Ik wou dat ik twee hondjes was

Door ZomaarIemandde1e gepubliceerd op Monday 14 April 05:27

7983bf4362a4bed293d766c48cda94a6_1397448

In de late lente van 1981 had ik werkelijk geen enkel idee hoe ik verder zou gaan. Het Barlaeus gymnasium moest ik nu wel definitief verlaten. Met twee herexamens en de hakken over de sloot was ik het najaar ervoor nog overgegaan. Ik had een bloedhekel aan school. Ze probeerden daar allerlei zooi in mijn hoofd te blijven persen waarvan ik het nut niet inzag. Er was al meer dan genoeg dat me ongevraagd bezighield.

Dan telkens ook nog die verdomde gymlessen. Tweemaal per week mocht ik deze vreselijke vernedering doormaken. Mijn klasgenoten konden zich verheugen op de slome, onhandige bewegingen van mijn wanstaltig lichaam. Zelfs de leraar kon zijn lachen zo nu en dan niet bedwingen. Wat was ik in de ogen van deze gespierde veertiger? Geen echte kerel, een langharig watje met een dik lijf. Duidelijk niet gemaakt voor iets wat met lichaamsbeweging te maken had. Een hopeloos geval dat je dwingt naar de lessen te komen en waarvoor je dan ‘zo aardig’ bent dat je het altijd maar becijferd met een vijf. Hij zal me zich nog lang hebben herinnerd want zo iemand als ik krijg je maar een paar keer in de klas gedurende je carrière als drilcommandant lichamelijke opvoeding van een stel luie scholieren.

Het afgelopen half jaar was ik er vaak niet en zelden wel geweest. Ze konden wat mij betreft de kolere krijgen. Ik had me genoeg snel omgekleed achter een halfopenstaande deur in de angst dat ik in de kleedkamer al een voorproefje kon krijgen van de les. Ik was genoeg uitgelachen en nagewezen. Het was genoeg, begrijp je, meer dan genoeg! Afhankelijk van wanneer de uren gym vielen, spijbelde ik en vaak ook ervoor of erna. Natuurlijk zag ik bij wijze van spreken mijn trein ontsporen en diep in mijn hart wilde ik dat ook. Ik wilde er weg, alleen nog maar weg. Ze moesten me met rust laten. Het handjevol aardige klasgenoten  kon ook niet voorkomen hoe ik systematisch werd gepest. De schoolleiding was inmiddels lastig aan het worden over mijn verzuim, maar ik wist dat de leerplichtwet nog maar weinig kon doem bij mensen van mijn leeftijd. Zomaar opeens werd alles stilgezet toen ik op een dag zei dat ik absoluut niet meer terug zou gaan. Zelfs de liefste naasten met de beste bedoelingen konden mij niet op andere gedachten brengen. Al die ellende, al die zorgen en al die pijn werden stilgezet. Ik was verlost!

Er waren enkele schoolvrienden met wie ik nog wel eens afsprak, maar dit verwaterde ook heel snel. Hoewel er altijd een lieve zuster, zwager en moeder in de buurt was, had het leven me toch al overduidelijk geleerd wat eenzaamheid was. Liefde had ik in de kleine familie in overvloed gekend, maar daarbuiten eigenlijk nog nooit. Er was geen meisje dat mij speciaal had gevonden op een leuke manier, maar er was aan mijn uiterlijk ook niet veel leuk te vinden. Ik was hier altijd van bewust geweest. Uiteraard had ik al in verschillende stadia van mijn ontwikkeling verliefdheden gekend. Met gemak zou ik alle meisjes kunnen opnoemen die ik meer dan leuk vond tussen mijn zevende en zeventiende levensjaar. Hoewel elk meisje mij fijne gedachten had gegeven, waren het niet meer dan fantasieën van een jongen die grotendeels ‘voor spek en bonen’ meedeed aan het leven. Buiten mijn familie bestond ik ook wel, maar speelde daar voor nagenoeg niemand een rol van betekenis.

In hetzelfde jaar kwam een Nederlandse film uit van Dimitri Frenkel Frank met in de hoofdrollen Rijk de Gooyer en Monique van de Ven. De film was genaamd: ‘Hoge hakken, echte liefde’, naar de gelijknamige roman uit de pen van de heer Frenkel Frank een jaar eerder. Het was een grappige familiefilm die op tv nog menigmaal is herhaald. Wat mij maar steeds door het hoofd ging, na het zien van de film, was een rijmpje dat de mannelijke hoofdpersoon een paar keer had opgezegd. Ik meen dat de woorden die erin werden gebruikt ongeveer als volgt waren: “Ik keek wat door het vensterglas en stond me te vervelen, ik wou dat ik twee hondjes was dan kon ik samen spelen.”. Samen spelen, dat was iets wat ik lange tijd niet had gedaan. Bijna alles wat ik deed was er op gericht dat ik dit alleen kon doen. Geen afhankelijkheid van anderen. Écht samen spelen had ik voor het laatst met mijn vader gedaan, maar die was al vier en half jaar daarvoor overleden. Vreemd dat een film met maar weinig diepgang je iets kan brengen wat invloed krijgt op je leven. Ik wist dat ik me meer moest gaan gedragen als anderen wanneer ik contact met die anderen wilde. Ik had de leeftijd gekregen om meer eigen grip op mijn leven te nemen. Ja goed, er was me een hoop overkomen, maar daarin was ik niet uniek in en ik moest een weg vinden om te sturen wat me verder ging overkomen. Ik moest leren samen te spelen. Want ik zou nooit twee worden, maar altijd één blijven.

