Diagnosestelling bij mensen met een genderidentiteitsstoornis

Door Ellee gepubliceerd op Wednesday 02 October 07:21

 

 

Hoe verloopt de diagnosestelling bij mensen met een genderidentiteitsstoornis? Lees het hier.

 

Juist termgebruik bij genderidentiteitsstoornissen
Voor we bekijken hoe een diagnosestelling in de praktijk in zijn werk gaat, en welke psychologische gevolgen dat heeft, moeten we stilstaan bij enkele termen. Juist termgebruik is van belang.
Transseksueel is een term uit de psychopathologie, en wordt afwisselend gebruikt met de meer inclusieve term transgender. Die laatste term duidt al diegenen aan die een genderconflict ervaren, of ervaren hebben, of zij hier nu een gehele of gedeeltelijke medische oplossing voor wensen of niet.
Sinds 1994 wordt niet meer de diagnose transseksualiteit, maar genderinderditeitsstoornis gesteld. Het woord genderidentiteit geeft duidelijker weer waar het bij transseksuele personen werkelijk om draait: het herstel van het geheel van het lichaam en lichaamsbeeld, en presentatie en identiteit, zodat de persoon perspectief heeft op een gepast leven.
De diagnose genderidentiteitsstoornis dient om vast te stellen dat de vraag om een verreikende medische behandeling niet uit een psychologische stoornis voorkomt. Het is als zodanig misschien de enige psychiatrische diagnose die staat voor een absentie van psychopathologie. De HBIGDA (Harry Benjamin International Gender Dysphoria Association: een internationale organisatie van hulpverleners aan transgenders) staat achter de handhaving van deze diagnostische categorie in het DSM IV, om de legimiteit van de medische behandeling en haar vergoeding door ziektekostenverzekeraars te blijven verzekeren.


 

 

Real Live Experience bij mensen met een genderidentiteitsstoornis
De vraag naar diagnosestelling is hoog, met lange wachttijden als gevolg. Het Europese Hof verplicht ziektekostverzekeraars nu om bij lange wachttijden een operatie binnen Europa te vergoeden bij volwassen transseksuelen. Zij kunnen ook een traject buiten de klassieke genderteams volgen.
Binnen de diagnosestelling worden vele gesprekken gehouden tussen de persoon met een transgenderidentiteit en een psycholoog. Evenals, vooral bij kinderen, wordt er gesproken met de ouders, en andere belangrijke personen in het leven van de persoon. Wanneer de diagnose transgender valt, kan er gekozen worden om tijdelijk een RLE-periode te overbruggen.
RLE staat voor Real Life Experience; hierbij kan de persoon het leven in de andere genderrol ervaren, zonder dat nog onomkeerbare stappen genomen zijn. Het doel hiervan is om na te gaan of de persoon in de andere genderrol kan overleven, en zeker zijn dat ze met de behandeling willen doorgaan. Sommigen komen immers terug op hun voornemens tijdens de RLE-periode. Bij volwassenen wordt deze periode gevolgd door een tweede fase waarin de RLE aanhoudt, en men ook een hormoonbehandeling krijgt. Er wordt ook psychotherapie voorzien voor onbepaalde tijd. Fase drie bestaat uit de werkelijke operaties.
Bij kinderen is dit uiteraard anders. Men kan ten vroegste vanaf achttien jaar operaties laten uitvoeren. Daarom wordt er bij kinderen vooral gefocust op de RLE, en afgewacht of het kind tijdens de puberteit nog steeds overtuigd is om het andere geslacht aan te nemen. Bij jonge kinderen duurt de RLE-periode dus behoorlijk lang, en wordt deze zelfs zo lang mogelijk uitgesteld. Het wordt enkel aangeraden wanneer het kind zich niet meer gelukkig kan voelen bij het oorspronkelijke gender, en wanneer de ouders akkoord zijn met een RLE-periode.
Waarom RLE zo lang mogelijk wordt uitgesteld bij jonge kinderen, valt eenvoudig uit te leggen. Slechts 20% van de kinderen met een genderidentiteit meet zich deze identiteit nog steeds aan op een leeftijd van zestien jaar. Er zijn dus heel wat van deze kinderen die later door het leven gaan als een persoon met het geslacht waarmee ze geboren zijn. Wanneer we al deze kinderen die op jonge leeftijd aangeven dat ze het andere geslacht willen aannemen, een RLE-periode zouden laten ondergaan, zou een heel deel daarvan na deze periode terug moeten transformeren naar het oorspronkelijke geslacht. Dit kan voor heel wat psychologisch belast zorgen.
Stel het je voor: een kind wordt geboren als jongen, geeft aan dat hij een meisje wil zijn en gaat voortaan ook op die manier door het leven. Maar tijdens de puberteit twijfelt hij over zijn keuze. Eigenlijk wil hij zich terug een jongen voelen, voélt hij zich ook een jongen. Ten eerste is het al erg moeilijk voor deze jongen om met zijn probleem naar iemand toe te gaan. Gaan vertellen dat je dan toch niet gelukkig bent als meisje, is een moeilijke stap. Ten tweede, als hij zich terug transformeert naar jongen, brengt dit heel wat moeilijke zaken met zich mee. Iedereen heeft hem jarenlang als meisje gekend, sprak hem met een meisjesnaam aan. Nu verandert dat plots weer. Het kind moet terug met zijn jongensnaam aangesproken worden, je moet hem weer bekijken als een jongeman, en niet als een meisje. Voor het kind is dit een zware periode, en daarom ook dat genderteam zulke situaties het liefst uit de weg gaat. Ze wachten liever enkele jaren, tot het kind beter weet wat het wil.
 

