Dit is een verslag over jeugdzorg, wetgeving voor minderjarigen en mijn visie hierop

Door Pinoow gepubliceerd op Wednesday 15 August 15:51

Eindverslag Jeugdzorg

 

 

 

 

ZORGEN VOOR

 

 

JEUGDZORG

 

 

 

 

http://plzcdn.com/ZillaIMG/af13c3d05ac0a23d6a2fe1f239a18a5e.jpg

 

 

INDEX

Onderwerp blz.

 

1.1 Inleiding 2

1.2 Persoonlijke leerdoelen 2

1.3 Initiatieven 2

1.4 Even voorstellen 4

1.5 Overzicht Mo 4

1.6 Probleemstelling 5

1.7 Eerdere leermomenten 5

2 Actuele wet- en regelgeving Jeugdstrafrecht 6

2.1 Algemeen 6

2.2 Leeftijden 6

2.3 Voorkomen van strafvervolging 7

2.4 Halt 7

2.5 Stopreactie 8

2.6 Straffen en maatregelen 8

2.7 Hoofdstraffen 8

2.8 Bijkomende straffen 9

2.9 Maatregelen 9

2.10 Bevoegdheden politie 9

2.11 Ketenunit 10

3.1 Civiel recht 11

3.2 Kinderbeschermingsmaatregelen 11

3.3 De Raad voor de Kinderbescherming 11

3.4 Ondertoezichtstelling 12

3.5 Voorlopige voogdij 12

3.6 Ontheffing van de ouderlijke macht 12

3.7 Ontzetting van de ouderlijke macht 12

3.8 Voorlopige kinderbeschermingsmaatregel 12

3.9 Herstel gezag 12

4 Betrokken organisaties 13

4.1 Bureau Jeugdzorg 13

4.2 De Inspectie Jeugdzorg 14

4.3 Overige Jeugdinstellingen 14

5.1 Ontwikkelfasen 15

5.2 Niveaus van ontwikkeling, socialisatie 16

6.1 Conclusies en reflectie 17

6.2 Kritiek en advies 17

6.3 Vernieuwende aanpak 18

6.4 Succesfactoren 18

6.5 Leermomenten 18

6.6 Eigen rol 19

6.7 Conclusie 20

7 Bronvermelding 20

 

1.1. Inleiding

In de maand juli 2001 ben ik als aspirant generalist aangesteld bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Deze opleiding was genaamd GIO (Generalist In Opleiding.) Het traject heb ik als volgt doorlopen. Ik ben begonnen met 7 maanden theorie. De theorie heb ik geleerd op de politieschool, gevestigd aan de Sloterweg te Amsterdam. Tijdens de eerste zeven maanden heb ik kennis opgedaan uit het Strafrecht en Strafvordering. Ook enkele bijzondere wetten zijn aan bod gekomen.

Na de eerste zeven maanden, heb ik 2 keer een half jaar toezichtstage gedaan, op verschillende bureaus. Daarna ben ik respectievelijk bij de verkeersdienst, RICO, de vreemdelingendienst en een afhandelunit geplaatst.

Vervolgens werd ik voor een 2 jaar durende noodhulpstage geplaatst aan bureau Rivierenbuurt, gelegen in Amsterdam-Zuid, aan de President Kennedylaan.

Deze periode werd onderbroken door een half jaar durende studie over jeugd en gemeenschappelijke veiligheidszorg. Dit om de GIO-opleiding gelijk te stellen aan de inmiddels nieuw opgestarte opleiding PO-2002.

In het kader van deze studie, heb ik de opdracht gekregen om een eindverslag 'Jeugd' te maken.

 

1.2. Persoonlijke leerdoelen

Graag wil ik me in de volgende aspecten verdiepen:

  • De te doorlopen hulpverleningstrajecten van jeugdigen

    Het jeugdstrafprocesrecht, het jeugdstrafrecht en de verschillen met het reguliere strafrecht

    Het leren toepassen van Jeugdzorg in mijn verdere loopbaan

1.3. Initiatieven

Om deze leerdoelen te behalen heb ik het volgende ondernomen:

  • Het volgen van lezingen en presentaties aan de politieschool

    Het aanhouden van een jeugdige en het afhandelen van deze zaak, inclusief uitgebreid sociaal verhoor

    Raadplegen van politiële- en justitiële systemen

    Bezoek aan de Raad voor de Kinderbescherming

    Overleg van Ketenunit Zuid bijgewoond

    Interview Nieuw Perspectieven

    Interview Streetcornerwork

    Raadplegen van wetboeken

In de eerste twee maanden van de studie heb ik een aantal lezingen en presentaties gevolgd van Bureau Jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming, het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, bureau HALT en Nieuwe Perspectieven. Grotendeels is dit verslag gebaseerd op de informatie die ik heb opgedaan tijdens deze lezingen en presentaties. Deze lezingen zijn gepland door de opleidingsschool.

Ik heb een jongere van nu inmiddels 19 jaar oud, die ik voortaan 'Mo' zal noemen om zijn privacy te waarborgen, aangehouden en gehoord. Tijdens het sociaal verhoor heb ik Mo uitgebreid gevraagd naar zijn ervaringen met politie en justitie. Mo was bereid om uitgebreid in te gaan over zijn ervaringen met de hulpverlening en zijn contacten met politie.

Ik heb het bedrijfsprocessensysteem, alsmede de Justitiële documentatie geraadpleegd, om inzicht te vergaren in hoeverre Mo zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en in hoeverre hij daarvoor gestraft is.

Om de hulpverleningstrajecten die Mo gevolgd heeft in kaart te brengen, heb ik stukken ingezien van de Raad van Kinderbescherming. Ik heb ingekeken in de dossiers die opgemaakt zijn door de Jeugdreclassering. Na een BARO (Basis Raad Onderzoek) is er een plan opgesteld, om werkdoelen van Mo te bewerkstelligen. In de rapporten wordt vermeld dat het contact tussen Mo en zijn ouders sterk verbetert. Tevens wordt vermeld dat Mo niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie.

Op eigen initiatief heb ik een overleg van de Ketenunit-Zuid bijgewoond, waarin over 48 jongeren een afdoeningbeslissing werd gedaan. Tijdens het overleg is Mo niet besproken. Hij was tijdens het plegen van het delict, waar ik hem voor heb aangehouden, al ouder dan 18 jaar.

Tevens heb ik een medewerker van Nieuwe Perspectieven geïnterviewd. Deze medewerker was de begeleider van Mo. Daar was ook een medewerker van Streetcornerwork bij aanwezig, die Mo ook hulp verleent.
Door dit gesprek heb ik meer inzicht gekregen in de werkwijzen van deze instanties.

Tijdens het verhoor van Mo, kwam ter sprake dat hij in aanraking is gekomen met Nieuw Perspectieven en Streetcornerwork. Hierop heb ik een afspraak gemaakt met deze instanties en de medewerkers geïnterviewd. Mo was hiervan op de hoogte en vond dit goed. Tijdens de interviews is mij duidelijk geworden wat de werkzaamheden van de beide instanties inhouden. Het viel mij op dat het welzijn en de initiatieven van de jongere centraal staan. De instellingen maken een 'sociale kaart' van de jongere om vervolgens doelstellingen te maken. Het streven is om de doelstellingen te behalen, waarbij de betrokkenen van de 'sociale kaart' ook benaderd worden. De sociale kaart van de jongere bestaat uit de mensen uit zijn omgeving die dicht bij hem staan en die tevens een positieve invloed op de jongere kunnen hebben. Hierbij valt te denken aan leraren op school, familie, buren, begeleiders van een buurthuis en bijvoorbeeld een leraar van de sportschool.

