Blauwe maan

Door Natuursmurf gepubliceerd op Thursday 13 March 18:16

Ondanks zijn ongemakkelijke positie is hij nog enigszins rustig, ontspannen. Misschien denkt hij dat hij droomt. Dat hij elk moment wakker kan worden. Dat het maar een ordinaire nachtmerrie is. Onderzoekend kijkt hij om zich heen. De ruimte is slechts zwak verlicht. Een paar kaarsen op de kale vloer werpen spookachtige schimmen op de muren rondom. Achter in de kamer - waar het licht niet reikt - is het donker en waar het donker is heerst de angst.
Het begint achter in zijn keel en verspreid zich dan langzaam maar geleidelijk over de rest van zijn lichaam. Hij probeert zijn kalmte te heroveren, maar het is een onbegonnen strijd. Nu is het moment aangebroken.
Een gedaante treedt naar voren. De kap over zijn hoofd hult zijn gezicht in schaduwen.
De gevangene schreeuwt de longen uit zijn lijf, en rukt verwoed aan de kettingen die zijn armen en benen stevig in hun greep hebben. Maar er is geen ontsnappen aan. Een groot mes flikkert in het zwakke kaarslicht. En als hij het over zijn huid voelt schrapen is het alsof de wereld vergaat.


Schreeuwend word ik wakker. Rechtop in bed duurt het zeker een paar minuten tot de werkelijkheid tot me doordringt. Ik kijk omhoog en zie de volle maan door mijn dakraam schijnen. Het koude licht dringt diep door.
Ik duik weg onder mijn dekbed en tuur onder het randje van mijn laken op mijn wekker: 04.00 uur. Altijd dezelfde tijd.
Ik weet dat slapen er niet meer in zit, maar ik verschuil me onder de dekens tot de zon op komt. Pas als de eerste zonnestralen mijn kamer verlichten en de schaduwen verdrijven, durf ik mijn bed te verlaten.
Traag loop ik de trap af. Mijn voeten voelen aan als lood. Elke stap dringt dof door in mijn hoofd. Mijn hart steekt en bonkt met iedere trede. Ik probeer strak voor me uit te kijken, maar bij de laatste stap richten mijn ogen zich als gehypnotiseerd op de mat. Daar ligt de krant. Ik staar er een tijdje wezenloos naar. Dan buig ik langzaam door mijn knieën en pak het voorzichtig op als was het een nestje jonge vogels. Ik loop naar de keuken en leg de krant op de tafel. Pas als ik een kop dampende thee voor mijn neus heb staan, durf ik de voorpagina te aanschouwen.

De grote zwartgedrukte letters zeggen alles.

BRUTE MOORD SCHOKT NEDERLAND. SERIEMOORDENAAR SLAAT WEER TOE.

Het slachtoffer was door een jogger in een park gevonden.

Ik hoef niet meer verder te lezen. Ik weet precies in welke staat het lichaam verkeerde. Die jogger zal de komende tijd geen oog dicht doen.
Ik schuif de krant opzij en laat mijn hoofd op mijn armen rusten. Wanneer is deze nachtmerrie voorbij?
Acht moorden in even zoveel maanden. Alle slachtoffers werden gemarteld en gedood tijdens de volle maan.
Behalve dat alle slachtoffers mannen zijn en de moorden tijdens volle maan plaatsvinden tast de politie volledig in het duister wat betreft de dader en zijn beweegreden. De moordenaar laat geen enkel spoor achter.

Acht gruwelijke moorden in acht gruwelijke dromen. Elke maand opnieuw. Hoelang nog? Hoeveel nog? Waarom overkomt mij dit? Allemaal vragen zonder antwoord.
Het heeft mijn wereld danig in de war geschopt. Ik kan me nergens meer op concentreren. Mijn baan ben ik kwijt. Mijn leven is een hel. De hele dag zit ik binnen, af te wachten. Biddend voor droomloze nachten.
Hoe graag zou ik het lot van deze mensen willen veranderen, maar ik ben slechts een (ongewilde) toeschouwer.

