Griekse mythologie voor kinderen: Apollon1

Door Bleeker gepubliceerd op Monday 22 October 13:26

apollon1: hoofdstuk 1-27

apollon2: hoofdstuk 28-44

Apollon

 

1      Hoe het begon

Heel lang geleden werd er een flinke strijd gevoerd in de hemel tussen de goden en de Titanen. Een strijd die de aarde deed trillen en de hemel openscheurde. De goden verdedigden hun huis op de top van de Olympus, maar de Titanen waren zo ontzettend groot en sterk, ze kwamen steeds een stukje dichterbij. Alleen zouden de goden het misschien niet gaan redden, en Zeus de oppergod liet zijn zoon Hermes naar de aarde vliegen om de sterfelijke, maar beresterke zoon van Zeus, Herakles te halen. Met de bliksemschichten die de Cyclopen voor de oppergod Zeus smeedden, en de hulp van Herakles werden uiteindelijk de Titanen verslagen. Als straf stuurde Zeus hen allemaal de diepe onderwereld in.

 

 

 

2      het orakel van delphi

Ook de Titaan van de intelligentie, Koios, werd opgesloten met zijn vrouw Phoibe, de Titanide van alle kennis in de wereld. Koios en Phoibe waren de eerste bezitters geweest van het orakel van Delphi. Een orakel was iemand die met de goden kon praten. Mensen kwamen met allerlei vragen naar de goden; wat ze moesten doen, wat er zou gaan gebeuren, en nog veel meer soorten vragen. De goden wisten tenslotte altijd alles, ook wat er in de toekomst zou gebeuren. De plaats waar mensen met hun vragen kwamen werd ook een orakel genoemd. Een orakel was dus eigenlijk iemand die met de goden kon praten, of de plaats waar iemand met de goden kon praten. Het orakel van Delphi was een plaats. Phoibe was de voorspellende stem van haar moeder Gaia, en Koios was de voorspellende stem van zijn vader, Uranus. Nadat Koios en Phoibe naar de Tartaros waren verbannen had Gaia zolang een dochter van haar, Phyton, bij het orakel van Delphi gezet om het te bewaken. Deze dochter van Gaia was geen schattig meisje met vlechtjes, nee, Phyton was een reusachtige, wilde, vuurspuwende draak die iedereen met huid en haar verslond.

 

 

3      mooie, lieve leto

Eén van de kinderen van Koios en Phoibe was het meisje Leto. Leto was anders dan haar ouders: niet woest en wild, maar juist heel lief en aardig. Zeus vond Leto zelfs zo lief, dat hij haar een kindje wilde geven. Het enige waar hij voor moest oppassen was dat zijn vrouw Hera hem niet zou betrappen. Hera was erg jaloers en deelde vaak de ergste straffen uit. Zeus keek onopvallend of hij zijn vrouw soms ergens zag. Ze was niet hier en ze was niet daar. Stiekem ging Zeus naar de aarde, stopte een kindje in de buik van Leto en ging gauw weer terug naar de top van de Olympus. Hera was ook niet van gisteren, dus toen ze de dikke buik van Leto zag, en ze eens naar Zeus keek die met bijzonder veel aandacht het zwangere meisjes op aarde in de gaten hield, had ze hem meteen door. Hera daalde af naar het orakel van Delphi en sprak met Phyton: ‘Als jij voor mij die Leto een kopje kleiner maakt, zal ik zolang hier op jouw boeltje passen.’ Phyton, die al jarenlang bij de rotsen in Delphi lag, had wel zin in een verzetje; weer eens lekker achter iemand aanhollen en af en toe flink brullen zodat de vlammen hun billen branden, heerlijk vond Phyton dat!

 

4      de achtervolging

Leto zat nietsvermoedend in het gras naar de vogels te luisteren en over haar ronde buik te wrijven toen plotseling een angstaanjagend gebrul de vogels van schrik deed verstommen. Leto keek achterom en zag het woeste monster op haar afstormen. Ze bedacht zich geen moment, sprong op en zette het op een lopen. Ze holde en holde, maar de draak gaf niet op. Negen dagen en negen nachten lang rende Leto over de aarde en de draak gaf haar geen seconde rust. Haar buik werd dikker en dikker en ze voelde de handjes en voetjes van het kind in haar buik onrustig stompen en schoppen. Die had er vast genoeg van en wilde eruit. Straks komt mijn baby uit mijn buik terwijl ik aan het rennen ben, dacht Leto, maar telkens als ze ging liggen om te bevallen, zag ze die duivelse draak weer boven de bomen uittorenen op zoek naar haar en moest ze weer in de benen. In alle landen smeekte Leto om hulp, maar de mensen waren zo bang voor Phyton en de toorn van Hera, dat ze de arme Leto overal wegstuurden.

 

 

Zeus zat op zijn troon. Zolang die lastpost van een Phyton achter haar aanzit, kan mijn kindje niet geboren worden, dacht Zeus en hij blies eens flink. De wind tilde Leto op en voerde haar naar de Cycladen, een groep drijvende eilanden. Zo, van die vervelende draak was ze nu tenminste af. Tevreden bekeek Zeus de eilanden. Ze dreven wel heel erg snel en schokkerig, het leken wel botsautootjes! Zeus zag dat Leto helemaal groen werd van misselijkheid. Ze was vast zeeziek. Dat was natuurlijk ook niks; om een baby te krijgen terwijl ze kotsmisselijk was. Zeus dacht eens na en besloot zijn broer Poseidon met een bezoekje te verrassen, misschien dat die hem kon helpen. De god van de zeeën was de beroerdste niet en wilde zijn broer met alle plezier helpen, zeker als hij daarmee ook nog eens Hera een hak kon zetten. Met vier stevige zuilen zette Poseidon het eiland vast aan de zeebodem zodat het niet meer bewoog. Leto kon in alle rust haar baby op de wereld zetten en Zeus zag dat het goed was.

Hera zag tot haar woede dat het Leto gelukt was om de draak van zich af te schudden. Dat heeft ze vast niet in haar eentje gedaan, dacht Hera, ik durf te wedden dat die stiekeme Zeus haar geholpen heeft. Die zijn allebei nog niet van me af.

 

 

5      de geboorte van een goddelijke tweeling

Leto lag op het eiland Delos en het duurde niet lang voordat de baby tevoorschijn kwam. Een prachtig meisje werd geboren. Ze heette Artemis. Leto keek vol liefde naar haar dochter, tot ze steken en krampen in haar buik voelde. Leto schreeuwde het uit, en duwde op haar buik. Er zat nog een baby in haar buik. Hera had vanuit de hemel een zwerm helse pijnen op Leto afgestuurd, en die waren niet mis. De pasgeboren Artemis kon het gejammer van haar moeder niet aanhoren en de zuigeling ging zitten en ondersteunde het hoofd van haar verbaasde moeder. Leto perste en Artemis hielp haar bij de bevalling. Negen dagen en negen nachten duurde de pijn van Leto. Zeven zwanen zag Leto zeven keer om de maan heen vliegen, en op de zevende dag van de maand werd Apollon geboren. Een gloed van glansrijk licht scheen over Delos tijdens de geboorte van de god. Delos werd een heilig eiland, en sinds de geboorte van de god Apollon en de godin Artemis mag niemand op het eiland geboren worden of sterven.

 

De jonge Apollon werd gevoed door nectar en ambrozijn en groeide razendsnel uit tot een krachtige jongeman. Vier dagen na zijn geboorte riep hij: ’Geef mij een boog.’ De god Hephaestus smeedde een prachtige zilveren boog voor Apollon. Hephaestus keek naar Artemis en maakte voor haar ook een zilveren boog. ‘Met deze boog zal ik Phyton verslaan, de draak die mijn moeder het leven zo zuur maakte,’ sprak Apollon. Hij wist precies waar hij het monster kon vinden. Apollon keek naar de zee rondom het eiland, veranderde zichzelf in een dolfijn en dook in het water. Hier begon zijn reis naar Delphi.