De relevante wetgeving met betrekking tot jeugdigen heb ik uitvoerig bestudeerd. In het verslag vergelijk ik het jeugdstrafrecht met het reguliere strafrecht. Ik toon de verschillen en bespreek wat daar de redenen van zijn.

In dit verslag zal ik beschrijven hoe Mo in aanraking kwam met de hulpverlening en hoe hij in beeld kwam bij politie en justitie. Tevens wil ik laten zien, tijdens welke ontwikkelingsfasen hij in aanraking kwam met de politie en wat daar de oorzaak van geweest zou kunnen zijn. Mijn eigen visie op de ontwikkelingspsychologie verwerk ik in het verslag, evenals mijn eigen mening en tevens de meningen van de instanties en zijn sociale omgeving.

 

 

1.4. Even voorstellen

 

Mo

geboren in 1987 te Amsterdam

wonende in de Rivierenbuurt te Amsterdam

 

Mo groeit op in Amsterdam in een groot Marokkaans gezin. Hij heeft 2 jongere broertjes, twee oudere en vier jongere zusjes. Zijn vader en moeder zijn geboren in Marokko. De vader van Mo vindt het erg belangrijk dat Mo in de Koran leest. Mo heeft hier andere ideeën over en komt hierdoor regelmatig in conflict met zijn ouders. Het contact tussen Mo en zijn ouders verslechtert naarmate hij ouder wordt. Hij hangt meer op straat, komt te laat thuis en gaat met verkeerde vrienden om. Hierdoor komt hij steeds vaker in aanraking met de politie en zelfs met justitie.

Mo woont meestal ergens anders. Hij heeft werk in een bakkerij, waar hij schoonmaakt en brood bakt.Mo studeert aan het ROC in de richting Handel en Verkoop. Hij zit nu in het tweede leerjaar. Op maandag en dinsdag zit hij op school, op woensdag, donderdag en vrijdag loopt hij stage. Mo volgt een traject bij Nieuwe Perspectieven en bij Streetcornerwork. Hij wordt begeleid in het zoeken van vrijetijdsbesteding, bijvoorbeeld een sportschool. Nieuwe Perspectieven verwacht van hem dat hij zich aan afspraken houdt en dat hij niet meer met bepaalde mensen omgaat. Ook mag hij niet meer te laat op straat blijven. Door Streetcornerwork heeft Mo uitzicht op een woning. Het is een traject van zes maanden, waarin hij begeleid wordt. Hij wordt in het begin een beetje op weg geholpen en na zes maanden wordt van hem verwacht dat hij zelfstandig kan gaan wonen. Dan wordt hem een 1 kamerwoning toegewezen.

 

1.5. Overzicht Mo

Hieronder volgt een overzicht wanneer en waarvoor Mo in beeld is gekomen bij de politie, justitie en bij hulpverlening

  • februari 1999, kindermishandeling

    december 2000 ter zake bedreiging met luchtdrukpistool (aangehouden IVS sepot te oud feit)

    in april 2001 diefstal zonnebril RAI (geen aangifte, niets bekend bij BJA + RVDK)

    april 2003 141 SR stenen gegooid van flat in oost (IVS, taakstraf + geldboete)

    oktober 2005 poging diefstal uit auto, (IVSsepot)

    februari 2006 greep uit de kassa videoland (gedagvaard)

De feiten die genoemd zijn in dit overzicht, vergelijk ik met de onderwerpen die ik in het verslag behandel. Dit zal schuinsgedrukt en in kader weergegeven worden.  

 

 

1.6. Probleemstelling

Tijdens deze studie, wil ik mij verdiepen in hoe het komt dat Mo is afgegleden. Ook wil ik er achter komen wat het effect van zijn misstappen en ervaringen is geweest op zijn leven en dat van het gezin. Mo is met verschillende hulpverleningsinstanties in aanraking gekomen. Ik ga uitdiepen wat daarvan het effect is geweest op Mo. Misschien heeft de hulpverlening er voor gezorgd dat Mo niet verder is afgegleden.

De ouders van Mo hebben een totaal andere opvoeding genoten dan dat hier in Nederland gebruikelijk is. Zijn ouders zijn ongeschoold en voelen zich onmachtig, omdat Mo wel dingen bijgebracht is. De vader van Mo heeft hier kennelijk moeite mee. Hij voedt Mo op met harde hand, zoals bij hem waarschijnlijk het geval was. Ik wil uitzoeken of het gedrag van de vader van Mo, effect gehad heeft op het gedrag dat Mo vertoont, of vertoond heeft.

Op school gaat het ook niet zo goed met Mo. Hij wordt op een speciale ZMOK school geplaatst, een school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen. In de klas heeft hij moeite met gezag. Hij neemt leraren niet altijd even serieus en kan niet geconcentreerd werken. Later krijgt een andere mentor meer vat op hem en kunnen er afspraken met Mo gemaakt worden.

Mo is de oudste zoon in het gezin. De ouders van Mo behoeven misschien hulp bij het opvoeden van hun andere kinderen. Dit om te voorkomen dat de broertjes van Mo ook gaan afglijden. Zij zien Mo wellicht als hun voorbeeld.

 

1.7. Eerdere leermomenten

In de inleiding van dit verslag heb ik vermeld dat ik voor een periode van zeven maanden geplaatst werd op een afhandelunit. Die tijd heb ik doorgebracht aan het wijkteam Uithoorn. De afhandelunit handelde de kleine rechercheerbare zaken af van het wijkteam. Om het werk te leren, heb ik vooral in het begin, veel jeugdzaken afgehandeld.

Wat mij opviel tijdens de jeugdzaken, is dat de ouders/voogden van de minderjarige verdachten nauw werden betrokken bij de zaak. Na het horen van van de verdachten werden de ouders altijd ingelicht. Vervolgens werden de jeugdigen aan (een) van hen overgedragen.

Tevens was het verschil in het gedrag van de jeugdigen groot. De jeugdigen die al een reeks aan veroordelingen op hun naam hadden staan, waren doorgaans moeilijker in de omgang en zij bekenden zelden als het bewijs tegen hen gering was.

Tijdens de noodhulpstage heb ik ook zelfstandig, jeugdzaken afgehandeld. Hierin bleek altijd weer een grote rol voor de ouders weggelegd. Ik vind het een goede zaak dat de politie de verplichting heeft om de jongeren bij heenzending aan hun ouders over te dragen. Op die manier wordt de reactie van de ouders gezien door de verbalisant en kan dit vastgelegd worden in het proces verbaal van overdracht minderjarige. De Ketenunit en de raad voor de kinderbescherming, alsmede Bureau Jeugdzorg heeft dan meteen een beeld hoe de reactie van de ouders was. Indien nodig kunnen zij dan meteen de juiste hulp of onderzoeken instellen. Welke hulp en onderzoeken dit kunnen zijn, komt later in dit verslag aan bod.

 

 

 

2. ACTUELE WET- EN REGELGEVING

JEUGDSTRAFRECHT

 

2.1. Algemeen

In de Nederlandse wetgeving, vallen jeugdigen onder het jeugdstrafrecht. Er is echter geen apart Wetboek van Jeugdstrafrecht geschreven. Eigenlijk is het jeugdstrafrecht opgenomen in het reguliere Wetboek van Strafrecht. In het reguliere strafrecht, staan in het Eerste boek, Algemene Bepalingen, Titel VIIIA, een aantal bepalingen die speciaal voor jeugdigen zijn geschreven. Deze vervangen artikelen van het reguliere strafrecht, of zij gelden daarnaast. Hierin zijn bijvoorbeeld de jeugdstraffen opgenomen. Er staat onder andere in beschreven dat de jeugdige in de gelegenheid kan worden gesteld, om deel te nemen aan een project.

