag wilde verrassen.

Ik ben geen lafaard...

Keer op keer zei ik die woorden, zacht zodat niemand het hoorde. Ik, de stoere meid die met de wolken stoeide, door de straten racete in een opgevoerde auto, die kon dansen tot het licht werd en daarna naar het vliegveld reed om met mijn Draak de zonsopgang tegemoet te vliegen was bang voor drie woorden: Ja – ik – wil.

Ik wilde het ook, met heel mijn hart. Regal had het veroverd en het aan me terug gegeven. Hij wilde me niet bezitten of mijn vrijheid beknotten. Hij wilde mij zoals ik was en ik wilde hem, al zolang ik me kon herinneren had ik van hem gehouden. Onze trouwdag was in de lente, onze huwelijksreis was in Monte Carlo. Daar lagen we in de zon en waren 's avonds in de casino's te vinden. Kon een huwelijk gelukkiger zijn? Konden twee mensen meer van elkaar houden? zijn. Ik wist het echt niet. We waren gelukkig en toch kent elk leven zijn tegenslagen. Ons verdriet was de twee miskramen die ons van de illusie beroofde om ouders te worden. In die droevige tijd leken we uit elkaar te groeien. Regal stortte zich in gokken en drinken terwijl ik steeds vaker in de Draak mijn toevlucht in de wolken zocht.

Ik ben geen lafaard... schreeuwde ik tegen William die samen met Mama op de startbaan wachtte.

Het was voor het eerst dat mijn moeder de tocht naar het vliegveld maakte. Ze was niet gelukkig met – wat ze mijn – ondamesachtige hobby noemde, maar die keer vond ze het te belangrijk om thuis te blijven. Die dag, precies drie jaar nadat Regal en ik ons ja-woord gaven, was ze met William meegegaan om mij te overtuigen dat ik met mijn echtgenoot moest praten. Mijn broer had me net beschuldigd van lafheid. Ik moest mijn verdriet onder ogen zien en het samen met de man van wie ik hield verwerken, zei hij. Ik schold hem vloekend uit en beet hem toe dat wanneer hij de pijn kende van verloren leven we wel weer zouden praten. Hoe kon hij iets van de leegte voelen die ik ervoer? Hij wist niets van mijn verdriet, en helemaal niets van de stiekeme opluchting. Die schandelijke opluchting dat ik me niet bezig hoefde te houden met kinderen, dat ik kon blijven vliegen. De schaamte voor die gevoelens hielden me weg van Regal, niet mijn verdriet om onze ongeborenen. Het was voor het eerst dat ik het voor mijzelf toe durfde te geven. Tot die dag had ik ook mezelf een rad voor ogen weten te draaien. Ik was wel die lafaard, besefte ik en als ik niet uitkeek raakte ik mijn maatje, mijn geliefde kwijt.

Minder dan vijf minuten, meer kan er niet voorbijgegaan zijn. De zee was nog altijd het wilde monster en de wind probeerde ons nog steeds eronder te krijgen. De wijzer van de brandstofmeter leek niet verschoven. Ik kon nog op tijd om terug keren naar de betrekkelijke veiligheid van het land, maar ik piekerde er niet over. Wat was er nog voor mij? Kinderloos en alleen. Iedereen van wie ik hield was uit mijn leven verdwenen. Bruut zoals William of het tergend langzame afscheid die ik van Mama moest nemen. En Regal... mijn Regal... Een bijna dierlijk gekreun kwam uit mijn keel, het geluid vermengde zich met het geronk en gebrul van de Draak.

0465a3b10941c7a890f8dee22ac49eda.jpg

Ik ben geen lafaard...het was niets meer dan een fluistering die zwak in mijn oren klonk. Ik stond voor de deur van bibliotheek. Een donker vertrek waar Regal zich vrijwel elke avond terugtrok om te drinken. Tenminste, wanneer hij niet met zijn vrienden ging kaarten. Vandaag wilde ik het tij keren, wilde ik hem laten zien dat ik er nog was. Dat ik van hem hield en dat ik hem miste. Vandaag ging hem mijn geheim onthullen en ik was als de dood dat Regal zich walgend van me af zou keren. Geen lafaard, vertelde ik mezelf nog een keer, ik drukte de klink omlaag en stapte met geveinsd zelfvertrouwen naar binnen. Het was schemerig in de bibliotheek, alleen het haardvuur sloeg flakkerende schaduwen. Regal zat in de leunstoel en keek schijnbaar verstoord op, maar voor ik een woord kon zeggen was hij opgesprongen en had me in zijn armen genomen.