 

 

6      de wraak van apollon

Eenmaal aangekomen zag hij het vervaarlijke monster Phyton zitten. De draak torende hoog boven de bergen uit en Apollon begreep dat normale pijlen het beest niet zouden kunnen vellen. Hij pakte één van de speciale door Hephaestus gesmede zilveren pijlen uit de koker, spande zijn boog, en met een goddelijke snelheid suisde de pijl door de lucht om Phyton dodelijk te treffen. Eén pijl was genoeg geweest voor Apollon, die daarmee de titel ‘god van de jacht’ verwierf. Later zou hij samen met zijn zus Artemis vaak gaan jagen. Artemis deed niet onder voor haar broer, want zij had natuurlijk ook zo’n goddelijke boog van Hephaestus met pijlen die nooit misten. Artemis kreeg de naam ‘godin van de jacht’, en hoewel zij de godin van de jacht was, hield Artemis juist het meeste van dieren, die net als alle kinderen altijd op haar bescherming konden rekenen.

 

Wie niet blij was met de dood van de draak Phyton, was de oppergod. Hij liet zijn zoon Apollon bij zich komen en sprak hem bestraffend toe: ‘Die draak die jij met één pijl hebt gedood,’ zei hij, ‘was een dochter van moeder aarde. Ik vind het verschrikkelijk om haar zo verdrietig te zien.’ ‘Ja, maar…’, stamelde Apollon, ‘Niks te maren!’ schreeuwde Zeus boos, ‘en wat dacht je van het orakel? Wie gaat dat nu bewaken? Daar had je zeker allemaal niet aan gedacht toen je zo stoer met je pijl en boog Phyton om zeep hielp? Voor straf mag je negen jaar lang niet op de Olympus komen.’

 

7      de pythia en de geheimzinnige

Bedroefd keerde Apollon terug naar de aarde. Ik zal maar de wacht gaan houden op Delphi, dacht hij. Apollon liet de draak Phyton begraven tussen de rotsen en er een tempel boven op bouwen waar hij het orakel van Gaia overnam. Apollon zou voortaan de wil van zijn vader vertellen aan hen die daar om vroegen. Dat zou hij niet zelf doen, maar door de mond van één van de priesteressen die de tempel verzorgde: de pythia. Zij moest in een ketel op een gouden drietand zitten en op laurierbladeren kauwen om in een droomtoestand te raken. Ze zat recht boven de verslagen draak Phyton, en boven een rotsspleet waar aarddampen uit opstegen die ze inademde. Als ze dat deed, kon ze met Apollon praten en kreeg ze de antwoorden op de vragen die de mensen stelden als ze het orakel kwamen raadplegen.

 

 

 

De bezoekers van de tempel moesten zich eerst helemaal reinigen in een bron, en daarna mochten ze de tempel in. De antwoorden van Apollon waren niet altijd even gemakkelijk te begrijpen. Het leken soms wel raadsels, en daarom kreeg Apollon de bijnaam ‘de geheimzinnige’. De priesters en priesteressen hielpen de antwoorden begrijpelijk te maken, maar dat hielp vaak niet veel. Het orakel van Delphi was het belangrijkste orakel op de hele wereld, en het was ook niet gek dat niet alleen alle Griekse helden, maar ook mensen van ver buiten Griekenland graag hier naar toe kwamen om dit orakel van Delphi te raadplegen met vragen over ruzies en reizen en vredesverdragen, maar ook over huwelijken of handelszaken.

 

8      een boefje wordt geboren

Apollon hield net als zijn zus veel van de natuur en de dieren. Hij had een eigen kudde runderen grazen op Arcadia, een rustige streek in Griekenland. Het waren vijftig prachtige koeien. Iedereen die naar de sterke en prachtige kudde keek kon meteen zien dat het goddelijke dieren waren. Apollon was dol op zijn koeien en nam ze elke dag mee de weidse velden in om de beesten te laten grazen.

 

In het Arkadisch gebergte leefden de Pleiades; de zeven bergnimfen. Eén van hen, Maia, had een kindje van Zeus gehad. Maia wikkelde het baby’tje dat Hermes heette voorzichtig in doeken en legde het in een mandje. Dat mandje zette de nimf in een grot zodat het niet te warm zou worden voor het kindje. Omdat baby Hermes geen gewone baby was maar een god, begon hij zich al gauw te vervelen. Zonder dat zijn moeder het zag, glipte hij het mandje uit en nam de benen.

 

Hermes liep door het gebergte. In de verte zag hij een dal liggen met een stromend beekje, en daar wilde hij naar toe lopenom eens lekker in het zonnetje te zitten. Nog steeds op een flinke afstand, maar al een stuk dichterbij zag Hermes dat er iets over het groene gras bewoog. Hermes ging wat sneller wandelen, tot hij precies kon zien wie of wat daar was. Koeien! Een kudde prachtige koeien. Die zou ik best heel graag zelf willen hebben, dacht Hermes, en hij bleef tussen een paar hoge rotsen van het gebergte zitten om eens goed te kijken of hij een herder in de buurt van de runderen zag. Omdat hij niemand in de buurt van de dieren zag, durfde Hermes naar de beesten toe te gaan. Hermes stond nu tussen de dieren en merkte dat de grond erg drassig was. Eén van de beesten liep bij hem weg en Hermes kon duidelijk de sporen in het drassige veld zien. Hermes dacht eens na. Aan de voet van de bergen had hij eikenbomen zien staan, en die zouden hem van pas kunnen komen. Hij bond onder alle vier de poten van een koe wat boomschors en spoorde het dier aan te lopen. Tevreden keek Hermes naar de grond; geen spoor te zien. Hermes nam alle runderen mee naar de bomen en deed bij de overige koeien hetzelfde. Hij was zo geconcentreerd bezig dat hij niet in de gaten had dat een oude herder net een heuvel op was geklommen. Battus, want zo heette die herder, vroeg zich af wat dat kleine kindje aan het doen was met die runderen. Hij had wel door dat het ieder geval niet pluis was wat die jongeling daar deed, want Battus wist dat  deze kudde van Apollon was. Battus draaide zich om en nam zijn eigen kudde mee de andere kant op. Hier wil ik niks mee te maken hebben, dacht hij.

 

 

9      apollon in paniek

’s Avonds, vlak voordat Helios weer terug naar de hemel was met zijn wagen, liep Apollon naar het weiland om zijn kudde runderen op te halen. Normaal konden de beesten hem aan voelen komen en kon hij ze al van ver horen loeien. Hij vond het vreemd dat het deze keer zo stil was. Een vervelend gevoel bekroop Apollon en hij versnelde zijn pas. Hij kon zijn ogen niet geloven. Al zijn dierbare runderen waren weg. Stuk voor stuk, alle vijftig weg. Apollon holde in blinde paniek over de grasvlakte en zocht naar sporen, maar hoe goed hij ook naar beneden keek, er was geen spoor te bekennen.

 

De kleine Hermes voerde ondertussen als een kundige herder zijn kudde door het gebergte. Hij was al een hele dag op pad, en eikenschors onder 200 koeienpoten binden was ook geen gemakkelijk karweitje geweest. Hermes had enorme honger gekregen van al zijn inspanningen. Hij zocht een beschutte plek tussen de rotsen, en vlakbij de grot waar zijn moeder zijn mand had neergezet, vond hij die. Hij sprokkelde wat hout bij elkaar en maakte een vuur. Hermes zag dat er tussen twee grote rotsblokken een brede opening in het gebergte zat, en nieuwsgierig als kleine kinderen zijn nam hij een kijkje. Het verbaasde Hermes hoeveel ruimte er binnen in de grot was, en onmiddellijk ontsprong een nieuw plannetje in het hoofdje van de pientere Hermes. Dit was een perfecte plek om de koeien te verstoppen. Op twee koeien na loodste Hermes de dieren de grot in, de twee die hij achter gehouden had, roosterde hij. Terwijl Hermes aan het wachten was tot het vlees gaar was, speelde hij een beetje met de darmen van de runderen. Hij merkte dat de toon veranderde als hij de darm strakker aantrok. Hij keek eens rond en vond een schild van een schildpad tussen de rotsen. Hermes bond de darmen aan het schild en tokkelde er wat op. Het duurde niet lang voordat prachtige melodieën uit het instrument klonken. Ondertussen was het vlees klaar en smikkelend en smakkend at Hermes alles op. Hij liet een lange boer, stond op en wandelde verder naar huis. In de grot aangekomen ging hij uitgeput in de mand liggen en viel direct in slaap.