De belangrijkste verschillen in het jeugdstrafrecht en het reguliere strafrecht, zijn dat het jeugdstrafrecht meer gericht is op het investeren in voorkoming van verder crimineel gedrag. Hierdoor zijn de straffen vaker leer- en werkstraffen dan vrijheidsstraffen. Als deze straffen niet blijken te werken, wordt pas overgegaan op vrijheidsstraffen.

 

 

2.2. Leeftijden

Onder jeugdcriminaliteit, wordt verstaan, de criminele gedragingen, gepleegd door jongeren van 12 tot en met 24 jaar oud. Onder de 12 jaar kan iemand niet strafrechtelijk vervolgd worden. Hiervoor zijn wel hulpverleningstrajecten in het leven geroepen zoals de Stopreactie en Nieuw Perspectieven Preventief.

Het jeugdstrafrecht geldt voor jeugdigen die minimaal 12 jaar en maximaal, nog geen 18 jaar oud zijn. Toch gelden er een aantal uitzonderingen. Als een jeugdige 16- of 17 jaar oud is, kan de rechter beslissen om toch het reguliere, volwassenenstrafrecht toe te passen. Dit kan de rechter doen op grond van:

  • de ernst van het feit

    de volwassen persoonlijkheid van de dader

    de omstandigheden waaronder het feit begaan is

Een voorbeeld waarin de rechter deze uitzonderingen heeft toegepast, is dat de verdachte Murat D. als volwassene berecht is. Dit was een 17 jarige jongen die een leraar van hem heeft omgebracht door het gebruik van een vuurwapen.

Er zijn ook uitzonderingen op 18 tot 21-jarigen. Hier kan de rechter het jeugdstrafrecht toepassen op grond van:

  • de kinderlijke persoonlijkheid van de dader

    de omstandigheden waaronder het feit begaan is

     

De strafbare feiten die Mo heeft gepleegd en die bij de politie en justitie bekend zijn, vallen gezien zijn leeftijd onder jeugdcriminaliteit.

 

 

2.3. Voorkomen van strafvervolging

Na het verhoor van de verdachte, kan de politie, onder verantwoordelijkheid van de Officier van Justitie, de volgende beslissingen nemen:

  • Seponeren van de zaak

    Transactie aanbod voorstellen

    Aanbieden van een HALT-afdoening

Seponeren

Een strafzaak kan op verschillende gronden geseponeerd worden, bijvoorbeeld als er onvoldoende bewijs is tegen de verdachte, of als de verdachte ook zelf slachtoffer is geworden in de zaak. Ook een procedurefout of een te oud feit kan de oorzaak zijn van een sepot.

 

In december 2000 loopt Mo met een luchtdrukpistool over straat met een paar andere jongens. Hij intimideert een voorbijganger en richt het pistool op haar. De melding is dat er iemand wordt bedreigd met een vuurwapen. Mo en zijn medeplegers worden aangehouden. Uiteindelijk wordt de zaak geseponeerd met als reden: 'te oud feit'. Mo heeft een schriftelijke waarschuwing gekregen.

 

Transactie aanbod

Justitie kan de verdachte een schikkingsvoorstel doen, om een dagvaarding te voorkomen. De aangever moet dan schadeloos gesteld worden.

 

Mo moet voor de greep uit de kassa bij videoland, de schade vergoeden en tevens een boete (transactie) betalen om een dagvaarding te voorkomen.

 

2.4. Halt

'HALT' staat voor Het ALTernatief. Als een jongere een Halt-traject met succes heeft afgerond, voorkomt hij hiermee verdere strafvervolging. De Halt-straf bestaat meestal uit het verrichten van werkzaamheden die in relatie staan tot het begane strafbare feit. De werkzaamheden zijn onbetaald. Voorwaarden om in aanmerking te komen voor Halt, zijn opgenomen in een Algemene Maatregel van Bestuur. Een van die voorwaarden is dat de verdachte in principe geen misdrijven op zijn naam heeft staan, hij mag niet voorkomen in HKS of COMPAS. In principe mag een jeugdige maar één keer in aanmerking komen voor Halt. Behalve als er een jaar verstreken is, na de eerste keer dat de jongere voor Halt in aanmerking komt, kan daarvan afgeweken worden. Enkele Haltwaardige feiten: vandalisme, graffiti, eenvoudige- of winkeldiefstal, vernieling. Een andere voorwaarde is dat de jongere erkent dat hij het feit heeft gepleegd. Tevens moeten de ouders instemmen met de Halt-afdoening, dit alleen als de jongere jonger is dan 16 jaar. Jongeren van 16 jaar en ouder worden geacht hierin zelf te kunnen beslissen.

 

 

Ik heb gebeld met bureau Halt, om na te vragen of Mo daar bekend was. Mo kwam echter niet voor in het systeem. Het feit waarbij Mo iemand intimideerde met het luchtdrukpistool, is te zwaar geweest om nog in aanmerking te komen voor Halt.

 

2.5. Stopreactie

Jongeren onder de 12 jaar, kunnen niet strafrechtelijk vervolgd worden. Zij kunnen wel in aanmerking komen voor de STOP-reactie. STOP staat voor Steun en Opvoeding. Dit is een afdeling van bureau Halt, waar de jeugdigen het besef van hun daad bijgebracht kan worden. Te denken valt bijvoorbeeld aan het praten met mededaders onder begeleiding, en het schrijven van een excuusbrief.

 

In systemen is er niets bekend over Mo, dat hij voor zijn twaalfde jaar, in aanraking is gekomen met de politie.

 

2.6. Straffen en Maatregelen

Binnen het strafrecht wordt onderscheid gemaakt tussen straffen en maatregelen. Straffen bestaan uit hoofdstraffen en bijkomende straffen. Deze straffen worden opgelegd omdat het de dader te verwijten is wat hij heeft gepleegd. Maatregelen zijn daarnaast bedoeld om een onrechtmatige toestand te beëindigen, iemand met een psychische aandoening te behandelen en/of de maatschappij te beschermen. Zoals al eerder genoemd, is het straffenstelsel voor jeugdigen er op gericht, om te investeren in voorkoming van verder crimineel gedrag. De opvoedkundige doeleinden staan dus voorop.

Er zijn echter nog meer verschillen te noemen in het strafrecht. Minderjarigen tussen de 12 en 18 jaar, verschijnen voor de kinderrechter. De terechtzitting vindt bijna altijd achter gesloten deuren plaats in tegenstelling tot normale zittingen die bijna altijd openbaar zijn.

 

2.7. Hoofdstraffen

In geval van een misdrijf kan de rechter een gevangenisstraf opleggen. In het jaar 1995 werd het jeugdstrafrecht herzien. De maximale vrijheidsstraf voor jeugdigen werd verhoogd van 6 maanden naar 24 maanden. Dit geldt niet voor 12 t/m 15 jarigen, die kunnen maximaal 12 maanden vrijheidsstraf krijgen.

Als een jongere een misdrijf of een overtreding heeft gepleegd, kan de officier van justitie een taakstraf opleggen. Deze taakstraf kan maximaal veertig uur duren en moet binnen 3 maanden volbracht zijn. Dit wordt het officiersmodel genoemd. Deze taakstraf bestaat uit het verrichten van onbetaald werk, een werkstraf, het herstellen van de aangerichte schade of het volbrengen van een leerstraf.

De rechter kan een taakstraf van maximaal 200 uur opleggen, in combinatie met een leerstraf kan dat zelfs 240 uur zijn.

Tevens kan de rechter, in geval van een overtreding of misdrijf een geldboete opleggen. De maximale boete voor minderjarigen is sinds 1995 meerdere malen verhoogd. Ten tijden van het schrijven van mijn verslag, is de maximale boete € 3350,-. In de praktijk, legt de rechter alleen een geldboete op, indien de verdachte de boete zelf kan betalen, anders draaien de ouders voor de boete op.