Ik gluur tussen de gordijnen. De maan schijnt op haar helderst. Ik ben vastbesloten dit keer niet in slaap te vallen. Ik heb me in dekens gewikkeld en op de bank genesteld terwijl mijn flatscreen een onafgebroken reeks van films laat zien.
Halverwege de nacht verlies ik desondanks de controle over mijn waakzaamheid.

Als ik in een nieuwe droom val, is de doodsstrijd al bijna voorbij. De man – die in een flinke poel van bloed ligt – heeft geen stem meer over. Zijn smekende ogen puilen uit zijn hoofd. Hij ligt genageld aan een groot houten kruis. Zijn ingewanden liggen open en bloot in een gapende wond die van zijn borst tot zijn buik loopt. De moordenaar staat met zijn rug naar me toe. Hij buigt zich over zijn slachtoffer en kerft met zijn lange nagel een pentagram in het voorhoofd van de stervende man. Als hij zijn werk voltooid heeft, doet hij twee stappen naar achteren. Ik kan het niet zien, maar hij lijkt tevreden te zijn. Zijn doel is volbracht.
Opeens draait hij zich om en kijkt mij recht aan. Ik zie alleen zijn duistere blik. Niets anders, alleen die inktzwarte kijkers die zich recht in mijn ziel boren.

Met een schok word ik wakker.


Een jaar is voorbij. Twaalf maanden pure ellende. Ik heb het allemaal van dichtbij meegemaakt. De slachtoffers. De nachtmerrie. De angst. De pijn. De waanzin. De machteloosheid. En uiteindelijk de verlossende dood.
Maar nu is het voorbij. Ik mag weer leven. En ik gun mijzelf die kans.
De dagen en weken daarna laat ik langzaam de afgrijselijke beelden van me afvallen. Hoe moeilijk dat ook is. De zwarte nachten. Ik probeer te vergeten.

Op een dag vind ik mijzelf in een bos. Op een kleine open plek waar het zonlicht een cirkel van licht projecteerd. Ik sluit mijn ogen en tast mijzelf af. Het gevoel dat ik zolang heb weggedrongen. Ik open mijn hart en laat het zonlicht binnen. De ijzige kou in mij wil maar moeilijk oplossen. Er zit een laag omheen, een dikke schil die mijn kleine ik nog niet wil opgeven. Een beschermingslaag die daar om een of andere reden nog zit.

Een plotselinge rilling doet mij opkijken. Het bos is verdwenen. De zon, de bomen maken plaats voor een kille kelder waar het duister heer en meester is.
De ruimte komt me akelig bekend voor. Ik voel een steek van ongeloof.
De nachtmerries. Mijn zwarte nachten. Maar ik ben niet meer alleen toeschouwer. Ik ben er echt! Die schokkende waarheid doet mij naar adem happen.

Ik lig geboeid op een bed. Het zweet stroomt rijkelijk over mijn gezicht. Mijn handen en voeten doen pijn. Uit alle macht probeer ik mezelf te bevrijden, maar ik zie al gauw de uitzichtloosheid van mijn positie in. Ondanks mijn ongemakkelijke houding probeer ik mijn hartslag weer onder controle te krijgen.
Zodra dat gelukt is, valt de stilte hard over me heen.
Nu komt het besef.

8f6b08290ef0dfd9abef3dec2b01d41e_1394732

Ik kan het niet zien, maar ik weet dat het weer volle maan is. Ergens heb ik een vergissing gemaakt. Hoe kon ik geloven dat het afgelopen was?
Ik til mijn hoofd iets op zover mijn beperkte bewegingsvrijheid dat toelaat en probeer het duister te doorgronden. Ik zie niets, maar mijn gevoel weet wel beter. Ik word gadegeslagen.