 

 

Apollon rook iets. Hij stak zijn neus in de lucht en snoof de geur op. Hij herkende het, het was gebraden vlees. Iemand was vlees aan het braden. Als het maar niet zijn goddelijke dieren waren. Apollon zocht zenuwachtig waar die lucht vandaan kwam. Hij vond de nasmeulende stukken hout met daar op wat botten. Apollon zag direct dat het inderdaad zijn hemelse koeien waren geweest die iemand als avondmaal had genuttigd en woedend ging hij op zoek naar de schurk die dit op zijn geweten had. Apollon stormde door de anders zo stille weides. Daar stond een herder. Apollon herkende Battus en hij liep op de man af. ‘Battus,’ zei hij op harde toon, ‘wat heb je met mijn koeien gedaan?’ Battus schrok van de beschuldiging en zei dat hij er niets mee te maken had, ‘maar ik heb wel iemand bij jouw runderen gezien,’ zei hij. ‘Een klein kindje. Eigenlijk een baby nog, die heeft je koeien.’ ‘Een baby?’ riep Apollon uit, ‘hoe kan een baby nou zo’n enorme kudde goddelijke dieren meenemen? Ben je niet goed snik soms?’ ‘Het is echt waar,’ zei Battus, ‘ik zweer het!’ Apollon keek naar de herder. Battus was zo bang voor de god dat hij nooit tegen hem zou durven liegen. Hoe gek het verhaal ook klonk, hij geloofde het wel. ‘Dan zal ik die baby eens een lesje in goede manieren leren,’ bromde Apollon. Hij wist dat de Pleiades in de buurt woonden van waar hij de restanten van zijn dieren had gevonden en hij besloot de lieflijke bergnimfen op te zoeken. Maia en haar zusjes ontvingen de god vriendelijk en vroegen hem naar de reden van zijn bezoek. ‘Ik wil graag weten wie van jullie net moeder is geworden, ‘ zei Apollon. ‘Ik!’ riep Maia trots en toonde Apollon het mandje met Hermes erin. ‘Hermes deed één oog een beetje open en keek naar Apollon, die net op hetzelfde moment naar Hermes keek. ‘Het is een dief, hij heeft mijn koeien gestolen!’ riep Apollon uit. De bergnimfen keken niet begrijpend van Apollon naar de baby, en konden maar moeilijk hun lach inhouden. ‘Bovenstebeste Apollon, kijk nou eens goed naar mijn kindje. Het is vanmorgen pas geboren, hoe kan zo’n lief klein kind zo iets stouts doen?’ sprak Maia. ‘Ik weet het zeker,’ zei Apollon, en we zullen het maar gelijk aan hem vragen want die kleine dief doet maar alsof hij slaapt. Denkt hij dat hij een god in de maling kan nemen?’ en Apollon schudde het mandje heen en weer. ‘Nee, nee, ik heb het niet gedaan!’ riep Hermes, en de nimfen keken sprakeloos toe. ‘Echt niet, heus! Ik ben maar een klein kind, dat zou ik nooit kunnen!’ grijnsde Hermes. De woedende Apollon wist niet meer waar hij het had, die kleine schurk bleef nog tegen hem liegen ook! ‘Er zit maar één ding op,’ zei Apollon, en hij pakte Hermes op en sleepte hem mee naar de top van de Olympus.

 

 

10   de dief ontmaskerd

In de hemel aangekomen zocht Apollon meteen zijn vader, de oppergod Zeus om hem om hulp te vragen. Die zat op zijn troon en speurde de aarde af. Het leek wel of hij op zoek was naar het een of ander. Zeus keek op en begroette zijn zoon: ‘Ha die Apollon! Kom je gezellig bij je vader op visite?’ ‘Nee Zeus, ik kom niet voor de gezelligheid, ik heb een probleem,’ zei Apollon en hij hield het kind voor zich uit. ‘Ach,’ zei Zeus, ‘je hebt je kleine broertje Hermes al ontmoet zie ik.’ ‘Is dit mijn broertje?’ verbaasde Apollon zich, ‘dan is hij dus ook een god. Dan begrijp ik hoe die kleine dief mijn koeien kon stelen.’ ‘Dat is niet waar, dat heb ik niet gedaan!’ riep Hermes. Zeus glimlachte en riep zijn jongste zoon bij zich. ‘Kom eens hier kleine boef!’ zei Zeus, ‘Je moet tegen mij niet liegen want ik weet alles. Ik weet ook dat jij wel die koeien van Apollon hebt gepikt, en ik weet ook dat je er twee hebt opgegeten.’ Hermes keek zijn vader aan. Hij schaamde zich. ‘We moeten hem straffen,’ riep Apollon, ‘het is verschrikkelijk wat hij gedaan heeft!’ ‘Nou nou, zei Zeus vergoelijkend, verschrikkelijk… Het is wel stout, maar ik vind het niet verschrikkelijk. Laten we de andere goden er eens bij roepen en vragen wat zij vinden. Zo gezegd, zo gedaan en de Olympische goden traden allen aan. Zeus legde het probleem uit en de goden luisterden geduldig. ‘Een schande!’ riep Hera, ‘Ach welnee,’ riep Poseidon, ‘kattenkwaad, meer is het niet, ik vind het zelfs wel een goede grap, wat zal die Apollon op zijn neus hebben gekeken toen zijn kudde verdwenen was!’ en Poseidon bulderde van het lachen. Hades viel hem bij: ‘Ik had zijn gezicht wel willen zien, haha!’ ‘Maar hij had niet mogen stelen, ‘ vond Pallas Athena, ‘je mag nooit iets pakken wat niet van jou is. Ik vind dat hij de runderen terug moet geven aan Apollon en moet beloven dat hij nooit meer iets zal pikken.’ De wijze woorden van Athena misten hun uitwerking niet op haar vader. ‘Dat vind ik een mooie oplossing,’  zei Zeus die hoopte dat het probleem zo opgelost was.  ‘Wacht nou eens even,’ riep Apollon, ‘hij heeft er twee opgepeuzeld, die kan hij me natuurlijk niet teruggeven, hoe zit het daarmee? En hem iets laten beloven? Denken jullie echt dat hij zich daar dan aan houdt? Die kleine heeft op aarde al glashard tegen mij gelogen, en toen we hier kwamen zelfs tegen de machtige Zeus. Hij is niet te vertrouwen.’ De goden waren druk aan het overleggen wat er moest gebeuren met de kleine Hermes. Die zag het allemaal een beetje verveeld aan. Hij herinnerde zich het instrument dat hij gemaakt had en haalde het te voorschijn om er op te spelen. Terwijl de meeste goden geen acht sloegen op de jonge muzikant, verstomde Apollon. Wat een heerlijk geluid hoorde hij. De mooiste klanken die hij ooit had gehoord kwamen uit het wonderlijke instrument van Hermes. ‘Ik weet wat,’ sprak Apollon en hief zijn vinger, ‘In ruil voor de runderen die Hermes heeft opgegeten wil ik dat muziekinstrument.’ Hermes wist niet hoe snel hij de lier aan Apollon moest geven, hij was blij dat hij er zo gemakkelijk van af kwam. ‘Mooi. Opgelost,’ zei Zeus die er inmiddels wel genoeg van had. ‘Bijna,’ zei Pallas Athena, ze was nog niet helemaal tevreden, ‘als Hermes tussen ons op de Olympus komt wonen, wil ik hem wel kunnen vertrouwen. Hij moet beloven dat hij nooit meer zal liegen of stelen.’ Zeus kon zijn lievelingsdochter maar weinig weigeren en liet Hermes plechtig beloven zich aan deze regels te houden.

 

 

11   lievelingsbroer

‘Kom mee, ik zal je wijzen waar de koeien staan,’ zei Hermes tegen Apollon die hem vergezelde naar de aarde. Onderweg probeerde Apollon net zulke mooie muziek te maken als Hermes had gedaan. Hermes legde uit hoe het werkte en al snel kon Apollon het ook. ‘Ik kan er natuurlijk nog een paar snaren bijzetten,’ zei Apollon, ‘dan kan ik nog meer verschillende klanken maken.’ Hij was er dolgelukkig mee, voortaan kon hij elk moment de prachtigste melodieën maken. Later zou Apollon zeven snaren op de lier spannen en de beste lierspeler worden die er ooit is geweest; niet voor niets is Apollon ook de god van de muziek geworden. Als dank gaf hij Hermes zijn caduceus, een staf. ‘Deze staf lost ruzies op,’ zei Apollon, ‘en met de staf kun je ook iedereen in slaap krijgen.’ Hermes keek hem ongelovig aan en probeerde de staf meteen uit; hij gooide hem tussen twee vechtende slangen. De slangen hielden op met vechten en kronkelden om de staf heen. De caduceus werkte echt. Hermes vroeg de slangen om daar voor altijd te blijven zitten en Apollon en Hermes werden elkaars lievelingsbroers.