 

In april 2003 heeft Mo stenen gegooid vanaf een flat, samen met anderen. Toen de aangever de jongens aan wilde houden is hij ten val gekomen en heeft hij letsel opgelopen.

 

2.8. Bijkomende straffen

Een van de bijkomende straffen is een Verbeurdverklaring. Dit houdt in, dat de rechter goederen onteigent van de veroordeelde. Het goed is vanaf dat moment eigendom van de staat. Te denken valt aan goederen waar het misdrijf mee is gepleegd, of om de opbrengst van het misdrijf.

Een andere bijkomende straf, kan een ontzegging van de rijbevoegdheid van auto en/of bromfiets. Deze straf is mede afhankelijk van het feit of de veroordeelde in het bezit is van een rijbewijs, of bromfietscertificaat.

 

2.9. Maatregelen

De jeugd TBS (voorheen TBR) is nu vervangen door de PIJ-maatregel. PIJ staat voor Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen. De duur van deze maatregel is onlangs verhoogd naar 6 jaar voor bepaalde groepen. De jongere moet dan tijdens het plegen van het feit een ziekelijke stoornis gehad hebben, of geestelijk onvermogend geweest zijn. De jongere kan geplaatst worden in een inrichting als Glen Mills of Den Engh. Vereisten om de maatregel op te kunnen leggen zijn dat er sprake moet zijn van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, de veiligheid voor personen of goederen dit vereist of indien dit in het belang is van een zo gunstig mogelijk verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechter moet hierbij het advies van tenminste twee gedragsdeskundigen in acht nemen. Het verschil tussen TBS en de PIJ-maatregel, is dat de PIJ-maatregel ook kan worden opgelegd aan volledig toerekenbare geachte veroordeelden.

Goederen die te maken hebben met het misdrijf en die ongewenst worden geacht voor de samenleving, zoals bijvoorbeeld wapens, valse valuta en drugs, worden vernietigd. Dit noemt men 'onttrekking aan het verkeer'.

 

Het luchtdrukpistool waar MO mee geïntimideerd had, is inbeslag genomen en vernietigd.

 

De veroordeelde kan ook zijn wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen worden. Dit is ook bekend als de 'Pluk-ze wetgeving'. Dit noemt men 'Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel'.

Het is mogelijk dat de rechter bepaald dat de aangerichte schade vergoed wordt door de veroordeelde. Een uitzondering hierop is dat dit niet mogelijk is indien de jongere nog geen 14 jaar oud is. Dit komt omdat de ouders van de jongere dan nog verantwoordelijk zijn voor de aangerichte schade, dit is geregeld in het Burgerlijk Wetboek.

 

2.10. Bevoegdheden Politie

Als de jongere wordt verdacht van een strafbaar feit, kan hij daarvoor worden aangehouden. Hij dient dan te worden voorgeleid bij de hulpofficier van justitie, waarna hij verhoord wordt. De ouders moeten zo snel mogelijk op de hoogte gesteld worden van de aanhouding van de jongere, omdat zij volgens de wet verantwoordelijk zijn voor hun kind. Dit is geregeld in de ambtsinstructie. Bij twijfel of de identiteit juist is van de verdachte jongere, waarvan vermoed wordt dat hij ouder is dan 12 jaar, kan het verhoor ter identificatie worden verlengd met 6 uur. Op jongeren van 12 jaar en ouder kan ook voorlopige hechtenis worden toegepast.

Jongeren onder de 12 jaar, kunnen maximaal 6 uur opgehouden worden voor verhoor. Op hen is geen verlenging van de ophouding van toepassing, ook kan er bij hen geen voorlopige hechtenis worden toegepast. Wel mag er bij hen, net als bij jongeren van 12 jaar en ouder, onderzoek worden gedaan aan de kleding en lichaam en er kan huiszoeking worden gedaan.

De jongeren hebben recht op vrij verkeer tussen hen, ouderlijk gezag en advocaat, behalve tijdens het daadwerkelijke verhoor.

 

Na het verhoor

Als een jongere is aangehouden, moet er een Landelijk Overdrachts Formulier opgemaakt worden (LOF.) Via dit formulier wordt de Raad voor de Kinderbescherming in kennis gesteld. In Amsterdam gaat dit middels een ander formulier, het PVOMINVD formulier geheten. Dit formulier geeft de ruimte om de sociale achtergrond van de jongere in kaart te brengen. Er kan vermeld worden of de jongere reeds in een hulpverleningstraject zit. Ook kan de verbalisant, de omstandigheden van het delict en de houding van de jongere ten opzichte van het delict kwijt in het formulier. Ook de reactie van de ouders staat in het formulier beschreven.

 

In april 2001 is Mo aangehouden ter zake diefstal van een zonnebril in het RAI complex. Uit het bedrijfsprocessen systeem Xpol, van de politie, blijkt dat er geen aangifte is gekomen bij de zaak. Ook is er geen overdrachtsformulier opgemaakt (nu het PVOMINVD.) Er is wel een getuigenverklaring opgenomen. Van deze zaak is niets bekend bij bureau Halt, Justitie en de Raad. Uit het politiesysteem blijkt niet wanneer Mo is heengezonden na het verhoor...

 

2.11. Ketenunit

In Amsterdam wordt elke aangehouden jongere besproken door de Ketenunit. Ik heb zelf een bespreking van de Ketenunit bijgewoond om er achter te komen hoe deze organisatie werkt. De Ketenunit bestond uit een Jeugdspecialist van de politie, een Officier van Justitie, een Hopper, een medewerker van Jeugdzorg en een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming. In een uur tijd werden 48 jongeren besproken en werd daarover een beslissing genomen. Mo werd in dit overleg niet besproken, hij was ten tijden van het delict, waarvoor ik hem heb aangehouden, meerderjarig.

De Ketenunit legt alleen taakstraffen op. De taakstraf kan dan bestaan uit een leerstraf of een ATAN (Algemene Taakstraf Ten Algemene Nutte.) Indien de jongere er voor in aanmerking komt, wordt de zaak doorgestuurd naar Halt. Bureau Halt neemt dan contact op met de ouders van de jongere. Tijdens het verhoor is de jongere al geïnformeerd over Halt. In ernstige gevallen wordt de zaak doorgestuurd naar de Officier van Justitie, zodat deze een beslissing kan nemen. Het PVOMINVD formulier wordt, nadat het is opgemaakt direct digitaal verzonden naar de Ketenunit. Op deze manier wordt zo snel mogelijk duidelijk welke acties er ondernomen kunnen worden, ten opzichte van de jongere. De Raad kan meteen beoordelen of er een BARO (Basis Raad Onderzoek) nodig is en Jeugdzorg kan meteen instanties inschakelen.

Amsterdam-Amstelland is de enige regio waarop deze manier gewerkt wordt.

 

 

3. CIVIEL RECHT

Volgens het Burgerlijk Wetboek, is het ouderlijk gezag het gezag dat over een kind wordt uitgeoefend door een of twee ouders. Volgens de wet worden met de ouders, de moeder en de vader van het kind bedoeld. Onder de moeder van het kind wordt verstaan, de vrouw uit wie een kind is geboren of de vrouw die het kind heeft geadopteerd. De vader van het kind is de echtgenoot van de moeder, mits zij getrouwd is als het kind wordt geboren, de man die het kind heeft geadopteerd of de man die het kind heeft erkend. Ook kan de man bij wie het vaderschap officieel door de rechter is vastgesteld, kan als vader worden aangemerkt.

Na een echtscheiding blijven de beide ouders het ouderlijk gezag uitoefenen. Beide ouders blijven dus zeggenschap houden over bijvoorbeeld belangrijke beslissingen omtrent het kind. Als dit problemen oplevert, zullen de ouders de rechter moeten verzoeken om hierover uitspraak te doen. De rechter zal dan het ouderlijk gezag aan een van de ouders toewijzen.