De tijd kruipt langzaam voorbij. Ik weet hoe mijn voorgangers zich gevoeld hebben, maar ik mag me niet door mijn angst laten beheersen. Ik sluit mijn ogen en visualiseer de vredige rust van het bos om me heen. De sereniteit van de natuur.

Een vlam bijt in mijn linkervoet. Ik kan een onbeheerste kreet niet onderdrukken. Onmiddellijk ben ik weer terug in het halfduister. Ik slik mijn schreeuw in en staar verbaast naar mijn kwelgeest.

Ze ziet er lief, bijna onschuldig uit. Een poppengezichtje met ravenzwarte haren die haar profiel als een stralenkrans omringen. Haar ogen zijn zwart als de nacht en kijken mij nieuwsgierig aan. Haar mysterieuze verschijning brengt mij danig van mijn stuk.
Ze zet de kaars die ze voor een moment vlak voor haar gezicht hield, op de grond.

‘Wie ben jij?’ fluister ik hees.
Zonder te antwoorden komt ze naast me zitten. Een slanke hand verschijnt uit haar donkere mantel. Ze laat haar lange, scherpe nagels zien. Zonder haar blik van me af te wenden, begint ze met haar werk.
Ik sluit mijn ogen en klem mijn kaken op elkaar. Ik begin zwaar te ademen. De pijn wil me overnemen, maar ik geef niet toe. Tranen dringen zich op in mijn ooghoeken. Ik schud mijn hoofd en duik weg in de diepte. Onder de schil van mijn kleine ik. Mijn schuilplaats.
Als de pijn wegtrekt open ik mijn ogen. Ze kijkt me verwonderd aan.
Ik kan maar niet geloven dat ze is wie ze is. Ik wil het begrijpen. Waarom?
Er is een band tussen ons. Ze voelt het ook. Ik ben anders dan de andere mannen. Maar ze heeft een missie. Een heilige taak.
Ze pakt een doek, bevochtigd die en dept mijn brandende borst. Een duister symbool wordt zichtbaar.

‘Waarom?’ smeek ik haar.
Ze laat het zien. Zodra ze haar hand op mijn voorhoofd legt, val ik in een diep zwart gat. De tijd draait zich bliksemsnel terug. Eeuwen flitsen voorbij. Dan staat het beeld stil.
Ik zie een een meisje met ravenzwarte haren. Ze ontmoet een jongen uit een naburig dorp. Ze worden verliefd op elkaar. Maar er volgt een zware beproeving. Haar prille onschuld en oogverblindende schoonheid maakt haar tot prooi van jaloerse mannen en vrouwen. Ze wordt beschuldigd van hekserij.
De jongen is bang en laat haar vallen. Het meisje wordt gevangen genomen, gemarteld en uiteindelijk ter dood gebracht.

Met een schok kom ik terug in het heden. Mijn hoofd tolt. Het is lange tijd stil.
Dan prevel ik zachtjes de woorden: ‘Het spijt me.’
Even laat ze haar duistere kant los. Een traan rolt over haar wang.

Ik geef me aan haar over. Als ik als offer moet dienen om haar te bevrijden, dan gun ik haar dat met alle liefde die in me zit.

Ze blaast de kaars uit. Ik sluit voor de laatste keer mijn ogen.

Reacties (16) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Prachtig! In 1 adem uitgelezen :)
Gelezen en beoordeeld!
Goed hoor :-) erg spannend!
Goedzo :)
Gelezen
Gelezen!
Ik vind 'm echt heel erg goed! Ademloos uitgelezen.
Ik ben blij dat ik niet in de jury zit (al denken nog steeds mensen van wel)
Lijkt mij een kanshebber!
Bedankt Doortje.
Jeetje wat een mooi verhaal. Die zus van mij, die natuurlijk nog steeds moet winnen want ik ben partijdig, krijgt nog meer concurentie.
Bedankt Anerea.