 

12   bolle wangen en een tuitmondje

Hoewel Apollon de god van de muziek was, werd zo nu en dan beweerd dat anderen schonere tonen konden toveren uit hun instrument. De satyr Marsyas en koning Midas waren daar twee van. De godin Pallas Athena was de eerste uitvinder van de fluit. Ze was tevreden met de uitvinding, het was een leuk instrument. Trots liet ze het apparaat aan de andere goden zien, die graag wilden weten wat ze er mee kon. Ze zette de fluit aan haar lippen en blies een melodie. Toen ze klaar was, keek ze op en zag de gezichten van Hera en Afrodite. Het leek wel of ze haar stonden uit te lachen. Wat was er aan de hand, vonden ze het niet mooi soms? ‘Waarom lachen jullie zo?’ vroeg ze verbaasd. ‘Je gezicht!’ zei Hera. ‘Je ziet er zo mal uit!’ proestte Afrodite. ‘Je krijgt heel bolle wangen en een heel grappig klein tuitmondje met dat ding,’ zei Hera. Pallas Athena schrok. Dat was natuurlijk niet de bedoeling; ze moest wel haar goddelijke schoonheid behouden. Als dat niet lukte, dan was het instrument waardeloos. Ze smeet het boos van de top van de Olympus af naar de aarde en vervloekte degene die het zou vinden.

 

13   een satyr met talent

De satyr Marsyas liep door het bos toen er plotseling iets op zijn kop viel. Hij voelde aan zijn hoofd en keek daarna naar boven. Daar was niets te zien. Hij keek in de rondte; iets moest hem geraakt hebben. Tussen de bladeren zag hij wat liggen. Het zag er uit als een takje van een boom, maar dan met gaatjes erin. Marsyas raapte het stokje op en bekeek het van alle kanten. Hij begreep er niks van. Hij rook eraan maar het rook niet in het bijzonder naar iets. Hij stopte het in zijn mond, en toen hij er lucht in blies, kwam er een wonderlijk geluid uit het stokje. Dat was leuk! Marsyas blies er nog eens op. En nog eens en nog eens. Hij ging tegen een boom zitten en na een tijdje had hij uitgevogeld hoe de gaatjes werkten. De muziek lokte hoe langer hoe meer bosbewoners, tot een grote groep luisteraars zich rond Marsyas verzameld had. Juichend en klappend beloonde de menigte de satyr. Alle dagen die daar op volgden speelde Marsyas op de fluit. Er was niemand in de wijde omtrek die niet genoot van het gefluit van Marsyas, en zelfs de nimfen moesten toegeven dat Marsyas een bovennatuurlijk talent voor de fluit had.

 

14   de wedstrijd

De satyr kreeg zelfs zo veel complimenten en schouderklopjes dat het hem naar de bol steeg. Op een dag had Marsyas weer een prachtig concert gegeven en het publiek leek nog enthousiaster dan anders. Marsyas keek zijn toehoorders aan en sprak zelfverzekerd: ‘Ik zou de god van de muziek moeten zijn. Ik speel nog mooier dan de god Apollon.’ Het werd doodstil in het bos. Plotseling verscheen een fel licht uit de hemel en stond Apollon voor de satyr. ‘Zo,’ zei de god, ‘dus jij beweert dat je mooier kan spelen dan ik? Dat wil ik wel eens horen dan. Volgens mij ben je een enorme opschepper.’ Iedereen hield zijn adem in toen de satyr aan zijn fluitspel begon, en eerlijk was eerlijk; zelfs Apollon moest toegeven dat hij zelden iemand zo mooi had horen spelen. Het was de beurt aan Apollon en zelfverzekerd pakte hij zijn lier. Hij speelde een heerlijk muziekstuk, de goddelijke tonen brachten een kalmte over het hele woud. Aan het einde van het lied moest er een winnaar gekozen worden, maar ze konden het niet eens worden. ‘Hier komen we niet uit,’ zei Apollon, ‘we bespelen nu ons instrument ondersteboven,’ en hij draaide de lier om. Het maakte weinig verschil, de klanken van de lier van Apollon waren nog net zo betoverend mooi als daarvoor. Toen mocht Marsyas laten horen wat hij kon als hij zijn instrument op zijn kop hield. Het lukte niet. Hoe hard de satyr ook zijn best deed, het lukte hem niet om een melodie te fluiten, zelfs geen heel simpele melodie. Marsyas werd door iedereen uitgelachen. Niet omdat hij het niet kon, maar omdat de opschepper het in zijn overmoed had gedurfd een god uit te dagen. Beschaamd rende hij het bos in en niemand heeft hem ooit nog gezien.    

 

15   nog een uitdaging

De bosgod Pan hoorde dat één van zijn satyrs flink te kijk was gezet vond het niet grappig. Dus die Apollon denkt dat hij zo geweldig muziek kan maken? Dacht Pan, dat kan ik anders ook, ik zal hem eens een koekje van eigen deeg geven. Pan daagde als tweede de god Apollon uit voor een muzikaal duel. Op een open plek in het bos deden de twee goden ongelofelijk hun best, Apollon op de lier en Pan op de panfluit. Nadat beiden klaar waren, had de berggod Tmolus, zoon van Hades, de eer de winnaar aan te wijzen. Hij twijfelde lang, maar koos uiteindelijk voor de god van de muziek. Iedereen applaudisseerde voor Apollon, maar twee toehoorders waren het niet eens met de keuze van Tmolus. Het waren de god Dionysos en zijn vertrouweling koning Midas. ‘Dat is niet eerlijk,’ schreeuwde Midas, ‘Pan speelde veel mooier, zijn jullie doof of zo!’ Apollon liep langzaam op de koning af. Zijn gezicht stond op onweer. ‘Zo,’ zei hij tegen Midas, ‘dus jij hoorde niet dat ik beter speelde dan Pan?’ ‘Dat klopt,’ zei Midas die geen twijfel kende. ‘Dan heb je geluisterd met de oren van een ezel,’ zei Apollon terwijl hij de oren van koning Midas vastpakte en langzaam omhoog trok. Toen hij ze losliet, stonden er twee lange, behaarde ezelsoren op de kop van de arme koning. Midas voelde aan zijn oren, bedekte ze met zijn handen en rende hard weg. Pan en Dionysos vonden het wel zielig, maar alle anderen hadden reuzenpret om die domme sterveling met zijn slechte smaak!

 

 

16   het koninklijke geheim

Midas durfde zijn paleis niet uit. De arme koning schaamde zich zo voor zijn ezelsoren, hij zat dag en nacht binnen. Dat kon zo niet langer. Met doeken die hij rond zijn hoofd wikkelde, bedekte hij zijn oren zodat hij ieder geval af en toe naar buiten kon om zich onder zijn onderdanen te begeven. Niemand merkte iets van de verandering die de koning had doorgemaakt, en er gingen zelfs nog meer mannen doeken om hun hoofd wikkelen omdat ze het wel koninklijk vonden staan, en langzamerhand won Midas weer wat zelfvertrouwen terug. Tot het tijd was om zijn haar te laten knippen. De kapper kon onmogelijk bij de haren van de koning en de doeken moesten afgewikkeld worden. De kapper wist niet wat hij zag! Midas liet hem plechtig beloven zijn geheim nooit aan een levende ziel te verklappen. De kapper zat erg met het geheim in zijn maag. Hij wilde het vertrouwen van de koning niet beschamen, maar hij ging er steeds slechter door slapen. Het was niet niks om als enige in het land zo’n groot geheim te moeten bewaren. Nachtenlang zat de kapper wakker en bedacht plannetjes, hij moest zijn geheim met iemand delen. Natuurlijk wist de kapper ook dat hij de koning gezworen had dat juist niet te doen, maar koning Midas had het alleen gehad over een levende ziel. Hij mocht het geheim dus wel delen met iets dat geen ziel had en dat niet leefde. De kapper liep tot waar niemand hem meer kon horen en ging op zijn knieën zitten. Hij groef een kuil in de grond en fluisterde in het gat: ‘Koning Midas heeft ezelsoren!’ Na zijn woorden gooide hij snel de kuil weer dicht en ging opgelucht op huis aan. De kapper voelde zich stukken beter. Hij sliep die nacht beter dan hij in lange tijd had gedaan en werd heerlijk uitgerust wakker. Maanden gingen voorbij en de daad van de kapper leek geen gevolgen te hebben, tot in het voorjaar de bomen weer knoppen kregen en de zaadjes in de grond ontkiemden. Op de plek waar de kapper zijn geheim had begraven groeide een groepje rietstengels uit de aarde. Als de wind er door heen blies hoorde iedereen duidelijk: ‘Koning Midas heeft ezelsoren, koning Midas heeft ezelsoren!’ Niet lang daarna kende het hele land het geheim van de arme koning.    