Mocht een van de ouders van het kind overlijden, dan krijgt de andere ouder automatisch het gezag over het kind. Als beide ouders overlijden, dan beslist de rechter wie de voogd over het kind wordt, behalve wanneer de ouders in een testament een voogd hebben benoemd.

 

3.1. Kinderbeschermingsmaatregelen

De vrijheid van ouders waarin zij hun kinderen opvoeden, is in Nederland beperkt. Als de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van een kind wordt bedreigd, kan de rechter het gezag van de ouders beperken of zelfs ontnemen. In principe wordt zo'n kinderbeschermingsmaatregel alleen opgelegd als vrijwillige hulpverlening onvoldoende helpt.

 

Ten opzichte van de ouders van Mo, zijn er geen kinderbeschermingsmaatregelen getroffen. Zij hebben vrijwillig hulp gekregen van Bureau Jeugdzorg.

 

3.2. De Raad voor de Kinderbescherming

De Raad voor de Kinderbescherming valt onder het Ministerie van Justitie. De raad heeft onderstaande specifieke taken:

  • Bescherming (betrokken zijn bij gezinnen waarbij opvoeden een probleem is geworden)

    Scheiding en omgang (als ouders bij hun scheiding niet zelf in staat zijn afspraken te kunnen maken over de kinderen)

    Straf (betrokken bij strafzaken van minderjarigen)

    Adoptie, afstand en afstamming (betrokken bij deze onderwerpen)

De Raad voor de Kinderbescherming doet onderzoeken naar minderjarigen die met justitie te maken krijgen. De Raad onderzoekt de thuissituatie, de schoolsituatie en de vriendenkring van de jeugdige. De Raad verzamelt deze informatie en adviseert hierop de rechter. De rechter neemt over het algemeen de adviezen van de Raad over in zijn beslissingen. De raad adviseert over het algemeen welke straf opvoedkundig het beste is.

 

 

3.5. Ondertoezichtstelling (OTS)

Het doel van de OTS is er voor te zorgen, dat de situatie waarin het kind opgroeit zo spoedig mogelijk verbetert. In de meeste gevallen wordt deze kinderbeschermingsmaatregel toegepast. Bij een OTS wordt het gezag van de ouders beperkt. Het kind en de ouders krijgen begeleiding van een gezinsvoogd. Deze houdt regelmatig contact met de ouders en helpt bij eventuele problemen. Bij belangrijke beslissingen over het kind, wordt de gezinsvoogd ingeschakeld. De gezinsvoogd kan de rechter verzoeken om het kind buiten het gezin onder te laten brengen.

 

3.6. Voorlopige Voogdij

In een situatie, waarbij de ontwikkeling van een kind in onmiddellijk in gevaar is, zoals bijvoorbeeld bij kindermishandeling, kan de kinderrechter een 'Voorlopige ondertoezichtstelling' uitspreken. Dit is een vorm van OTS en kan maximaal drie maanden duren. Het kind wordt hierbij uit het huis geplaatst en kan in een pleeggezin terechtkomen. De ouders kunnen alleen tegen de uithuisplaatsing in beroep gaan.

 

3.7. Ontheffing van de ouderlijke macht

De rechter kan, als de ouders niet bij machte zijn om hun kind op te voeden en de ontwikkeling van het kind daarbij in het gedrang komt, de verantwoordelijkheid om het kind op te voeden aan een ander toewijzen. Meestal wordt deze verantwoordelijkheid dan toegewezen aan een voogdij-instelling, deze krijgt dan het wettelijk gezag over het kind. Het kind zal dan geplaatst worden in een kindertehuis of een pleeggezin. De ouders hebben dan officieel niets meer over hun kind te beslissen, maar zij blijven dan wel zoveel mogelijk betrokken bij hun kind.

 

3.8. Ontzetting van de ouderlijke macht

De rechter kan, op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, de ouders uit hun ouderlijk gezag zetten. Dit is een zwaardere maatregel dan de ontheffing van de ouderlijke macht. Dit komt dan ook alleen voor als ouders hun kind ernstig verwaarlozen of hun ouderschap misbruiken. De ouders willen geen medewerking verlenen om tot een oplossing te komen en er is sprake van verwijtbaar gedrag.

Meestal krijgt een voogdij-instelling het wettelijk gezag over het kind. Het kind wordt dan ook geplaatst in een kindertehuis of in een pleeggezin.

 

3.9. Voorlopige kinderbeschermingsmaatregel

Het openbaar ministerie of de Raad voor de Kinderbescherming kan de rechter verzoeken om een voorlopige kinderbeschermingsmaatregel uit te spreken. Op deze manier kan een kind, als het in een crisissituatie bevindt, heel snel uit huis geplaatst worden. Op deze manier wordt het belang van het kind voorop gesteld en hoeft het niet te wachten op alle procedures om een daadwerkelijke maatregel in werking te zetten. Kinderen worden dan onder voorlopige voogdij gesteld. Tijdens de maatregel moet er dan onderzocht worden of er verdere maatregelen opgestart moeten worden.

 

3.10. Herstel gezag

De ouders en de Raad voor de Kinderbescherming kunnen de rechter verzoeken om het ouderlijk gezag weer te herstellen. De rechter zal hier mee in kunnen stemmen indien hij er van overtuigd is dat de ouders de verantwoordelijkheid weer aankunnen om hun kind op te voeden.

 

 

4. BETROKKEN ORGANISATIES

 

4.1. Bureau Jeugdzorg

Bureau Jeugdzorg is een overkoepelende organisatie van een aantal instellingen. Per 1 januari 2005 is de Wet op de Jeugdzorg ingevoerd. Hiermee wil het Ministerie van Justitie bereiken dat er gestructureerder en cliëntgerichter zal worden gewerkt binnen de Jeugdzorg. Op dit moment kent het bureau Jeugdzorg nog 99 vestigingen, maar dit zal in de toekomst worden teruggebracht.

Bureau Jeugdzorg heeft twee kerntaken: jeugdbescherming (voogdij en jeugdreclassering) en vrijwillige hulpverlening.

Hieronder noem ik een aantal afdelingen van Jeugdzorg, met een korte beschrijving:

  • Jongereninformatie punt: hier kunnen jongeren terecht over actuele informatie omtrent jeugd.

    Kinder- en Jongerenrechtswinkel: hier kunnen jongeren terecht voor juridische adviezen.

    FIOM team: deze instelling biedt hulp aan zwangere jonge vrouwen bij wie de komst van de baby een probleem wordt. Ook de jongens die bij de zwangerschap betrokken zijn, kunnen hier terecht. Er wordt tevens hulp geboden aan jongeren die op zoek zijn naar hun biologische ouders. Ook wordt er hulp geboden aan adoptie-ouders die vragen hebben over het geadopteerd zijn van hun kind(eren.)

    AMK: Het AMK staat voor Advies en Meldpunt Kindermishandeling. Bij deze instelling kunnen mensen terecht als zij melding willen doen, of het vermoeden hebben van kindermishandeling. Ook kunnen zij hier advies inwinnen over kindermishandeling.

     

Naar aanleiding van de mishandeling van Mo door zijn vader, heeft het JZP contact gehad met het AMK. Het AMK stelde voor dat de ouders van Mo eerst vrijwillig hulp moesten zoeken bij Bureau Jeugdzorg, alvorens een rapport opgemaakt zou moeten worden voor het AMK. JZP heeft ook een gesprek gehad met de ouders van MO.

 

  • Gezinsvoogdij: Als een jeugdige onder toezicht is geplaatst, wordt er vanuit deze afdeling van Bureau Jeugdzorg een voogd toegewezen.

    Project Tegendraads: biedt opvoedkundige ondersteuning aan ouders.