 

Het stellen van de diagnose
Er zijn enkele specifieke aandachtspunten bij de diagnostische gesprekken. Wanneer moet beoordeeld worden of de persoon die zich aanmeldt al dan niet een transgenderidentiteit heeft, wordt er een psychologisch rapport opgesteld met enkele facetten die van belang kunnen zijn in de diagnosestelling.

  • De aanmeldingsklacht: Wil de persoon de transseksuele verlangens onderzoeken, of komt hij meer specifiek voor het stellen van een diagnose? Meer specifiek bij kinderen; werd deze stap gezet door de ouders, of was het vooral het kind dat hierop aandrong?
  • Het algemeen niveau van functioneren: Bij transseksualiteit als aanmeldingsklacht heeft de persoon, of diens omgeving, aan zelfdiagnose gedaan. Maar in hoeverre zijn deze geschikt om een goed oordeel te geven? Hebben deze een realitisch beeld van de problematiek? Zijn er waarnemings-, gedachten- of gevoelsstoornissen die een zelfdiagnose bemoeilijken en niet voorkomen uit het transseksuele dilemma?
  • De psychosociale geschiedenis: Kampt de persoon met een verleden van psychosociale moeilijkheden, en beïnvloeden deze de zelfdiagnose?
  • De geschiedenis van de transseksuele gevoelens: Hoe hebben zij zich rond de transseksuele gevoelens geuit? Hoe voelden zij zich hierbij? Welke effecten hadden de transseksuele gevoelens in de verschillende perioden van het leven? Konden zij toch nog plezier beleven in vriendschappen en activiteiten? Werd er met iemand over gepraat? Hoe reageerden de ouders? Wanneer besloot men om naar een genderteam te stappen? Hoeveel praktische ervaring heeft de persoon inmiddels opgedaan in de andere genderrol? Kijkt de persoon op tegen een coming-out op school, in de familie, en dergelijke. Welke problemen voorspelt men?
  • De medische status: men stelt zich de vraag of er medische stoornissen bekend zijn die kunnen leiden tot transseksuele gevoelens, zoals chromosomenafwijkingen.

