Mijn eerste moord (kortverhaal)

Door Schweiz gepubliceerd op Saturday 18 January 14:34

3252e9ec369e36af2bd40d2eeff22f9d_medium.Daar zaten we dan. Gezellig, met z'n allen op het politiebureau. De benauwde wachtkamer van de politie was duidelijk niet berekend op vijftien mogelijke daders. Ik betwijfel zelfs of deze ruimte op iets berekend is: de politie had zich gevestigd in het oude schoolgebouw, kwestie van een troosteloze locatie te kiezen en een fikse renovatiepremie op te kunnen strijken. De centrale ligging had vast ook wel een rol gespeeld bij de verhuizing. Ik moet zeggen, de renovatie was geslaagd. Ze hadden de buitenkant er even grauw laten uitzien als voor de renovatie en binnenin hadden ze alle vrolijke kindertekeningen plaats laten maken voor een grijs - wie weet was het oorspronkelijk wit - behang. Hier en daar wat donkere vlekken, vermoedelijk braaksel van de comazuipende en permanent stonede jeugd. Zoals ik al zei, het zag er uit zoals een wachtkamer van een politiebureau er moest uit zien.  

Ook de rechercheurs hadden de juiste look. Aan het hoofd van het rechercheurteam  stond een grijzende man van ongeveer vijftig jaar die zijn hele leven had besteed aan zijn carrière en het opbouwen ervan. De typische vastberaden blik was eveneens aanwezig. Logisch, hij had de moordenaar in zijn politiebureau, dankzij de slimme actie van Kees, die de winkel stante pede had afgesloten nadat de heer Joppens lichtjes bloedend, maar redelijk dood op de grond was gevallen. Alles wat de politie nu nog hoefde te doen is de juiste man in het bureau houden en de onschuldige mensen laten gaan. Niet zo moeilijk, toch?

Aanvankelijk had het hoofd van het rechercheurteam - hij heeft wel een naam, maar die ben ik vergeten - besloten de getuigen op alfabetische volgorde binnen te roepen. Dan kon hij vervolgens hem of haar ondervragen, de achtergrond natrekken en het eventuele motief achterhalen. Maar aangezien wij een moeilijk mens in ons midden hadden, die haar naam niet wou vrijgeven 'uit principe', koos hij gewoon willekeurige personen uit.

Uit angst dat hij mij als eerste zou kiezen (want dat zou echt zonde zijn, een beetje spanning is altijd leuk, een cadeautje pak je toch ook altijd in?), perste ik mezelf tussen een vrouw en een man achteraan in de kamer. Het was een prima plekje, gezien de omstandigheden. Alles ging voorlopig nog volgens plan; ik had moeite een lichte glimlach van tevredenheid te onderdrukken. De andere veertien getuigen, ook wel 'mogelijke verdachten' genoemd, zagen er minder vrolijk uit. Sommigen waren diep geschokt, niet vanwege de moord - dergelijke zaken komen met dertien in een dozijn voorbij tijdens de nieuwsuitzendingen - maar uit egoïsme. Moest er nu echt iemand vermoord worden terwijl zij ernaast stonden? Ik alleen wist daar een antwoord op. En ja, dat moest.

Op elk gezicht kon je een andere emotie aflezen. De man een paar meter verder was bijvoorbeeld zeer nerveus. Uiteraard, hij was betrokken bij een moordonderzoek, dan kan je hem niet kwalijk nemen. Anderen waren dan weer heel opgewonden. Uiteraard, zij waren betrokken bij een moordonderzoek en dachten dat ze een of andere bijrolletje gekregen hadden bij Flikken Maastricht, dat kan je hen niet kwalijk nemen. Dan had je nog de vrouw die naast mij stond: zij was duidelijk zeer ongeduldig. Uiteraard, zij was betrokken bij een moordonderzoek dat nog wel even kon duren, maar ondertussen ging de wereld wel zonder haar door en dat vond ze duidelijk jammer. Dat kon ik haar ook niet kwalijk nemen. Enkel de kinderen waren tamelijk blij. Uiteraard, zij kwamen net van de speelgoedwinkel, dat kon je hen moeilijk kwalijk nemen.

In de tussentijd werden er getuigen naar de verhoorkamer gebracht. We zagen ze nooit meer terug. Zij konden hun gewone leventje weer gaan oppikken. Verdergaan met datgene wat ze van plan waren te doen toen Joppens vermoord werd. Ondertussen was het aantal sardientjes in het blik dat de wachtkamer oorspronkelijk leek te zijn gereduceerd tot vijf. Vijf getuigen, vijf mogelijke verdachten. Je zou denken dat we elkaar argwanend aankeken, tot slot was de moordenaar van de heer Joppens in ons midden. Maar het tegengestelde deed zich voor. De man naast mij keek naar me met de blik die roddeltantes hebben als ze vinden dat hun bek lang genoeg buiten gebruik geweest is en ze doodgraag een gesprek op zouden starten. Een gesprek waar ik momenteel absoluut geen zin in had.