     

Aan de ouders van Mo is het Project Tegendraads aangeboden, daar het gezin nog jonge kinderen heeft. Dit ter voorkoming dat deze kinderen ook ontsporen.

 

  • Jeugdreclassering: De Jeugdreclassering biedt hulp aan jongeren van 12 t/m 18 jaar oud, die met Justitie of politie in aanraking zijn gekomen. De medewerker van Jeugdzorg ziet er op toe dat de afspraken met de rechter nagekomen worden. Tevens houdt hij toezicht en geeft hij begeleiding, hulp en steun aan de jeugdige en zijn ouders. Dit wordt ook wel de maatregel van hulp en steun genoemd.

     

     

     

In de maand mei 2001 heeft de RvdK, naar aanleiding van de bedreiging met het luchtdrukpistool, de opdracht gegeven aan de Jeugd Reclassering om een begeleidingsplan op te stellen ten aanzien van Mo. Tevens vindt er een BARO plaats (Basis Raad Onderzoek) Het doel van het plan luidt als volgt: het voorkomen van verdere contacten met politie en justitie, van Mo, door middel van ondersteuning, controle en toezicht in het kader van een opdracht ‘Toezicht en Begeleiding’.

 

 

4.2. De Inspectie Jeugdzorg

De Inspectie Jeugdzorg valt onder de ministeries van VWS en Justitie. Zij werkt in alle provincies en controleert het werk van de volgende organisaties:

  • Bureau Jeugdzorg

    Instellingen voor de jeugdhulpverlening

    De Raad voor de Kinderbescherming

    De Justitiële Jeugdinrichtingen

    De organisaties voor adoptie uit andere landen

    De opvang en voogdij van alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA'S)

De inspectie controleert of de instellingen voldoen aan de wettelijke eisen. Hun rapporten zijn zoveel mogelijk openbaar. Zij kunnen voorstellen doen aan de instanties om verbeteringen te maken. Na enige tijd wordt er dan gecontroleerd of de verbeteringen zijn doorgevoerd.

 

4.3. Overige Jeugdinstellingen

  • Nieuwe Perspectieven: Nieuwe Perspectieven is een instelling die op vrijwillige basis met de jongere aan de slag gaat om deze weer op het rechte pad te krijgen. Er worden duidelijke afspraken gemaakt met de jongere en NP kan bemiddelen om de invulling van zijn dag op orde te krijgen.

    Streetcornerwork: De medewerkers van Streetcornerwork staan dicht bij de jongeren. Zij gaan actief de straat op en komen in buurthuizen om probleemjongeren te adviseren. Zij werken nauw samen met Nieuw Perspectieven.

     

     

Mo gaat eind december 2005 naar Nieuwe Perspectieven. Hij legt daar contact met een medewerker en wil zijn leven beteren. Nieuwe Perspectieven brengt zijn sociale kaart in beeld en legt contact met zijn school en werkgever. Tevens heeft Mo contact met Streetcornerwork. Mo heeft kans om op zichzelf te gaan wonen door een begeleid wonen project, via Streetcornerwork.

 

5.1. Ontwikkelfasen

In de ontwikkelingspsychologie is er veelvuldig onderzoek gedaan naar de ontwikkelingsfasen van de mens. Deze fasen kunnen onderverdeeld worden in de volgende leeftijdscategorieën:

  • De prenatale fase (bevruchting - geboorte)

    De lichamelijke fase (geboorte - 1/1,5 jaar)

    De affectieve fase (1/1,5 jaar - 2,5/3 jaar)

    De cognitieve fase (2,5/3 jaar - 6 jaar)

    De sociale fase (6 - 12 jaar)

    De ethische, esthetische en religieuze fase (12 - 20/22 jaar)

    De integratiefase (adolescentie) (20/22 - 60 jaar)

    De bejaarde volwassenheid/ouderdom (60 jaar - overlijden)

De lichamelijke fase

In deze fase is het belangrijk dat het kind veel lichamelijke aandacht krijgt, als dit niet gebeurt, gaat het kind zich onveilig voelen. Het heeft invloed op de vertrouwensband tussen de ouders en het kind en op de zelfverzekerdheid van het kind.

 

De affectieve fase

Tijdens deze fase zoekt het kind aantrekking bij zijn ouders en wil betrokken worden bij het gezin. Het kind heeft behoefte aan genegenheid en geborgenheid. In deze fase is het belangrijk dat het kind de normen mee krijgt van de ouders.

 

De cognitieve fase

Hierin staan de verbale en de verstandelijke behoefte van het kind centraal. Het kind wil ervaren en ontdekken en krijgt hiervoor de ruimte (basisschool.) Het kind ontwikkelt denkpatronen en leert van een afstand naar zijn omgeving te kijken.

 

De sociale fase

Het kind richt zich op zijn leeftijdsgenoten. Het kind zal zich verstoten voelen als hij geen voldoende aansluiting vindt. Het maken van vriendjes en vriendinnetjes is in deze fase heel belangrijk.

 

De ethische, esthetische en religieuze fase

Het kind richt zich op zichzelf en maakt eigen keuzes, bijvoorbeeld tussen goed en kwaad, mooi en lelijk, religie enz. Het kind vindt het belangrijk om ergens bij te horen en ontwikkelt op die manier de behoefte tot maatschappelijke betrokkenheid. Het kind leert veel over oorzaak en gevolg.

 

De integratiefase

In de laatste fase van het leven van de jongere vindt een integratie plaats van de voorafgaande fasen en wordt de persoonlijkheid gevormd. Negatieve ervaringen uit de vorige fasen worden meegenomen en beïnvloeden hun persoonlijkheid.

 

 

5.2. Niveaus van ontwikkeling, socialisatie

Kinderen kunnen zich op verschillende niveaus ontwikkelen. Deze niveaus worden het Micro, Meso en Macro niveau genoemd.

  • Microniveau: dit betreft de naaste omgeving van kinderen, het gezin. Tijdens de affectieve fase, waarin kinderen heel veel behoefte hebben aan lichamelijk contact met de ouders, speelt dit microniveau een grote rol.

    Mesoniveau: dit betreft de schoolomgeving van kinderen. Hier leren de kinderen datgene dat hen aangeboden wordt, in een tempo dat door anderen wordt bepaald. Structuur en het leren leren wordt hen bij gebracht.

    Macroniveau: dit is de wereld buiten het gezin en buiten de school om.

In de maand februari 1999, komt Mo naar het politiebureau met het verhaal dat hij niet meer naar huis wil, omdat hij dagelijks mishandeld zou worden door zijn vader, met een riem en een schoen. Mo heeft nog zichtbare verwondingen in zijn gezicht. Het mobiele crisisteam (tegenwoordig Vangnet Jeugd) komt naar het bureau om te praten met Mo. Hij vertelt dat hij ook soms aan handen en voeten wordt vastgebonden en in een volle badkuip onder water wordt geduwd. De reden dat zijn vader hem mishandelt is dat hij niet in de Koran wil lezen na schooltijd. Tevens komt het JZP ter plaatse aan het bureau, om te praten met Mo.

 

Thuissituatie

Het gezin van Mo bestaat uit zijn 2 jongere broertjes, twee oudere en vier jongere zusjes. Zijn vader en moeder zijn geboren in Marokko. De vader bepaalt uiteindelijk wat er gebeurt binnen het gezin. De vader van Mo vindt religie heel belangrijk en houdt er harde opvoedingsmethoden op na (mishandeling.) Door de mishandelingen van zijn vader zal Mo zich niet veilig en niet gerespecteerd gevoeld hebben. Dit zal ongetwijfeld geleid hebben tot een storing in zijn emotionele en sociale ontwikkeling.