 

17   wie het laatst lacht, lacht het best

Op een dag zat Apollon in de hemel toen Eros, de zoon van Afrodite kwam aangevlogen. Apollon had wel zin in een geintje en besloot de kleine gevleugelde god een beetje te plagen. ‘Zo, kleintje,’ zei hij, ‘wat doet die boog op je rug? Ben jij niet veel te klein voor zo’n stoer wapen?’ Eros hapte direct toe en brieste terug: ‘Ik ben helemaal niet te klein voor die boog, ik kan zelfs heel goed schieten hoor.’ ‘Weet je wie goed kan schieten?’ zei Apollon, ‘ik. Ik kan goed schieten, geef mij die boog van je maar, hij past beter bij mij. Heb je soms niet gehoord dat ik Phyton de draak heb verslagen met één pijl? Ik mis nooit!’ en Apollon lachte de arme Eros uit.

 

 

 Eros was ziedend en zonder nog om te kijken vloog hij weg bij Apollon. Wacht maar, hij zou die opschepper wel krijgen. Misschien dat hij wel niet zo goed kon schieten als Apollon, maar Eros’ pijlen hadden wel een uitwerking die op alle goden werkte. Zelfs zijn opa Zeus had hij een paar keer verliefd gemaakt op iemand met zijn pijlen, dacht die Apollon werkelijk dat hij hem zo maar kon beledigen? Eros maakte twee pijlen: één voor Apollon die stapelverliefd zou worden op degene die hij als eerste zou zien, en één met de tegenovergestelde werking; deze pijl zou iemand vervullen met afschuw van de eerste persoon die hij of zij tegen zou komen. Eros wachtte een geschikt moment af wat hij vond toen Apollon met zijn koeien door de bergen van Arkadia trok. Hij richtte op Apollon en raakte hem precies in zijn hart. Om een hoek van de berg kwam net de bergnimf Daphne aan, en Eros mikte de tweede pijl op haar. Ook deze pijl was goed geschoten en Eros was best trots op zichzelf. Hij bleef kijken. Op het moment dat Apollon en Daphne elkaar zagen, zat Eros zich te verkneukelen. Apollon werd op slag verliefd op de wonderschone nimf, hij wilde niets liever dan haar knuffelen. Daphne had een heel ander gevoel toen ze de god Apollon zag staan: haar maag begon te rommelen en ze voelde iets in haar keel. De arme Daphne werd ziek van misselijkheid als ze langer naar die griezel keek. Onmiddellijk draaide de bergnimf zich om en liep weg. Apollon schrok, liep zijn grote liefde van hem vandaan? Dat mocht niet gebeuren! Hij riep en liep haar achterna, maar Daphne keek niet om en ging wat sneller lopen. ‘Stop, lieveling, prachtige mooie bergnimf, stop! Ik wil met je praten!’ Daphne kreeg al hoofdpijn bij de gedachte naar die engerd te moeten luisteren en ging nog sneller lopen. Ik moet hier weg, dacht ze. Apollon was niet van plan het meisje te laten ontkomen en bleef roepen en haar achtervolgen. Zou ze soms niet weten dat ik een god ben? dacht Apollon, en hij riep nog maar een keer. Berg op en berg af, berg op en berg af. Daphne voelde dat ze het niet lang meer zou volhouden. Haar krachten verdwenen en ze werd moe terwijl Apollon niet van wijken wilde weten. Ze kon niet meer en hield op met rennen. Daar hoorde ze hem al, hij was vlak bij haar. Daphne bad tot moeder aarde haar te helpen. Gaia verhoorde haar gebed en boomschors omhulde haar lichaam. Haar armen veranderden in takken. Toen Apollon haar gevonden had zag hij nog net de boomschors sluiten om haar tevreden kijkende gezicht. Daphne was veranderd in een laurierboom. Apollon kon zijn tranen niet bedwingen en liet zich voor de boom op de grond vallen. Hij sloeg zijn armen om de stam en keek snikkend naar de takken van de boom. De arme god pakte de takken vast, maar die braken af. Hij keek ernaar en vlocht toen de takken tot een krans, die legde hij op zijn hoofd. De laurier zou voortaan zijn heilige boom zijn.

 

 

18   tjonge jonge wat een zeurpiet!

Zeus had gevraagd of Apollon en Artemis bij hem wilden komen, hij wilde iets bespreken. Samen verschenen ze voor de oppergod. ‘Lieve kinderen,’ sprak Zeus, ‘het wordt tijd dat jullie er een taak bij krijgen.’ Nog één? dacht de tweeling, alsof ze nog niet genoeg te doen hadden! ‘Artemis, jij wordt de godin van de maan, en Apollon, jij wordt de god van de zon,’ zei Zeus, en hij keek de godenkinderen tevreden aan. Daar zullen ze vast en zeker blij mee zijn, dacht hij. ‘Leuk!’ zei Artemis, ‘ik houd wel van de maan, dankjewel hoor!’ Apollon was minder tevreden: ‘Wat moet ik met de zon?’ vroeg hij, ‘die is toch al van Helios?’ ‘Ja,’ zei Zeus, ‘maar het is niet erg handig dat niemand in de hele hemel die zonnewagen van hem kan besturen. Helios wil ook wel eens een dagje lekker niks doen, die rijdt al honderden jaren dag in dag uit de aarde rond.’ ‘Moet ik dat dan elke dag gaan doen?’ vroeg Apollon met een zuur gezicht. Tjonge jonge, wat een zeurkous is dat toch, dacht Zeus, maar hij zei: ‘Ik weet het goed gemaakt met je: als jij leert die wagen besturen, blijft Helios de zonnegod en hoef jij alleen maar af en toe de zon naar de aarde te brengen.’ ‘Niet te vaak hè?’ zei Apollon. ‘Nee hoor,’ zei de oppergod, ‘niet te vaak.’

 

De aarde was lange tijd bewoond geweest door ruwe Titanen. Ze konden er zelf weinig aan doen, zo waren de Titanen nou eenmaal, maar goede manieren kenden ze niet. Apollon hield juist veel van orde en regelmaat en hij was heel netjes. Hij zag de ruwheid en de manier waarop mensen met elkaar omgingen op aarde met afschuw aan. Zo kan het niet langer, rilde Apollon, en hij ging er voor zorgen dat de aardbewoners beschaafder met elkaar omgingen. Hij wilde iedereen graag laten nadenken, en op zijn tempel liet hij twee spreuken zetten: ‘ken jezelf’ en ‘alles met mate’. Apollon bedoelde met de eerste spreuk dat ieder mens ook slechte kanten heeft, en dat je die kanten eerst moet leren kennen voordat je er rekening mee kunt houden of ze kan veranderen. Met het motto ‘Alles met mate’ wilde Apollon de mensen leren dat niets goed is als het woordje ‘te’ er voor staat. Toen er meer orde op de aarde was, leerde Apollon de mensen alles over muziek. Hij leerde hoe ze zelf muziek konden maken op een lier en hij leerde de mensen rijmen en gedichten maken. Zelf speelde Apollon het allerprachtigst van iedereen op de lier, en als hij op de Olympus aan het spelen was, stonden alle goden zo stil als een muis te luisteren. Apollon vermaakte zich prima met de kunsten die de mensen dankbaar van hem leerden. Eens in de vier jaar liet Apollon wedstrijden organiseren, de Pythische spelen. Kunstenaars namen het tegen elkaar op en de beste muzikanten, toneelspelers, dichters en zangers werden geëerd met een lauwerkrans, een krans van een laurierboom.

