Minicursus (redekundig) ontleden. Deel 1: zinsdelen en persoonsvorm

Door NJansen2 gepubliceerd op Friday 28 September 12:14
Een kleine cursus ontleden voor mensen die er moeite mee hebben. Ook bestemd  voor leerlingen die er moeite mee hebben op de middelbare school.  De  cursus bestaat uit theorie en uit opdrachten. 
Deze cursus is als je alles uiteindelijk bij elkaar op gaat tellen, geen minicursus meer. Maar omdat je ontleden beter stap voor stap kunt leren, wordt op deze site iedere keer een nieuw onderdeel van de cursus geplaatst. 

Tip: probeer niet te snel naar de antwoorden te kijken! Anders leer je natuurlijk niets. Soms is het best lastig om niet te spieken, omdat de antwoorden er toch zomaar bij staan. Je kunt dit probleem oplossen door alles te kopieeren en plakken naar een worddocument, behalve de antwoorden. Zo kom je ook minder snel in de verleiding!

Veel succes met de cursus! ( Even knippen en plakken naar Word, eventueel printen en klaar is Kees!) 

Waarom ontleden?

De discussie over het bestaan van ontleden op het voortgezet onderwijs bestaat al zo ongeveer een decennia. Sommige leerlingen zullen na de middelbare school niets meer doen met ontleden. Maargoed, hetzelfde geldt eigenlijk voor het vak Engels. Of ontleden nog lang gaat bestaan binnen het onderwijs is maar de vraag. Wel is het zeker dat de persoonsvorm en het onderwerp altijd noodzakelijk zullen bijven omdat je, als je deze zinsdelen niet kent, ook niet kunt weten hoe je een werkwoord moet spellen. Spelling en grammatica staan dus met elkaar in verband. 

http://plzcdn.com/ZillaIMG/b5790d485a7f4909a1954c85d01c6f65.jpg

Redekundig en taalkundig ontleden

Je hebt twee soorten ontleden. Redekundig en taalkundig ontleden. We houden ons nu bezig met redekundig ontleden; het benoemen van de zinsdelen. Taalkundig ontleden is het benoemen van de woordsoorten, zoals bijvoorbeeld het zelfstandig naamwoord en het bijvoeglijk naamwoord. 

http://plzcdn.com/ZillaIMG/8af732d63924cf9901cd6bd68c76ceac.jpg

1. Persoonsvorm

We beginnen uiteraard bij het begin. Redekundig ontleden begint bij de persoonsvorm. De PV is de basis van ontleden. In principe werk je bij ontleden dus altijd vanuit de PV. 
De persoonsvorm is altijd een werkwoord, iets wat je kunt doen. Je vindt de persoonsvorm door de zin van tijd te veranderen. Het woordje dat verandert als je de zin van het 'nu' naar het 'toen' verandert of andersom, is de persoonsvorm. 

Opdracht 1 : persoonsvorm 
Schrijf op de regel onder de zin diezelfde zin nog eens op, maar dan in de andere tijd. Zet daarna de PV tussen haakjes.  De zin kan veranderen! 

Voorbeeld: 
VB: wij maken samen een Zilla.
Uitwerking: wij (maakten) samen een Zilla. 

1. Ik heb een interessant programma op de tv gezien.
_____________________________________________________________________________________
2. Het ging over de kinderboekenweek.
_____________________________________________________________________________________
3. Er worden dit jaar weer gouden en zilveren griffels uitgereikt.
_____________________________________________________________________________________
4. Ook is er weer een kinderjury.
_____________________________________________________________________________________
5. Bij aankoop van een boek krijg je een boekenweekgeschenk.
_____________________________________________________________________________________
6. Zo bevorderen de uitgevers het lezen door de jeugd.
_____________________________________________________________________________________
7. De televisie en computer worden concurrenten van het boek genoemd.
_____________________________________________________________________________________
8. Sommige kinderen schijnen uren op een dag tv te kijken.
_____________________________________________________________________________________
9. Daardoor missen ze veel leesplezier.
_____________________________________________________________________________________
10. Zelfs voor de kleinste kinderen zijn er prachtige boeken.
_____________________________________________________________________________________
11. Daaruit lezen hun ouders natuurlijk voor.
_____________________________________________________________________________________
12. De kinderen zelf kijken mee.
_____________________________________________________________________________________

Persoonsvorm begrepen? Mooi zo! Nu kun je verder met het volgende onderdeel: het verdelen in zinsdelen.

2. Zinsdelen

Zinsdelen zijn best lastig. Daarom staan er wat meer oefeningen over zinsdelen.
Je vindt een zinsdeel als volgt (deze proef heet de ZINSDEELPROEF): 
1. Zoek de persoonsvorm
2. Kijk naar welke woordgroepen je voor de PV kunt zetten, zonder dat de betekenis van de zin verandert. Let op! De zin moet logisch blijven! 
3. Een zinsdeel maak je zo lang mogelijk! 
4. Werkwoorden tellen niet mee. Ieder werkwoord (iets wat je kunt doen) is een nieuw zinsdeel. Ook als een werkwoord splitsbaar is (bijvoorbeeld bij 'voorlezen' zou het 'zij lazen voor' worden) is het kleine gedeelte dat in de zin los van het werkwoord staat, op papier een zinsdeel. 
5. Tussen de zinsdelen zet je strepen. 
6. Aan het einde en aan het begin van de zin hoef je geen strepen te zetten. 