 

Onlangs heb ik eens opgezocht waar het rijmpje zijn oorsprong vond. Zoals ik vermoedde, had de heer Frenkel Frank het niet zelf bedacht. In 1938 verscheen er van de hand van de Duitse dichter, Friedrich Torberg, een gedicht met de naam: Ballade der großen Müdigkeit. De laatste vier regels hiervan zijn begin jaren vijftig vertaald en bewerkt door Michel van der Plas voor een Prismapocket die hij samenstelde met als titel: ‘Ongerijmde rijmen’. Hij noemde het rijmpje Spleen en verwoordde het als volgt:

Spleen

Ik zit mij voor het vensterglas

onnoemelijk te vervelen.

Ik wou dat ik twee hondjes was,

dan kon ik samen spelen.

In plaats van dit onder zijn eigen naam te publiceren, signeerde hij het, bij wijze van ‘grap’, met de naam van de schrijver Godfried Bomans, die een goede vriend van hem was. Bomans heeft het er (in ieder geval publiekelijk) bij gelaten. Hij overleed in 1971, maar werd in 1978 postuum beschuldigd van plagiaat nadat iemand het oorspronkelijke gedicht van Torberg had ontdekt. Het kan verkeren.

Bronnen: Wikipedia & http://nederlandsepoezie.eu

We zijn nu zo’n drieëndertig jaar verder in tijd. Als er iets is wat ik over mezelf heb geleerd, is het wel dat ik me moeilijk aanpas. Zo moeilijk dat maar zeer weinig mensen het meer dan een decennium met mij uithouden of ik met hen. Vroeg of laat ben ik te principieel en / of kan ik mijn meningen niet onderdrukken voor het groter goed. Uit zelfbescherming heb ik mensen zelden meer gegeven dan een tweede kans. Ooit heb ik een uitspraak gehoord waarin ik me op dit punt helemaal kan vinden. De uitspraak was dat als iemand je één keer iets flikt het een lelijke vergissing kan zijn, maar als iemand je een tweede keer iets flikt je al kunt spreken van een slechte gewoonte! Persoonlijk vind ik dat je iemand maar beter geen derde gelegenheid kan geven je iets te flikken.  Er zijn er geweest voor wie ik zo’n zwak had dat ik ze nog veel meer kansen heb gegeven, maar ik kan niet zeggen dat ik daar iets mee ben opgeschoten. Herhaalde teleurstellingen waren de magere oogst van de inspanningen.

Soms meende ik het ‘tweede hondje’ in iemand te hebben gevonden. De ene keer in een vriendschap, de andere keer in een geliefde. Bijna alle tweede hondjes hebben uiteindelijk hun eigen weg gekozen of ik de mijne.

Verwacht ik teveel van anderen? Geloof ik ten onrechte in het principe dat de ene hand de andere wast? Ik heb gezien en zelf ondervonden hoe het is als er in de buitenwereld nauwelijks iemand bestaat die zich ‘een moer’ van je lot aantrekt. Als je dan de wereld schijnt te kunnen verbeteren door bij jezelf te beginnen, was het voor mij heel belangrijk dat ik zoveel mogelijk voor mensen en dieren iets goeds zou proberen te doen. Mijn eigenbelang heb ik vaak minder gewicht gegeven als het aankwam op belangrijke keuzes. Niet vanuit een religie, wet of voorgeschreven fatsoensnorm. Gewoon vanuit het hart en daarna vanuit het verstand iets te kunnen betekenen en toe te voegen aan een ander leven. Waarschijnlijk ben ik in verwarring geraakt. Het was mijn principe, maar hoe ik daar ook in geloofde, kon ik niet verwachten dat anderen dit principe overnamen. Daarom is het gevolg geweest dat ik veel handen heb gewassen die voor mijn hand geen overeenkomstige daad hebben verricht, als ik het even zo mag zeggen.

Bij vlagen heb ik mij in het verleden weten te omringen met zeer veel mensen vanuit elk denkbare en ondenkbare achtergrond. Ik heb ze zien flaneren over rozen en creperen tussen dozen.  Hier en daar heb ik wat druppels op de gloeiende plaat kunnen gooien. Mijn speelsheid is als zoveel anders voor een groot deel vervlogen. Zelfs als daarbuiten mijn andere ik, mijn tweede hondje als in het rijm ergens rondhuppelt, zal het meer warmte zijn dan iets anders wat ik te bieden heb. Er zijn sowieso mooie herinneringen en daarmee zou ik mijn versie willen geven van het rijm:

Een glimlach door beelden zo helder als glas

Verschijnende zonder vervelen

Uit tijden dat ik soms twee hondjes was

Zo heerlijk samen aan ’t spelen

 

 

 

 

 

 

 

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Best mooi onder woorden gebracht, maar de tragiek van deze inhoud vind ik heel erg! Helaas is leven voor de één nog harder dan voor de ander. Misschien is de les toch zoveel mogelijk voor jezelf kiezen?