 

19   de muzen

Apollon vond het heerlijk om met kunst bezig te zijn, maar ook heel moeilijk om genoeg tijd over te houden voor zijn orakel en het voorspellen van de toekomst. Zeker omdat de mensen steeds maar weer zijn advies vroegen over wat ze moesten spelen of zingen, of waar ze over moesten dichten. Apollon wist dat op de berg Helikon de negen muzen woonden, dochters van moeder aarde en de lucht. De vrolijke zusjes waren ieder moment dat ze konden aan het dansen en Apollon dacht dat zij misschien wel wilden helpen. Op de berg Helikon aangekomen duurde het niet lang voordat hij de Muzen gevonden had. Wild fladderden ze door elkaar heen. Apollon keek ernaar met een grote glimlach op zijn gezicht. Van links naar rechts en van voor naar achter hupten ze. Soms botsten er een paar tegen elkaar op. die vielen op de met gras begroeide bergvlakte waarna ze lachend weer opstonden en verder gingen met hun dans. ‘Lieve Muzen,’ sprak de god, ‘mag ik jullie wat vragen?’ De zusjes hielden voor eventjes op met dansen en luisterden naar Apollon die zijn voorstel deed. De Muzen waren blij verrast en dolenthousiast, ze wilden niets liever dan zo’n goddelijk baantje. ‘Maar,’ zei Apollon, ‘dan wil ik jullie wel vragen om iets minder wild te dansen, ik hou namelijk nogal van orde en regelmaat moeten jullie weten.’ Minder wild? De Muzen vroegen zich af hoe ze dan wel zouden moeten dansen, ze deden altijd maar waar ze op dat moment zin in hadden. Ze dansten altijd op hun gevoel, moest dat nu dan anders? ‘Luister naar me,’ zei Apollon, en hij haalde zijn lier tevoorschijn. In een duidelijke maat bespeelde  Apollon het instrument. ‘Luister naar de muziek en beweeg op de maat die ik speel,’ zei Apollon. De Muzen luisterden aandachtig, en waarachtig, twee van hen, Polyhymnia en Terpsichore bewogen precies op de maat van de muziek. De andere Muzen keken eventjes naar hun zusjes en volgden hun voorbeeld. Ze hadden er lol in en de bewegingen en het geluid gingen in prachtige harmonie samen.

 

 

Samen met Apollon maakten de zusjes van de twee kunstvormen één, en voortaan zouden de Muzen Apollon begeleiden en de kunstenaars op aarde influisteren waar ze over moesten rijmen, zingen of vertellen.

 

20   apollon wil een gezin

Het leventje van Apollon stond inmiddels aardig op de rails, en de zoon van Zeus vond het tijd worden om een gezinnetje te stichten. Hoewel Apollon een knappe jonge god was, vond hij het moeilijk een goede partner te vinden. Hij vond geen vrouw goed genoeg om de moeder van zijn kind te zijn, tot hij Kassandra zag. Kassandra was de dochter van Priamus, de koning van Troje. Apollon ging op de prinses af, maar anders dan hij verwachtte viel ze niet als een blok voor zijn charmes. Het leek er meer op dat Kassandra helemaal niet wilde trouwen met de god. ‘Om eerlijk te zijn vind ik het prima om prinses te zijn en later met een rijke koning te trouwen,’ zei ze. ‘Ik hoef niet zo nodig een god als man te hebben.’ Apollon kon zijn oren niet geloven, durfde dit meisje hem zonder meer af te wijzen? ‘Begrijp je wel wat het betekent om een god als man te hebben?’ vroeg Apollon, ‘ik kan ervoor zorgen dat je alles krijgt wat je maar wenst. Ik kan je zelfs goddelijke gaven geven.’ ‘Oh ja?’ vroeg Kassandra, ‘dat lijkt me wel wat, zo’n goddelijke gave. Ik heb altijd al in de toekomst willen kunnen kijken, zou je er voor kunnen zorgen dat ik dat kan?’ ‘Dat zou ik best kunnen,’ zei Apollon, ‘maar dan moet je wel beloven dat je met me trouwt.’ Kassandra dacht eens na. Ze had wel eens gehoord dat als de goden eenmaal een goddelijke gave aan iemand hadden gegeven, ze die niet zo maar weer af konden pakken. Als ze nou eens tegen die Apollon zei dat ze wel met hem zou trouwen zou hij haar de gave van de voorspellende kracht geven. daarna zou ze hem vertellen dat ze niet met hem zou trouwen. Wat wou die doen dan? Apollon zag er uit als een mooie lieve jongen, die zou haar toch geen kwaad doen? ‘Ik doe het,’ zei Kassandra, ‘ik zal met je trouwen als je mij de toekomst laat voorspellen. ‘Mooi!’zei Apollon, en hij omhelsde Kassandra. ‘Ja ja, zo is het wel genoeg,’ zei het meisje, ‘wanneer kan ik de toekomst zien?’ ‘Nu,’ zei Apollon, ‘nu kan je de toekomst zien mijn liefste. Wat zie je?’ ‘Ik zie…, ik zie…, ik zie dat ik niet met jou ga trouwen,’ zei ze met een valse lach. Apollon sprong op: ‘Wat? Dat is gemeen! Je hebt het beloofd, daarom heb ik je de gave van het voorspellen gegeven!’ ‘Heel erg bedankt daarvoor!’ lachte Kassandra, ‘klopt het dat je die ook niet meer van me kan afpakken? ‘Ja,’ zei Apollon, ‘dat klopt, maar ik kan er wel iets bijdoen.’ ‘Oh, wat leuk,‘ krijste Kassandra, ‘wat krijg ik erbij?’  ‘Je krijgt,’ zei Apollon, ‘dat niemand je ooit zal geloven als je ze de toekomst voorspelt.’ Kassandra keek hem aan. Was dat alles? Was dat de straf die de god voor haar bedacht had? ‘Nou,’ zei ze gniffelend, ‘erg hoor,’ en ze liep weg.

 

Kassandra schrok ’s nachts wakker. In haar droom had ze de hele stad Troje in vuur en vlam zien staan. Ze had allemaal verslagen en gewonde Trojanen verspreid door de stad zien liggen en lachende Grieken in de straten van Troje zien lopen. Ze sprong haar bed uit en rende naar de kamer van haar vader. Koning Priamus wuifde het weg: ‘Ach lieverd, het was gewoon een enge droom, jij kan toch helemaal niet de toekomst voorspellen? Ga maar weer gauw slapen.’ Dezelfde droom had Kassandra nacht na nacht, maar iedere keer als ze haar vader of iemand anders wilde waarschuwen voor het naderende gevaar, werd ze uitgelachen. Zeker toen ze hen vertelde over een groot houten paard dat heel gevaarlijk was, rolden de Trojanen over de grond van het lachen.   

 

 

 

21   apollon in de Trojaanse oorlog

Apollon had veel taken, maar dat vond hij helemaal niet erg. Hij vond het juist wel lekker om bezig te zijn. Toch vond Apollon in zijn drukke bestaan regelmatig tijd om met zijn zus Artemis te oefenen met pijl en boog. Oefenen was eigenlijk nergens voor nodig, want de pijlen die Hephaestus had gesmeed misten nooit. Er was nog iets bijzonders met die pijlen; ze konden niet alleen iemand dood schieten, maar deze pijlen konden ook iets dood schieten. Ziektes of gevaar bijvoorbeeld. Toen Apollon zag dat er een dodelijke ziekte onderweg was naar Arkadia waar zijn moeder en tantes woonde, schoot hij de ziekte met een pijl neer en kreeg niemand in Arkadia die nare ziekte. Het tegenovergestelde kon hij trouwens ook; de pijlen van Apollon konden net zo makkelijk een ziekte brengen als weghalen. In de Trojaanse oorlog (die Kassandra had voorspeld), hebben de Grieken dat gemerkt!