 

 

Het uitsluiten van andere diagnoses
Er zijn ook diagnoses die uitgesloten moeten worden, om zeker te zijn dat het louter om genderidentiteit gaat. Er bestaan enkele diagnoses met duidelijke en specifieke beelden die de persoon vaak zelf als ergste klacht aandraagt. Sommigen komen naast transseksualiteit voor.

  • Homoseksualiteit en travestie: Personen met homoseksuele of travestiegevoelens kunnen zich schamen of schuldig voelen over hun verlangens. Voor hen kan transseksualiteit een minder pijnlijke oplossing lijken. Oudere transseksuelen hebben travestie of homoseksuele relaties inmiddels uitgeprobeerd om hun verlangen langs seksuele weg te beheersen, of om te kijken of een minder verreikende vorm van genderexpressie voldoende is.
  • Transgenderisme: Transgenderisten wensen zowel mannelijke als vrouwelijke seksuele kenmerken. Om bij hen de diagnose genderidentiteitsstoornis te kunnen stellen is een goede prognose bij de gewenste behandeling nodig. Daartoe worden een aantal extra diagnostische stappen gebruikt.
  • Genderidentiteitsstoornis Niet Anderszins Omschreven: Dit is een diagnose voor een groep genderidentiteitsstoornissen die niet geheel in overeenstemming is met de diagnose genderidentiteitsstoornis. Dit is het geval bij personen die wel lijden onder een genderconflict en die dan weer man, dan weer vrouw wensen te zijn, pas recentelijk transseksuele gevoelens ervaren, interseksueel zijn, waardoor een lichamelijke oorzaak van de genderidentiteitsstoornis niet uit te sluiten valt, of bij volwassenen; die bijvoorbeeld wel een verwijdering van de penis wensen, maar zeker geen vagina willen, of omgekeerd.
  • Slachtoffers van seksueel misbruik en incest: Personen die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik kunnen een sterke onlust ontwikkelen naar de seksuele delen van hun lichaam. Zij zijn echter niet geïnteresseerd in een genderroltransitie.
  • Dysmorfische lichaamsstoornis: Hierbij komt een lichaamsdeel de persoon steeds ergerlijk voor. De persoon meent dat het lichaamsdeel niet functioneert naar behoren, of afzichtelijk is, zonder dat daar een aanleiding toe bestaat. Bij een dysmorfische lichaamsstoornis kan, bij een afkeer ten aanzien van bepaalde geslachtskenmerken, dit zo’n grote bron van zorg worden dat de persoon dit verward met een genderidentiteitsstoornis.
  • Dissociatieve stoornis: Een dissociatieve of multiple persoonlijkheidsstoornis, kunnen zich opeens anders gaan gedragen, en hierbij ook een andere genderrol aannemen, om zich nadien niets meer te herinneren van dat voorval. Bij deze stoornis voelt de persoon de drang van de ene in de andere persoon te veranderen, maar de wens tot een fysieke gendertransitie ontbreekt.
  • Obsessief/compulsieve persoonlijkheidsstoornis: Bij personen die geen enkel zelfgevoel of seksueel plezier beleven in hun andere genderrol, maar die travestie inzetten om volledig ongerelateerde angsten de baas te kunnen moet een zogenaamde obsessief/compulsieve stoornis overwogen worden. Gedurende rustigere periodes is ieder gevoel voor travestie of transseksualiteit volledig vreemd aan de persoon.
  • Borderline persoonlijkheidsstoornis: Iemand kan naast borderline ook transseksueel zijn, maar dan moeten de transseksuele wensen ook optreden als de persoon zich langere tijd rustig gevoeld heeft. Tijdens perioden van crisis kan de borderline persoon zich transseksuele gevoelens aanmeten.
  • Actieve schizofrenie: Een schizofreen persoon kan denken dat zijn of haar lichaam op magische wijze al vanzelf aan het veranderen is van mannelijk naar vrouwelijk. Ook iemand die aan schizofrenie lijdt kan transseksueel zijn. Het hangt er voornamelijk van af of zij ook sterke transseksuele gevoelens heeft gedurende haar stabiele periodes.

                                       

 

 © Ellee

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.