Opdracht 2
Zinsdelen en zinsdeelproef
Zet in de volgende zinnen de pv tussen haakjes. Zet daarna zo vaak mogelijk een ander zinsdeel voor de pv.


1. In de herfst veranderen de bomen van kleur.
__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________
2. De kleuren rood en bruin overheersen dan in de natuur.
_______________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________
3. Men ziet dan in een bosrijke omgeving de prachtigste kleuren.
_______________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________
4. Onder de bomen verschijnen kleurrijke paddenstoelen in de zon.
_______________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________
5. De wisseling van de seizoenen vind ik erg boeiend.
_______________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________


Opdracht 3: zinsdelen 
Zoek van iedere zin de PV op en verdeel hem in zinsdelen.
1. Sommige mensen hebben een hekel aan huisdieren.
2. Bijvoorbeeld vinden zij een hond een grote last.
3. Voor echte dierenliefhebbers is hij een onmisbaar gezelschap.
4. Een viervoeter vraagt veel liefde.
5. Daarvoor zal het dier veel teruggeven.
6. Ikzelf ben geen liefhebber van honden.
7. Ook een poes zouden wij niet willen hebben.
8. Met zo’n krabberd in huis is je meubilair gauw versleten.
9. Veel van jullie zullen hierover anders denken.
10. Gelukkig mag in ons land iedereen over zijn eigen huishouden beslissen.

Opdracht 4: zinsdelen 
http://plzcdn.com/ZillaIMG/29360ce5495d10edf81e309c3b4adfcb.jpg
Zelfde als de vorige oefening.
1. Wat vond je van de vorige oefening?
2. Zou iemand de mening van de zinnen 7 en 8 delen?
3. In het buitenland gaan de mensen dikwijls wreed met dieren om.
4. In Italië zetten ze aan het begin van de vakantie de hond uit de auto.
5. Na de vakantie nemen ze een nieuwe.
6. Dat keurt de dierenbescherming natuurlijk niet goed.
7. Sommige mensen met een groot huis en veel grond ontfermen zich over zulke honden.
8. Ik ken iemand met wel vier van zulke hondjes.
9. Over het algemeen zijn zulke ‘pleegouders’ dol op zo’n beest.
10. Komen zulke situaties ook in Nederland voor?


UITWERKINGEN


UITWERKINGEN OPDRACHT 1

1. Ik (had) een interessant programma op de tv gezien. 
2. Het (gaat) over de kinderboekenweek. 
3. Er (werden) dit jaar weer zilveren en gouden griffels uitgereikt. 
4.Ook (was) er weer een kinderjury 
5. Bij aankoop van een boek (kreeg) je een boekenweekgeschenk. 
6. Zo (bevorderden) de uitgevers het lezen door de jeugd.
7. De televisie en computer (werden) concurrenten van het boek genoemd.
8. Sommige kinderen (schenen) uren op een dag tv te kijken.
9. Daardoor (misten) ze veel leesplezier.
10. Zelfs voor de kleinste kinderen (waren) er prachtige boeken. \
11. Daaruit (lazen) hun ouders natuurlijk voor.
12. De kinderen zelf (keken) mee. 

UITWERKINGEN OPDRACHT 2 

1. In de herfst | (veranderen) | de bomen | van kleur.
2. De kleuren rood en bruin | (overheersen) | dan | in de natuur.
3. Men |(ziet)| dan | in een bosrijke omgeving | de prachtigste kleuren.
4. Onder de bomen | (verschijnen) |kleurrijke paddenstoelen | in de zon.
5. De wisseling van de seizoenen | (vind) | ik | erg boeiend.

UITWERKINGEN OPDRACHT 3 
1. Sommige mensen | (hebben) | een hekel | aan huisdieren.
2. Bijvoorbeeld | (vinden) |zij | een hond | een grote last.
3. Voor echte dierenliefhebbers | (is) | hij | een onmisbaar gezelschap.
4. Een viervoeter | (vraagt) | veel liefde.
5. Daarvoor | (zal) | het dier | veel | teruggeven.
6. Ikzelf | (ben) | geen liefhebber | van honden.
7. Ook een poes | (zouden) |wij | niet | willen | hebben.
8. Met zo’n krabberd in huis | (is) | je meubilair | gauw | versleten.
9. Veel van jullie | (zullen) | hierover | anders | denken.
10. Gelukkig | (mag) | in ons land | iedereen | over zijn eigen huishouden | beslissen.

UITWERKINGEN OPDRACHT 4  
1. Wat | (vond) | je | van de vorige oefening?
2. (Zou) iemand de mening van de zinnen 7 en 8 delen?
3. In het buitenland | (gaan) | de mensen | dikwijls | wreed | met dieren | om.
4. In Italië | (zetten) | ze | aan het begin van de vakantie | de hond | uit de auto.
5. Na de vakantie | (nemen) | ze | een nieuwe.
6. Dat | (keurt) | de dierenbescherming |natuurlijk | niet | goed.
7. Sommige mensen met een groot huis en veel grond  |(ontfermen) | zich | over zulke honden.
8. Ik | (ken) | iemand | met wel vier van zulke hondjes.
9. Over het algemeen | (zijn) | zulke ‘pleegouders’ | dol op zo’n beest.
10. (Komen) zulke situaties | ook | in Nederland | voor?

Heel veel succes! 
_____________________________________________________________________________________

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Heel leerzaam. Goed om af en toe weer eens even te herhalen.