 

In Troje hadden de inwoners een tempel voor Apollon gebouwd. Priesteressen van Apollon verzorgden de tempel. Achilles en zijn mannen toonden geen enkel respect voor de god en zijn priesteressen; Achilles sloeg het beeld van Apollon kapot en zijn mannen ontvoerden één van de priesteressen. Apollon die altijd de rust zelve was ontstak in razernij toen hij de oneerbiedige Grieken zo tekeer zag gaan. Hij spande zijn boog en met een zilveren pijl bracht hij een verschrikkelijke ziekte naar de Grieken. De één lag nog zieker in de tent dan de ander en de troepen van de Grieken dunden aardig uit. De koning van de Grieken, Agamemnon wist dat hij de oorlog zou verliezen als er niets zou gebeuren en hij vroeg een oude blinde Griek die in de toekomst kon kijken wat ze het beste konden doen. ‘De god Apollon moet gunstig gestemd worden,’ sprak de oude blinde Griek. Agamemnon liet direct de priesteres terugbrengen naar de tempel en stuurde een hele groep Grieken met haar mee, volgeladen met cadeaus en offers voor de god en zijn priesteressen. De koning besloot een groot offerfeest van zeven dagen te houden met het heerlijkste eten voor Apollon. Apollon zag het vanaf de Olympus aan en kreeg medelijden met de dapper strijdende Grieken. Hij spande zijn boog en vuurde een pijl af op de Trojaanse kust die de ziekte weghaalde. Het einde van het offerfeest was ook het einde van de ziekte; na een week waren alle zieke mannen weer beter.  Met de overmoedige Achilles had Apollon nog wel een appeltje te schillen, met deze trotse strijder zou het minder goed aflopen.

 

 

22   de kentaur cheiron

Het genezen van ziektes bracht Apollon veel voldoening. Hij vond het heerlijk om mensen beter te zien worden en hij leerde van alles wat er te weten was over de genezende krachten van planten en bloemen. Daarvoor moest hij regelmatig diep het bos bij Thessalië in, daar waar de oude Kentaur Cheiron leefde. De Kentauren waren wezens die half mens en half paard waren. Ze woonden in de grotten en holen in de bergen en waren beestachtig bruut en slecht gemanierd. Cheiron was heel anders dan zijn soortgenoten; hij hield juist helemaal niet van al dat gewelddadige gedoe en die woeste gewoontes, en daarom woonde hij apart, alleen in het bos van Thessalië. Het was een heel wijze Kentaur die graag van alles wilde leren en zijn kennis het liefst wilde delen met anderen. Hij wist een heleboel over de planten in het bos. Toen Apollon hem tegenkwam, raakten ze al snel aan de praat over de schoonheid van de natuur. Apollon vond de goedgemanierde Kentaur met zijn wijze woorden erg aardig. Cheiron was op zijn beurt bijzonder geïnteresseerd in de kennis die Apollon had over de heilzame werking van de natuur. ‘Zou je mij dat niet allemaal willen leren?’ vroeg Cheiron. ‘Dan moet jij mij alles leren wat ik nog niet weet,’ antwoordde Apollon, ‘maar dat gaat vast heel, heel lang duren.’ ‘Ach,’ zei de Kentaur, ‘we zijn allebei onsterfelijk, we hebben de tijd.’  

     

23   nog meer pech in de liefde

Op een dag liep Apollon langs een groot meer. In het water zag hij een meisje staan. Het was prinses Koronis, dochter van een Lapithenkoning. Het meisje dacht dat ze alleen was en stond zich nietsvermoedend te wassen. Apollon bleef staan kijken. Hij vond het meisje prachtig. Met Kassandra was het niet gelukt, maar als dit meisje toch eens de moeder van mijn kind zou kunnen zijn, dacht hij, wat een schitterend kind zou dat worden! Apollon liep op het meisje af. Ze zag hem aankomen en schrok, snel ging ze onder water zitten. ‘Schrik niet,’ zei hij, ‘ik ben de god Apollon.’ Koronis keek hem aan. Ze zag meteen dat de prachtige jongeman waar een gouden glans omheen scheen inderdaad een god moest zijn. ‘Wat een eer!’ zei de prinses, en ze zuchtte, ‘waaraan heb ik die eer te danken?’ ‘Dat zal ik je vertellen,’ zei Apollon gewichtig, ‘ik heb mijn zaakjes allemaal aardig voor elkaar en ik vind het tijd voor een kindje. Ik zou graag willen dat jij de moeder van mijn kindje wordt.’ Koronis dacht eens na. Ze was eigenlijk verliefd op Ischys, een andere jongen, maar ja, moeder van een halfgod was iets wat niet veel andere vrouwen konden zeggen en ze hoefde Apollon natuurlijk niets te vertellen over Ischys en Ischys niets over Apollon. Wat zou iedereen haar belangrijk vinden als ze moeder was van een halfgod! Koronis zei dat ze graag de moeder van Apollons baby zou worden.

 

Apollon was apetrots dat hij vader zou worden. Als het op Delphi niet zo druk was en hij had even tijd, haastte hij zich naar het Thessalische meer waar Koronis woonde om te zien hoe het met haar en de baby ging. De buik van Koronis werd steeds groter en Apollon kon niet wachten tot zijn kindje geboren zou worden. Apollon zat in zijn tempel in Delphi en door het slechte weer waren er maar bitter weinig reizigers die het orakel kwamen raadplegen. Het kan vast geen kwaad als ik vandaag wat eerder wegga, dacht Apollon, en hij besloot Koronis met een verrassingsbezoekje te verblijden. Apollon kwam bij het paleis van de koning van de Lapithen aan en zocht direct Koronis’ kamer op. Koronis was er niet. Dan wacht ik hier wel even op haar, dacht Apollon, en hij pakte zijn lier om er de tijd wat mee te doden. Zo zat hij daar te tokkelen tot een kraai in het raam kwam zitten. ‘Hallo daar,’ zei Apollon vriendelijk. ‘Kra,’ kraaide de kraai, ‘die prinses van je zit bij Ischys, die is helemaal niet verliefd op jou. Kra,’ en hij vloog weg. Apollons vingers waren verstijfd en hij kon geen noot meer spelen, was het waar wat die kraai hem verteld had? Dat zou verschrikkelijk zijn, hij moest meteen op onderzoek uit. Ischys had die kraai gezegd, die moest Apollon dus zien te vinden. In het dorp wist iemand dat Ischys de zoon van Elatus was, en een ander wist waar hij woonde. Bij het huis van Elatus aangekomen zag Apollon door het raam al waar hij bang voor was geweest; daar zat Koronis, gezellig met die Ischys hand in hand te kletsen. Ze keek heel verliefd naar die jongen en Apollon snikte.

 

 

Bedroefd draaide hij zich om en sjokte weg. Hij ging naar zijn zusje. Artemis werd woedend toen ze haar broer zo verdrietig zag; wie dat gedaan had zou daar zeker voor boeten, daar zou zij wel voor zorgen. Wat dachten ze wel niet, een god aan het huilen maken, en nog haar broertje ook! Toen Artemis hoorde door wie het grote verdriet van haar broer veroorzaakt was bedacht ze zich geen moment en spoedde zich naar de aarde. Ze spande haar zilveren boog en met een schot zoals alleen de goden dat kunnen afvuren raakte ze Koronis die direct dood neerviel. Apollon had zitten kijken en schrok zich een ongeluk. ‘Nee!’ gilde hij, maar het was al te laat, Koronis was hartstikke dood en er was niets meer aan te doen. ‘Wat heb je gedaan?’ schreeuwde Apollon. ‘De straf van de goden is onverbiddelijk,’ zei Artemis die vond dat de goden niet met zich moesten laten sollen. Apollon zakte door zijn knieën en viel snotterend voor het lichaam van Koronis neer. Hij zag de baby in haar buik bewegen. Mijn kindje! Dacht hij, en hij haalde het onmiddellijk uit de buik van Koronis. Op de plek waar het jongetje de aarde het eerst aanraakte groeiden direct allerlei geneeskrachtige kruiden.