We vonden elkaar die avond weer, vonden begrip, hartstocht en herkenning. Mijn geheim bleef geen geheim en mij werd niets verweten. Sinds die dag waren we echt één, samen. Tot die nacht toen hij en zijn squadron door de zwarte lucht naar Duitsland vlogen en er maar één bommenwerper terug kwam. Het was niet de zijne.

William was de eerste, Regal niet de volgende maar wel de laatste. Ik had teveel vrienden en geliefden verloren aan de Moffen. Zelfs Amy Johnson was niet meer. Zij was de eerste vrouwelijke piloot die het leven liet. Verongelukt boven de Theems. Niet op vijandig gebied want vrouwen mochten niet meevechten. Hun taak was die van het vervoeren van vliegtuigen van de fabrieken naar de bases, meer mochten we niet doen. Ik wilde meer doen en dus deed ik niets. Als ik niet kon vechten en sterven voor mijn land dan hoefde het niet, ik ging niet als een veredelde vrachtwagenchauffeur vliegtuigen afleveren aan diegenen die hun lijf en leden konden verliezen. Daarom bleef ik thuis waar verleden week mijn hart aan gruzelementen werd geslagen.

Ik ben geen lafaard zei ik terwijl ik keek hoe de wijzer tergend langzaam over de plaat schoof.

En toch ben je hier om jezelf in de zee te verliezen, waarom? In mijn hoofd de stem van Regal. Mijn geliefde, mijn maatje, mijn zielsverwant moet je dat echt vragen? Wat is er nog voor mij als jij er niet meer bent? Hoe kan ik nog leven zonder jou?

Dus ga je er een eind aan maken? In mijn verbeelding zag ik hem zitten in zijn uniform gedecoreerd met de medailles die hij postuum kreeg. Is dat het enige wat mijn moedige meisje kan bedenken? Waar is je vechtlust?

Aan flarden geschoten toen de Moffen jou en je mannen uit de lucht haalden – de tranen kwamen weer, en verblindden me toen ik besefte dat ik tegen het luchtledige praatte. Regal was dood, vermoord door een vijand die de vrijheid in Europa bedreigde en die mijn vaderland met bommen bestookte.

Ik ben geen lafaard, dit zei ik tegen mijzelf toen ik voor het laatst op de brandstofmeter keek en de stuurknuppel greep om de Draak te draaien. Het zal erom spannen of ik het vaste land kon bereiken maar aan mij lag het niet. Als ik Engeland haalde dan ging ik mijn steentje bijdragen. Vrouwen mochten dan niet vechten maar we konden wel zorgen dat de vliegtuigen die zo hard nodig waren op de juiste plaats kwamen. Draak brulde en schoot vooruit met de wind in de lucht. Morgen, nam ik me voor, morgen nam ik mijn leven weer in mijn hand. Morgen begon mijn gevecht tegen de moordenaars van mijn man en mijn broer.

Annelies  Vijlbrief

tot dusver de 1ste kwartaal uitgave van de Nederlandse Literatuur Gids 2014 , korte verhalen.

 
 

Stap over naar Oxxio

Help deze website en onze schrijvers, stap over naar Oxxio als energieleverancier.

Reacties (11) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Ik verlang naar het boek na lezing tot nu toe!
De Gids is uit en kan gewoon besteld worden.. ik zal je de link sturen.
niets te danken Dora ..hetw as het waard
Wel wel, dat ziet er toch zeker prof. uit, zou ik zeggen.
Bedankt voor al het werk dat en de aandacht die je er aan hebt besteed.
Dank voor de vermelding. Mooie uitgave!
niets te danken ..je verhaal verdiende dat..
Ziet er prachtig uit. Geweldige verhalen en dito inleidingen. :-)
Erg goed, de verhalen, de selectie, jouw mooie woorden, en trots dat ik erbij mag staan, dit had ik nooit verwacht.
je schrijft goed.. dan hoor je er bij
dank ik ga nu even uitwaaien op de motor..