 

Autoriteit

Door de verschillende opvattingen die Mo heeft ten opzichte van zijn vader en de daaropvolgende mishandelingen, wordt de kloof tussen Mo en zijn vader groter. Kennelijk verliest hij respect voor zijn vader. Hij is steeds minder thuis en uiteindelijk slaapt hij op een ander adres. Hierbij kan Mo zijn gedrags- en autoriteitsproblemen ontwikkeld hebben.

 

Cultuur

Eigenlijk is Mo binnen twee verschillende culturen opgegroeid. Dit zal ongetwijfeld tot botsingen thuis geleid hebben. Hierdoor zijn er op micro- en mesoniveau problemen ontstaan in de ontwikkeling van Mo.

 

School

Na de basisschool, vertoonde Mo duidelijk gedragsproblemen. Hij is een moeilijk lerende leerling en wordt geplaatst op een ZMOK-school. Zijn problemen ten opzichte van autoriteit en gezag komen hier duidelijk tot uiting. Leraren hebben weinig vat op Mo.

 

Vrienden

Mo is veel op straat en komt zo min mogelijk thuis in zijn jeugd. Hij komt hierbij in aanraking met jongeren die ook vaak in aanraking komen met de politie. De normen en waarden van hem worden vooral bepaald door de groep waar hij mee omgaat. Hij zet zich af tegen leraren en zijn ouders.

 

6.1. Conclusies en reflectie

Nadat Mo het bureau binnen kwam, met het verhaal dat hij mishandeld was, is hij naar mijn mening goed opgevangen. De Jeugd en Zedenpolitie heeft een uitgebreid rapport opgemaakt. Tevens hebben zij contact opgenomen met het AMK en met de ouders. Ook Jeugdzorg zou benaderd zijn, om de hulpverlening in gang te zetten.

Ik heb Mo aangehouden voor de diefstal uit de videotheek. Ter voorbereiding heb ik informatie ingewonnen uit Xpol, om een beeld te krijgen van wat hij allemaal op zijn kerfstok had. Tevens heb ik gesproken met de jeugdspecialist van het bureau. Zij heeft mij kunnen vertellen wat voor een jongen Mo is en wat een goede verhoormethode zou kunnen zijn.

Al met al hebben deze voorbereidingen geleid tot goed contact met Mo. Hij heeft uitvoerig verteld over het delict. Hij bekende het feit te hebben gepleegd en wat zijn redenen waren, ondanks dat het bewijs van onze kant minimaal was.

Het goede contact met Mo heeft er ook toe bijgedragen dat ik zijn toestemming kreeg om informatie in te winnen bij Nieuwe Perspectieven. Hierdoor kon ik uitvoerig spreken met zijn begeleider, hij heeft mij hierdoor ook zijn persoonlijke mening en visie omtrent Mo verteld.

Door het uitgebreide sociale verhoor dat ik heb gedaan bij Mo, kan ik stellen dat hij inzicht heeft gekregen in het meewerken met politie, justitie en hulpverlening. Mo vertelde dat hij heel blij was dat hij kans had op een woning, via Streetcornerwork. Van Nieuwe Perspectieven heeft hij een aantal handvatten gekregen hoe hij in zijn leven meer structuur kan brengen.

 

6.2. Kritiek en Advies

Tijdens mijn bezoek aan de Raad voor de Kinderbescherming, verbaasde het mij dat er niets bekend was over de mishandeling van Mo. Volgens het rapport van de Jeugd en Zedenpolitie, heeft de JZP contact gehad met het AMK. Het AMK stelde voor dat er geen officiële melding gemaakt zou worden bij het AMK, tenzij de ouders geen vrijwillige hulpverlening zouden inschakelen. Ik heb in het dossier van Mo, niet kunnen terugvinden dat de ouders, naar aanleiding van de melding van Mo, een hulpverleningstraject ingegaan zijn.

Ik ben van mening dat meldingen van mishandelingen van kinderen, bekend moeten zijn bij de Raad voor de Kinderbescherming. Tijdens de Baro's is hier geen rekening mee gehouden. Toen Mo en zijn ouders een hulpverleningstraject zaten, zou het kunnen zijn dat Mo onder druk is gezet. Ik vond de melding van de mishandeling van Mo serieus te noemen, omdat hij zichtbare verwondingen had.

In de tijd dat Mo in een begeleidingstraject zat van de Jeugd Reclassering, is Mo nog een keer aangehouden door collega's. Hij werd verdacht van het plegen van een eenvoudige diefstal. In het politiesysteem heb ik een getuigenverhoor en een aanhoudingsverbaal terug kunnen vinden. De aangifte ontbrak in de zaak. Waarschijnlijk is Mo hierop heengezonden. Er is echter niet terug te vinden in de toelichting van de zaak, wat de reden is geweest van het ontbreken van de aangifte. Tevens de 'heenzending' van Mo niet vermeld in de zaak.

Ook is het niet bekend of Mo is overgedragen aan zijn ouders. Bij de Raad was niets bekend over deze zaak. Kennelijk heeft de politie geen contact opgenomen met Bureau Jeugdzorg, of is er ergens anders een miscommunicatie geweest.

Ik vind het een goede zaak dat er nu gebruik wordt gemaakt van het PVOMINVD formulier. Dit formulier zorgt er voor dat de nodige informatie wordt overgebracht naar de Ketenunit, ook als een zaak niet hard gemaakt kan worden.

 

6.3. Vernieuwende aanpak

Ik ben van mening dat de aanpak van Jeugdproblematiek een moeilijke zaak is. De Jeugdhulpverlening is vaak gericht op het individu. De jeugdcriminaliteit wordt echter vaak gepleegd door groepen jeugd. Sinds kort is de shortlist Ferwerda in het leven geroepen om overlastgevende en criminele jeugdgroepen in kaart te brengen. Op deze manier wordt duidelijk gemaakt bij wie de verantwoordelijkheid ligt, om de problemen aan te pakken, bij politie en justitie of bij het stadsdeel.

Sinds 1 januari 2005 is de wet op de Jeugdzorg in werking getreden. Het grootste doel van deze wet is de totstandkoming van één loket. Via dit loket wordt de cliënt doorverwezen naar de juiste instantie.

Sinds een paar jaar wordt bij alle aangehouden jongeren, een PVOMINVD-formulier opgemaakt. Dit formulier wordt besproken door de Ketenunit, waarop er snel kan worden ingegrepen door de verschillende partners van de Ketenunit. Door deze werkwijze worden jongeren scherp in de gaten gehouden. Fouten, zoals hierboven beschreven onder het kopje 'kritiek', waarbij er niets bekend is geworden bij de Jeugd Reclassering, dat Mo in aanraking was gekomen bij de politie, worden hiermee nagenoeg voorkomen.

 

6.4. Succesfactoren

Mo is goed opgevangen toen hij melding deed van de mishandeling. Ook de Jeugd en Zedenpolitie heeft naar mijn mening de zaak serieus opgepakt.

Sinds de tijd dat het PVOMINVD is ingevoerd in Amsterdam, is er een duidelijk beeld ontstaan van Mo. Hierop kon de aanpak door de reclassering goed aansluiting vinden met zijn leefsituatie van.

Mo heeft veel baat bij zijn begeleiding bij Nieuwe Perspectieven. Nieuwe Perspectieven kan hem structuur en advies geven. Door deze steun en adviezen, leert Mo nu op zijn eigen benen staan. Hij krijgt hulp bij het indelen van zijn weken en dagen.

Op straat en in het buurthuis is Mo benaderd door Streetcornerwork. Door het contact met Streetcornerwork heeft Mo nu uitzicht op een project begeleid wonen.