 

24   de zoon van apollon

Apollon wist niet goed wat hij met zijn zoon aanmoest. Hij was dolgelukkig dat het jongetje nog leefde, maar hij had er geen rekening mee gehouden dat hij het helemaal alleen op zou moeten voeden. Daar had hij helemaal geen tijd voor met zijn drukke bestaan bij de tempel in Delphi, en met de Muzen die hij regelmatig opdrachten moest geven. Dan moest hij Helios soms bijstaan en waren er ook nog de wetenschappen die hij de mensen moest leren, en eigenlijk wilde hij ook wel graag wat tijd overhouden om op zijn lier te spelen en voor de jacht. Wie zou hem het beste kunnen helpen? Het mocht natuurlijk niet zo maar iemand zijn, het ging tenslotte wel om de zoon van één van de Olympische goden en die behoorde een gedegen opvoeding te krijgen. Apollon dacht aan zijn zus, die was dol op kinderen. Een gedegen opvoeding zat er alleen niet in dan, zijn zoon zou dan waarschijnlijk niet veel meer leren dan jagen en door het bos hollen. Daarbij was zijn zus heel snel op haar teentjes getrapt, en hij wilde dat zijn zoon wat geduldiger zou zijn met anderen en niet zo snel boos. Nee, Artemis was geen goede keuze, maar wie dan? Opeens wist Apollon het: de kentaur Cheiron! Hij zou zijn zoon naar Cheiron brengen, die kon hem leren wat hij zelf van Apollon had geleerd.

 

Cheiron was blij verrast toen zijn goede vriend Apollon hem met zijn bezoek vereerde. ‘Wat heb jij daar nou bij je?’ vroeg de Kentaur verbaasd aan de god. ‘Dit hier is mijn zoon,’ sprak Apollon trots. ’Wat leuk,’ zei Cheiro, ‘hoe heet hij?’ Apollon keek zijn vriend geschrokken aan; hij had nog helemaal geen naam voor zijn kind. ‘Hij heet Asklepios, ‘zei Apollon zelfverzekerd, terwijl hij de naam ter plekke verzon. ‘Mooie naam heb jij hoor,’ lachte de Kentaur naar het ventje dat vrolijk teruglachte. ‘Ik kom hier om te vragen of je me misschien zou willen helpen hem op te voeden, jij bent zo lekker geduldig en je weet zoveel.’ De Kentaur werd helemaal verlegen van al die mooie complimenten en kon moeilijk meer weigeren. Schoorvoetend stemde hij daarom in met het idee de halfgod Asklepios voor Apollon op te voeden. ‘Maar alleen helpen hè,’ zei Cheiron, ‘ik ga het niet in mijn eentje doen.’ ‘Nee nee,’ beloofde Apollon, ‘ik zal zo vaak als ik kan hier zijn.’

 

 

25   een goede leerling

Asklepios was een uitstekende leerling en al snel wist hij alles wat Cheiron ook wist. De jongen ontdekte bovendien nieuwe werkingen van planten en kruiden die de oude Kentaur versteld deden staan.

 

 

Zijn vader was natuurlijk reuze trots op de snelle en leergierige leerling. Voor Cheiron had het nog een voordeeltje; hij had het veel minder druk dan vroeger omdat Asklepios meestal de kruiden ging plukken. Cheiron was begonnen met beeldhouwen; hij nam een groot rotsblok en sloeg er kleine stukjes af om uiteindelijk een beeltenis van iets of iemand over te houden. Hij was er al aardig bedreven in geworden en zijn beelden leken stuk voor stuk precies op de modellen die de Kentaur er voor gebruikte. Regelmatig zaten ze met z’n drieën in het bos te praten terwijl Cheiron in de tussentijd op een stuk steen aan het slaan was. Meestal ging het over de geneeskunde, en de kleine Asklepios deed niet onder voor zijn wijze leermeesters. Sterker nog, hij verbeterde hen zelfs zo nu en dan. ‘Wat een wijsneus!’ zei Apollon dan, ‘Maar hij heeft wel weer gelijk,’ merkte Cheiron daarna meestal droogjes op, en dat moest toch ook Apollon elke keer weer toegeven.

 

 Zo zaten ze gezellig te kletsen toen ze zagen dat een jong hert werd aangevallen door een groep wilde honden. Apollon, die dol was op dieren kon dit hartverscheurende tafereel niet aanzien en rende er op af om ze weg te jagen. ‘Kssst, weg jullie! Af! Schreeuwde hij boos naar de honden. Die keken eens om, en toen ze die boze god aan zagen komen, vluchtten ze gauw het bos in. Apollon pakte het gewonde hertje op en liep er mee terug naar het hol van Cheiron. Onder het lopen bedacht hij welke kruiden hij het beste kon geven om de wonden te laten genezen en het arme dier aan te laten sterken. Hij legde het beestje neer en begon te zoeken naar de planten die hij nodig had. ‘Vlug, help me, we moeten kruiden hebben!’ riep Apollon naar Cheiron en Asklepios. ‘Het is te laat,’ zei Cheiron droevig, ‘hij is dood.’ Huilend zakte Apollon neer bij de dode ree. ‘Laat mij eens, ‘zei Asklepios plotseling, ‘misschien weet ik wel wat,’ Apollon en Cheiron keken elkaar aan, wat was die kleine Asklepios met dat dode dier van plan? Met ingehouden adem zagen ze Asklepios in de weer met allerlei bladeren en kruiden. Wat deed die jongen daar allemaal? De spanning was ondragelijk. ‘Ja! Ik zag zijn pootje bewegen!’ schreeuwde Apollon, en inderdaad, het diertje tilde zijn kopje op, schudde er een paar maal mee en stond op. Het hertje keek Asklepios dankbaar aan, gaf hem een lik over zijn gezicht en holde het woud in. De god en de Kentaur stonden nog steeds met open mond te staren. Ze waren sprakeloos, dit hadden ze nog nooit meegemaakt. Ze wisten toch echt zeker dat het hertje minuten daarvoor nog morsdood geweest was. Asklepios zou voortaan bekend staan als de god van de geneeskunde, ook al was hij slechts een halfgod.

 

 

26   wonderdokter

Al snel werd door heel Griekenland bekend dat er een arts was die fantastisch goed was, en ook het verhaal met het hert verspreidde zich als een lopend vuurtje. Van heinde en verre kwamen mensen met allerlei ziektes om door Asklepios’ kruiden genezen te worden. De zieken moesten in de tempel van Asklepios gaan liggen. Daar zouden ze een droom hebben waarin Asklepios raad gaf. De priesters en priesteressen, die allemaal jarenlang les hadden gehad van Asklepios, behandelden de mensen met medicijnen die ze van planten en kruiden maakten. Soms moesten de mensen in een bad met kruiden gaan liggen, en soms moesten ze door het bos gaan wandelen. Als een zieke in zijn of haar droom een slang zag, betekende dat dat diegene weer beter was en naar huis kon. Een paar keer was een patiënt er zo slecht aan toe dat de medicijnen niet werkte. De priesters en priesteressen stonden met hun handen in het haar, maar als Asklepios er bij gehaald werd, wist hij altijd wel een middeltje te bedenken waarmee de zieke genas.

 

27   een nieuwe hobby voor cheiron

De Kentaur Cheiron had zich sinds het afscheid van Asklepios een beetje eenzaam gevoeld. Het was een gezellige tijd geweest en hij had het idee dat hij de jonge Asklepios veel geleerd had. Uiteindelijk was Apollon zeer tevreden geweest met de goede opvoeding die zijn zoon genoten had bij hem, en een god is niet zo één twee drie tevreden. Het leek Cheiron leuk om een nieuwe leerling op te leiden. Het maakte hem niet eens veel uit waarin; geneeskunde, boogschieten of beeldhouwen, als hij maar iemand had om zijn kennis op over te brengen. Cheiron vond in de jonge jager Aktaion zijn nieuwe pupil. Aktaion wilde de beste boogschutter worden op de aarde, en kon zich geen betere meester wensen dan de wijze Kentaur. Cheiron was op zijn beurt blij met wat aanspraak. In de uren dat ze niet aan het oefenen waren met pijl en boog, was Cheiron verhit aan het hakken in een groot rotsblok . Aktaion had geen idee wat het voor moest stellen, maar na een tijdje herkende Aktaion zichzelf in het beeld. Cheiron was een standbeeld van hem aan het maken! Hij vond het een hele eer. Toen het standbeeld klaar was, leek het wel of Aktaion in de spiegel keek als hij er voor stond. Het beeld leek als twee druppels water op hem.

 

Stap over naar Oxxio

Help deze website en onze schrijvers, stap over naar Oxxio als energieleverancier.

Reacties (2) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Het hele verhaal (apollon 1 en 2) in een boek met meer dan 30 tekeningen, nu te koop. (mijn debuut!)
http://www.boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=3837
Niet alleen voor kinderen hoor. Erg interessant.