Samenvatting inleiding in de psychologie - Gert Alblas H2 de biologische basis van gedrag

Door Tim44 gepubliceerd op Tuesday 18 February 01:30

Samenvatting Inleiding in de psychologie – Gert Alblas H2: De biologische basis van gedrag

 

2.1 Het zenuwstelsel

 

Receptoren à zenuwcellen die in staat zijn prikkels van verschillende aard die van buitenaf komen, op te vangen en door te geven.

Receptoren zijn er voor:

  • Geluid
  • Druk
  • Smaak
  • Temperatuur
  • Visuele indrukken

 

2.1.1 Neuronen

 

Neuron à geeft signalen door die worden opgevangen door receptoren

Neuron bestaat uit:

  • Cellichaam
  • Axon
  • Dendrieten
    • Ontvangen de prikkel
    • Komen bij elkaar in cellichaam
    • Geven prikkel door aan axonen

Drie soorten neuronen:

  • Sensorische neuronen
    • Geven waarnemingen uit buitenwereld door:
      • wat we zien
      • wat we horen
      • wat we voelen
  • Motorische neuronen
    • Ontvangen signalen van neuronen uit hersenen en ruggenmerg
    • Activeren spieren, organen en klieren in lichaam
  • Interneuronen
    • Zitten tussen hersenen en sensorische/motorische neuronen in
    • Verzorgen transport van de signalen

Reflexboog à eenvoudigste verbinding tussen prikkel en reactie

Reflexboog: prikkel > sensorische neuron > interneuron > motorische neuron > spier

Reflex à automatische reactie die niet gestuurd wordt door een bewuste activiteit en onmiddellijk plaatsvindt.

Hersenen geven betekenis aan prikkels

 

2.1.2 Informatieoverdracht

 

Om signaal van een prikkel door te geven moet het signaal aan de drempelwaarde van de neuron  voldoen.

Rustpotentiaal à rusttoestand van neuron

Actiepotentiaal à afvuren van een elektrisch stroompje naar het andere einde

Actiepotentiaal:

  • Altijd dezelfde grootte en vorm, ongeacht de sterkte van de prikkel
  • Intensiteit afhankelijk van:
    • Aantal neuronen dat wordt aangezet om te vuren door de prikkel
    • Frequentie van vuren: hoe sneller achter elkaar de actiepotentialen elkaar opvolgen, hoe sterker de prikkelervaring

Snelheid doorgeven informatie afhankelijk van:

  • Diameter axon
    • Hoe dikker de axon, hoe sneller de informatie wordt doorgegeven
  • Aanwezigheid myelineschede
    • Myelineschede à vetlaagje om de axon
    • Myelineschede aanwezig betekent sneller informatieoverdracht

Doorgifte signalen tussen neuronen komt door activering van chemische stoffen (neurotransmitters)

Synaps à kleine tussenruimte tussen de uiteinden van neuronen

Synaptische transmissie à neurotransmitters worden aangezet door het actiepotentiaal om zich via synaps naar de receptoren van ander neuron te bewegen

Informatieoverdracht bestaat uit:

  • Elektrische processen
    • Alles of niets (doorgeven of niet doorgeven)
  • Chemische processen
    • Ingewikkelder en subtieler dan elektrische processen

 

2.1.3 Neurotransmitters

 

Neurotransmitters kunnen zorgen voor:

  • Versnellen overdracht
    • In tijden van nood à via reflexboog
  • Vertragen overdracht
    • Als andere signalen belangrijker zijn
  • Selecteren overdracht
    • Overdracht gaat alleen naar neuron dat op dit signaal is afgestemd

Neurotransmitters komen weer terug in neuron en worden hergebruikt

Enzymen:

  • Zijn betrokken bij:
    • Aanmaak neurotransmitters
    • Overdracht neurotransmitters
    • Terugvoer neurotransmitters naar neuron
  • Kunnen proces van overdracht activeren en remmen

 

2.1.4 Neurotransmitters en gedrag

 

Verschillende neurotransmitters:

  • Dopamine
    • Wordt ingezet voor 3 functies:
      • Controleren bewegingen
      • Planning denkprocessen en doelgericht handelen
      • Regelen emoties en motivaties
    • Tekort > bewegingsproblemen
    • Te grote gevoeligheid > hallucinaties, waanvoorstellingen, schizofrenie
    • Teveel > agressie
  • Noradrenaline en serotonine
    • Regelen gevoelstoestand
    • Vermindering > depressie
  • Acetylcholine
    • Regelt beweging en werking geheugen
    • Teveel > spierspasmen en verlamming
    • Tekort > werking geheugen neemt af
  • Endorfines
    • Reduceert pijn
    • Voldoende endorfine zorgt dat ander gedrag nog mogelijk is naast pijnprikkels

 

2.2 De ontwikkeling van het zenuwstelsel

 

Vier verschijnselen bij ontwikkeling zenuwstelsel:

  • Proliferatie à celdeling waardoor meer cellen in het zenuwstelsel ontstaan
    • Omvang zenuwstelsel neemt toe
  • Migratie à cellen ontstaan uit celdeling nemen positie in in bepaalde delen van het zenuwstelsel
    • Ontstaan verschillende delen hersenen
  • Differentiatie à cellen ontwikkelen zich tot neuronen en maken verbinding met andere neuronen
    • Functie bepaald precieze vorm en werking
    • Functie hangt samen met plaats neuron in zenuwstelsel
    • Ontstaan verschillende delen hersenen
    • Chemische stof neurotrophine bevordert groei bepaalde axonen
  • Myelinisatie à ontwikkeling myelineschede om axon bij sommige neuronen

Complexe omgeving goed voor ontwikkeling zenuwstelsel baby en peuter.

 

2.3 De plasticiteit van de hersenen

 

Plasticiteit à het vermogen om functies te veranderen, uit te breiden, te vervangen of in geval van schade te repareren

Revalidatie à oefeningen bij mensen die moeten herstellen van ongelukken

  • Bevorderen vorming nieuwe verbindingen in de hersenen die beschadigde verbindingen overnemen

Training geheugenactiveiten verbeterd geheugen

Visuel of auditief gehandicapten compenseren handicap door gebruik niet-gebruikt gebied

 

2.4 De verschillende delen van het zenuwstelsel

 

Zenuwstelsel:

  • Centrale zenuwstelsel
  • Perifere zenuwstelsel

 

2.4.1 Het centrale zenuwstelsel

 

Centrale zenuwstelsel:

  • Hersenen
    • Bestaat uit:
      • Kleine hersenen
      • Grote hersenen
    • Denken
    • Controleert gedragingen en gevoelens
    • Reguleert zonodig gedragingen en gevoelens
  • Ruggenmerg

 

Kleine hersenen (cerebellum):

  • Coördineert alle signalen uit ruggenmerg en andere delen van de grote hersenen
  • Thalamus:
    • Schakelstation
    • Vangt signalen van sensorische neuronen op, sorteert deze, combineerd deze en voert deze door naar bepaalde delen hersenen
    • Integreert informatie uit delen hersenen en zendt door naar andere delen
  • Hypothalamus:
    • Bewaakt en regelt toestand van lichaam op gebied van:
      • Temperatuur
      • Energieniveau (honger en dorst)
      • Genot
  • Hippocampus:
    • Onthoudt ingekomen informatie
    • Hippocampus beschadigd of verwijderd > geheugen vermindert of verdwijnt

 

Grote hersenen:

  • Liggen aan bovenkant hersenen
  • Twee helfen:
    • Linkerhemisfeer
    • Rechterhemisfeer
  • Verschillende gebieden met elk bepaalde functie:
    • Sensorische gebieden
      • Hier komen prikkels aan
      • Grootte gebied bepaald gevoeligheid deel lichaam
    • Motorische gebieden
    • Associatiezones
      • Grootste deel van grote hersenen
      • Bewerking informatie
      • Geven betekenis aan informatie
      • Plannen, coördineren, controleren, evalueren gedrag
    • Somatosensorische cortex ontvangt prikkels van:
      • Druk
      • Pijn
      • Aanraking
      • Temperatuur
    • Motorische cortex:
      • Controleert en stuurt bewegingen van het lichaam
      • Hoe groter gebied, hoe complexer de bewegingen bijbehorend lichaamsdeel
    • Visuele cortex:
      • Ontvangt signalen via de ogen
      • Geeft betekenis aan prikkels
    • Auditieve cortex:
      • Ontvangt signalen via de oren
      • Geeft betekenis aan prikkels

 

2.4.2 Het perifere zenuwstelsel

 

Perifere zenuwstelsel:

  • Alle zenuwen die niet tot centrale zenuwstelsel behoren (de zenuwen die verbonden zijn met spieren en organen in het lichaam)
  • Bevat:
    • Sensorische neuronen:
      • Sturen prikkels naar centrale zenuwstelsel
    • Motorische neuronen:
      • Sturen organen, klieren en spieren aan
  • Onder te verdelen in:
    • Somatische zenuwstelsel
      • Controleert en stuurt interacties van een persoon met de buitenwereld
    • Autonome zenuwstelsel
      • Controleert de toestand en het functioneren van alle inwendige organen
      • Twee functies:
        • Remmende of verlagende functie
        • Versnellende of verhogende functie

 

2.5 De linker- en rechterhelft van de hersenen

 

Hersenen zijn grotendeels symmetrisch

Verschillen linker- en rechterhelft op gebied van spraak, emotie, geluid en zien:

  • Functies linkerhelft:
    • Spreken en begrijpen eigen gesproken inhoud
    • Expressie blijdschap
    • Zien details
  • Functies rechterhelft:
    • Begrijpen emotionele lading van het gesprokene (humor, sarcasme)
    • Expressie angst, woede, walging
    • Interpretatie emotionele expressie anderen
    • Waarneming muziek
    • Overzicht over het geheel
    • Ruimtelijk inzicht

 

2.6 Het endocriene systeem

 

Endocriene systeem à tweede systeem doorgeven informatie

Endocriene systeem:

  • Produceert hormonen (à chemische stoffen die via bloed hun weg vinden)
    • Worden aangemaakt door klieren
      • Vier klieren:
        • Bijnieren
          • Scheiden de hormonen adrenaline en noradrenaline af
            • Zorgen voor alertheid en energie
          • Produceert mannelijke en vrouwelijke geslachtshormonen
            • Zijn van invloed op geslachtskenmerken
        • Geslachtsklieren
          • Produceren hormonen die bepalen of een persoon mannelijke of vrouwelijke kenmerken heeft.
            • Vrouwen:
              • Hormonen oestrogeen en progesteron
                • Regelen ovulatie en menstruatie
                • Spelen rol bij ontwikkeling kenmerken lichaamsbouw
            • Mannen:
              • Testosteron
                • Bepaald mate van seksuele opwinding
                • Speelt rol bij ontwikkeling kenmerken lichaamsbouw
        • Pijnappelklier
          • Produceert hormoon melatonine
            • Reguleert gemoedstoestand
            • Tekort > vermoeidheid en depressie
            • Aanmaak wordt bevordert door zonlicht
  • Wordt gestuurd, gecoördineerd en gecontroleerd door hypothalamus en hypofyse in centrale zenuwstelsel
  • Kan gezien worden als een besturings- en bewakingssysteem

 

2.7 De biologische basis van gedrag

 

2.7.1 Sekseverschillen

 

Dimorfiekern in hypothalamus bij mannen 2x zo groot als bij vrouwen

Linker- en rechterhersenhelft bij vrouwen meer symmetrisch dan bij mannen

Verschillen in vaardigheden komen voornamelijk door sociaal-culturele achtergrond en niet door biologische basis

 

2.7.2 Beschadigingen en afwijkingen in hersendelen

 

Beschadigingen zorgen voor storingen die samenhangen met de functie van dat hersendeel

 

2.7.3 Storingen in hormoonproductie en overdracht tussen neuronen

 

Erfelijke aandoening teveel afscheiding phenylalanine zorgt dat het een giftige stof wordt

  • Teveel > verlaging hersenontwikkeling > rusteloosheid, woedeaanvallen, geestelijke gestoordheid

Hormoon cholecystokinin (CCK)

  • Wordt afgescheiden door gedeelte (duodenum) maag
  • Van invloed op hongergevoel
  • Teveel > gevoel verzadiging > stoppen eten

Neuropeptide Y (NPY)

  • Wordt aangemaakt in hypothalamus
  • Teveel > extreem overeten

Mate agressief gedrag afhankelijk van:

  • Sterke aanmaak en afscheiding testosteron
  • Laag gehalte serotonine

Bij foetus teveel androgeen:

  • Worden meisjes met mannelijk uitziende genitaliën geboren

 

2.8 Het nature-nurture debat

 

Aanleg ligt grotendeels vast bij geboorte

Of aanleg tot bloei komt is afhankelijk van omgeving en persoonlijke motivatie

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.