Mo kwam netjes over tijdens het verhoor. Ik kan stellen dat Mo in de loop der tijd heeft geleerd dat hij beter kan meewerken met politie, zodat ook zij nog wat voor hem kan betekenen. Mo vertelde dat hij zeer te spreken was over Nieuwe Perspectieven en Streetcornerwork. Het gaat nu goed op school en hij heeft een positief beeld over zijn toekomst.

 

6.5. Leermomenten

Tijdens het maken van dit jeugdverslag, heb ik mij meerdere malen moeten verdiepen in de materie die hierin beschreven staat. Ik had al veel kennis opgedaan van de actuele wet- en regelgeving tijdens mijn loopbaan bij de politie, maar nu weet ik ook waarom bepaalde dingen anders geregeld zijn voor jeugdigen. Doordat ik met Mo in contact ben gekomen, weet ik nu zijn visie op de jeugdhulpverlening. Mijn eigen vooroordelen ten opzichte van de jeugdhulpverlening, heb ik bijgesteld. Ik dacht namelijk dat de jeugdhulpverlening nogal ongestructureerd en onsamenhangend was.

 

 

Ik heb gezien, tijdens mijn bezoek aan de Raad voor de Kinderbescherming dat alles wat een jongere aan hulpverlening krijgt, wordt bijgehouden in een dossier. Als een jongere bekend is bij justitie, weet men dus wat hij al heeft gekregen aan hulpverlening. Verslagen van resultaten en rapporten van de jeugdreclassering, geven een goed beeld van de jongere. Zo kan men dus bij een volgende straf, goed inschatten wat een goed effect zal hebben op de jongere.

De verschillen tussen het jeugdstrafrecht en het reguliere strafrecht zijn mij duidelijk geworden. Ik weet nu ook waarom die verschillen er zijn. Jongeren hebben een andere belevingswereld. Daarom kunnen ingrijpende maatregelen een grote impact hebben op het toekomstige gedrag van de jongere. Dat is de reden dat de wetten verschillen in bepaalde opzichten. De jeugdwetgeving is meer gericht op het investeren in voorkoming van verder crimineel gedrag. Dit heeft tot gevolg dat er vaker gekozen wordt voor werkstraffen die vaak in relatie staan tot het gepleegde feit. Deze straffen hebben als doel dat de jongere zich bewuster wordt van hetgeen dat hij fout heeft gedaan.

Ik zal in de toekomst met een andere bril op naar hulpbehoevende jongeren kijken. Ik ben mijn veel bewuster geworden van mijn plicht als politieambtenaar om zaken te melden bij bijvoorbeeld het AMK of de Raad voor de Kinderbescherming.

Ik ben mij er nu van bewust dat ik jeugdige slachtoffers of hulpbehoevenden, na de eerste opvang, dien door te verwijzen naar de juiste instanties. Als ik terug kijk naar een aantal meldingen, waar ik in mijn loopbaan geweest ben, dan had ik in een aantal gevallen melding kunnen doen bij het AMK.

Ik zal voortaan met een andere visie naar jeugdigen kijken. Ik zal bijvoorbeeld meer rekening houden met de ontwikkelingsfasen waarin de jeugdigen zich bevinden. Tevens zal ik de situatie waarin de jeugdigen zich verkeren mee nemen in beslissingen die ik neem op straat.

Ik kan stellen dat ik mijn vooropgestelde leerdoelen heb behaald en dat ik anders heb leren kijken naar het Jeugdstrafrecht en de Jeugdzorg in het algemeen.

 

6.6. Eigen rol

Door het volgen van deze opleiding en het behalen van mijn leerdoelen kan ik meer betekenen voor de Jeugd en voor Jeugdgerelateerde strafzaken. Waar ik vroeger voor naar een Jeugdspecialist moest gaan om informatie te vergaren over werkwijzen en instellingen, kan ik nu adviezen geven aan collega's. Wat kennis betreft heb ik veel gewonnen.

In het kader van preventie weet ik de juiste instellingen te benaderen. Als ik dingen signaleer bij een jeugdige, waarvan ik denk dat hij nog wel eens in de problemen met politie en justitie kan geraken, dan zou ik de jeugdige in contact kunnen brengen met Nieuwe Perspectieven Preventief. Hierdoor zou de jongere op het juiste pad kunnen geraken c.q. blijven.

Als ik het vermoeden heb dat minderjarigen aan het spijbelen zijn, weet ik nu dat ik na contact te hebben gelegd met de school, een leerplichtambtenaar kan inschakelen.

 

6.7. Conclusie

Kennis is macht. Zo werkt het ook bij jeugdigen. Het maakt veel verschil heel veel of zij weten waar je over praat. Jeugdigen voelen zich sneller begrepen als zij het idee hebben, dat je hun situatie en ontwikkelingsfase in acht neemt. Dit zal bijdragen aan een goed contact. Dat goede contact is van wezenlijk belang, om zowel repressief als preventief, iets te bewerkstelligen. Het zal resulteren in wederzijds respect, de basis voor een gezonde maatschappij.

Soms hoor je mensen zeggen dat 'het nooit meer goed komt' met criminele jongeren. Toch denk ik dat ieder mens op zijn manier zijn geluk wil vinden. Als je jongeren op tijd uit een nare situatie kan halen, zodat zij ook de kans krijgen op zichzelf te ontplooien, is het mijns inziens mogelijk om een groot deel van de criminele jongeren nog op het rechte pad te krijgen.

Mijn studie over jeugdwetgeving, jeugdzorg en ontwikkelingspsychologie, heeft er voor gezorgd dat ik nu meerdere brillen kan opzetten, als ik jeugd bekijk vanuit mijn beroep. Ieder gevolg heeft zijn oorzaak. En vaak wordt er door collega's gedacht aan het gevolg, terwijl de oorzaak niet wordt belicht.

 

7. Bronvermelding

Om dit verslag te schrijven heb ik gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

  • Verschillende wetboeken

    Folders van verschillende Jeugdinstellingen

    Internetsites van Jeugdinstellingen

    Handouts

     

Reacties (10) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
TOP!
Eh via mij had die info ook kunnen komen heur :P
bij mij betreft het mijn 12,5 jubileum ;) Dat ga ik niet vieren. Ervaring heb ik ondertussen genoeg. Jij zal het ongetwijfeld herkennen, als ik je zeg dat ik werkweken heb meegemaakt, waarin ik dingen heb gezien, geroken en gedaan, wat een gemiddeld mens niet eens in een heel leven tegenkomt.
Dan Ben je een ervaren diender.
Ik heb mijn ambtsjubileum (25 jr) niet in districtsverband gevierd maar alleen met mijn dienstgroep.
Dat goedbedoelde geslijm, om als districtschef in de belangstelling te komen, heb ik niet aan mee gedaan.
Privé heb ik het wel gevierd met het gezin.
Een duim omhoog. Je hebt er in ieder geval je best voor gedaan en ook hier op Plazilla.
Ben blij dat ik nog de oude politieopleiding heb gedaan (1977) Om nu een splinternieuwe diender hier al mee op te zadelen?
Suc6 verder van de oud brigadier.
ach... splinternieuw, ik krijg over een jaartje al weer mijn eerste
ambtsjubileum. Waarschijnlijk een kleine snabbel, een bosje bloemen en een pen ;)
Goed verslag! Het geeft een heldere blik van de manier waarop we in Nederland proberen 'moeilijke' jongeren op het rechte pad te krijgen. Zelf zou ik het in wat kortere vervolgartikelen hebben opgeknipt.
Vraagje waar heb je dit in godsnaam gekopieerd?
Ik denk gewoon uit zijn eigen stageverslag!
zie mijn reactie hierboven :D
haha dit was mijn eindverslag van mijn politie-opleiding, onderdeel 'jeugd'
Dit soort verslagen moeten sudenten niveau 4 nog steeds maken en er examen voor doen. Ik ben er zeer ruim mee geslaagd.