"Het heeft hard gewaaid vanochtend, vind je ook niet?" vroeg de man zich af. Het liefst zou ik hem toeroepen of hij helemaal betoeterd was. Wie weet was ik wel de moordenaar - dat is trouwens ook zo - en het is bovendien niet ethisch bij zo'n serieuze gebeurtenis, die een moord wel is, over zulke banale dingen de discussiëren.
"Ja, verschrikkelijk hard", antwoordde ik. Het zou me niets verbazen mocht hij nu iets verzinnen waardoor hij het gesprek een wending zou geven waardoor het onderwerp één van zijn familieleden was, misschien zijn zoon of dochter, waar hij ongelooflijk trots op was. Zo zat elke mens in elkaar, ik ook, al had ik enkel de controle over mezelf opdat ik die drang kon onderdrukken.
"Ik was vanochtend op weg naar mijn dochter, zij is advocate, weet u. Zij heeft haar oude man ongelooflijk trots gemaakt. Ik kwam naar de winkel om een cadeautje te kopen voor haar jongste zoon." Die werd namelijk alweer drie jaar, hoe fijn. Over zijn twee andere kinderen had hij minder te vertellen: zij werkten in fabrieken en dat is toch wel beduidend minder interessant. Uit angst dat hij me ging uithoren, waar ik al helemaal geen zin in had, vroeg ik hem of hij nog een kind had. Met een beetje geluk was hij (of zij) doodziek, zo niet reeds gestorven en zou er een gênante stilte in de wachtkamer vallen. Zo zit een gesprek nu eenmaal in elkaar.
Blijkbaar was het niet de dochter, maar zijn vrouw die gestorven was. Kanker. Ze had vele dure behandelingen en therapieën ondergaan, maar het mocht allemaal niet baten. Er bleef enkel een gat in zijn hart en in zijn portemonnee over. Voor ik van de gênante stilte die effectief viel (voorspelbaar!) kon genieten kwam het hoofd van het rechercheurteam mij halen.

Ik moest snel nog mijn methode bedenken. Van een verdachte wordt verwacht dat hij zou ontkennen, althans zo was het toch altijd in die CSI-reeksen op tv. Op het einde van de aflevering zou de verdachte pas bekennen. Ik besloot dat ik niet zou breken als de doorsnee crimineel: ik zou alles vanaf de eerste seconde bekennen, misschien leverde het me zelfs strafvermindering op, zodat ik sneller mijn leven zou kunnen hervatten. En een paar verbaasde gezichten, ook altijd mooi meegenomen. 
De rechercheur viel met de deur in huis: "Heb jij Joost Joppens vermoord?"
Ik antwoordde simpel weg met een droge 'ja'. Een geroezemoes brak uit tussen de andere aanwezigen in de verhoorruimte. Voor ze een andere vraag konden stellen voegde ik eraan toe dat ik de moord had gepleegd met een bromtol. Mocht er een 'Komen Eten' voor moordenaars bestaan, zou ik vast en zeker voor originaliteit een tien krijgen. De rechercheurs waren minder enthousiast.
"Waarom heb je hem vermoord?" vroeg de man voor me.
Daar moest ik even over nadenken. Ik wist gewoon dat ik hem ging vermoorden toen ik hem zag. Die ochtend had ik besloten dat er iemand die dag zou sterven, en wel door mijn toedoen, maar wie het slachtoffer zou zijn had ik niet nog geweten. Net zoals sommige mensen een high five - met een stoel, in hun gezicht - verdienen, vroeg de heer Joppers erom vermoord te worden. Heet zoiets niet intuïtie?
Nadat ik iets soortgelijks vertelde, knikte de rechercheur en bracht hij me naar een andere kamer.

Ik had mijn eerste moord gepleegd en zo meteen zou men mij naar de gevangenis overbrengen. Daar zou ik dan zo snel mogelijk weer ontsnappen, want ik ben een ambitieuze moordenaar. Ondertussen waren ze waarschijnlijk Piet Scholvers aan het verhoren, de roddeltante die de eer had gehad naast mij te zitten. 
Maar het verhoor duurde lang. Te lang. Het leek wel uren te duren. Uiteindelijk verscheen er toch een agent aan de deur. Hij klopte en opende de deur genoeg om er zijn hoofd door te kunnen steken.  
"Victor Benedetti?" vroeg hij.
"Ja, dat ben ik." Weinig origineel, maar wat moest ik anders zeggen?
"We hebben de echte moordenaar te pakken", zei hij. Ik moest die woorden even door laten dringen. Wat bedoelde hij met de 'echte moordenaar' en waarom vertelde hij dat tegen mij? Ik wist dat toch ook! Ik was die 'echte moordenaar'. 
"Tuurlijk. Hier zit ik." De agent schudde zijn hoofd.
"Meneer Benedetti, jij weet even goed als ik dat jij niet de moordenaar van Joost Joppens bent." Ik protesteerde. Ik was wél de moordenaar van Joost Joppens, was hij nou helemaal betoeterd?
"We hebben de echte dader te pakken," ging hij verder, "Piet Scholvers bleek in grote schuld te staan bij het slachtoffer. Hij heeft dus een motief, maar voorlopig bekent hij nog niet."
"Natuurlijk niet! Want ík heb Joppens vermoord! Hoor je me? Ik! Niet die roddeltante!" tierde ik.

Het mocht niet baten. Ik werd naar een psychiatrische instelling gebracht. Een moord bekennen zonder iemand effectief vermoord te hebben was daar blijkbaar een goede reden voor. Piet Scholvers mocht in mijn plek naar de gevangenis. Tegenwoordig moet je blijkbaar al een goede reden hebben om iemand het leven te beroven. Dat is toch te gek voor woorden? Het was verrassend te horen dat de wereld echt zo klein is zoals ze zeggen. Blijkbaar had Scholvers geld geleend van mensen die voor Joppens werkten. Door Joppens te vermoorden hoopte hij die schuld te laten verdwijnen, aldus de redenering van de politie. Ik was teleurgesteld. Ik had daar in de gevangenis moeten zitten, verdorie!

Volgende keer beter. 

Reacties (28) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Gelezen en beoordeeld!
Gelezen en beoordeeld!
Heel goed! :-)
Heel goed! :-)
Gelezen.
Gelezen.
Ik omstander vond hem ook erg leuk.