De kerk in het midden laten (2)

Door Weltevree gepubliceerd op Saturday 04 January 14:13

Hoofdstuk 28

Uitgeslapen ontwaken we zonder wekker en na het snelle poezenwasje ontbijten we op bed met broodjes van gisteren. Honing en de toen gekochte smurrie uit het blikje heeft niets weg van leverpastei. We snakken naar een kop sterke koffie, maar een flesje bronwater spoelt de smaak ook prima weg en als Ali ons om tien uur ophaalt staat Pattie frisgewassen voor de ingang.

“Hallo Pee, goed geslapen, meis?” Ze lijkt in een goed humeur en knikt.

“Al iets gegeten?” vraagt EmjE, want wij hadden de fourage op de kamer. Of ze heeft ontbeten blijft onduidelijk, want het idee om de weekmarkt te bezoeken ziet ze helemaal zitten. Terwijl we in de Jeep onze vaste plaatsen innemen vraag ik me voor de zoveelste keer af hoe zij deze vakantie ervaart. Eenzaam? Ik zou me zeer ongemakkelijk buitengesloten voelen, maar misschien vindt zij het juist aangenaam?

We rijden stapvoets en het is doodstil in de auto. We zijn met stomheid geslagen om het unieke uitzicht, want wat we in het ochtendlicht aanschouwen is adembenemend. Lalibella kruipt als een kunstzinnige illustratie uit een sprookjesboek met dit verschil dat alles beweegt. Er zijn al veel mensen op de been in de frisse nevels van het ontwakende plaatsje. Talloze ezels huppen ritmisch met hun vrachtje over smalle looppaden. Witte omslagdoeken overheersen het beeld, met af en toe ook wat blauwe, “Kijk jongens, hier verschijnen de eerste los geweven stoffen in die typische mistige denim kleur, kenmerkend voor het Noorden (Tigrij),” speel ik voor gids. Verharde wegen zijn er niet, maar vanwege de vochtige lucht is het toch nog niet stoffig en EmjE wijst naar de geulen van drooggevallen beekjes die lukraak de donkerrode aarde doorklieven. Om de haverklap zijn er houten bruggetjes overheen getimmerd en de kriskras rondgestrooide, op natuurlijke wijze ontstane,  paadjes lijken zonder logisch verband de hele stad te doorkruisen. Ali rijdt voorzichtig laverend over ‘de ringweg’ om Lalibella heen, een breed zandpad met gevaarlijk diepe kuilen. De stad bestaat inderdaad voor een groot deel uit de dubbele stenen tukuls met rieten daken. Hutje bij mutje, soms pal tegen elkaar is alles vol gebouwd. Ronde stenen huizen, afgewisseld met lemen kubussen waarop de gegolfde dakplaten perfect de passende aardetinten hebben aangenomen. Hier en daar is er een tuintje tussen gefrommeld met wat bloeiende struiken. Het bedevaartsoord waarin kerken zijn verstopt ligt als natuurlijke begroeiing tegen de voet van de berg die door zijn typisch vorm van tientallen kilometers afstand Lalibella markeert. De groene bergtop warmt zich aan een waterig zonnetje, maar na een kwartiertje rijden hebben we noch de markt noch een herkenbaar centrum ontdekt. Nog bedauwd lijkt de aarde donkerbruin en de geuren die door de open ramen naar binnen zweven zijn talrijk, sterk en divers, maar vooral zeer nadrukkelijk aanwezig.

Halverwege passeren we geïmproviseerde tentjes van bouwplastic op palen.

“Lalibella camping. Zij pelgrims, komen lang lopen om te bezoek de acht kerken, groot en klein. Zij veel respect krijgen.” Het blijkt 'normaal' dat 'gelovigen' hier de nacht doorbrengen, Niemand die hen lastig valt want zij worden gerespecteerd. Bij de idee dat zoveel mensen bij amper zes graden boven nul onder de blote hemel hebben geslapen, huiver ik. “Kerken beter voor morgen,” fluistert Ali tegen mij. Kennelijk is hij van gedachten veranderd, denk ik als hij de Toyota Jeep op een onguur ‘pleintje’ parkeert. Er staat een blauw  bord met een hand geschilderde witte P bij een onregelmatig houten hek. “Geen zorgen , miss Dora, alles hier oké , eerlijk, geen stelen,” zegt Ali wijzend naar een vale voddenbaal op tanige dunne benen en blote voeten, die de zeer gewaardeerde parkeerwacht blijkt te zijn.

Vanaf hier moeten we te voet verder, horen we. “Of per ezel, haha,” probeert Ali, maar als ik zie hoe die beesten met een noodgang het zandpad afrennen voel ik bij voorbaat alle gebroken botten al. Van gezellig kraampjes is niets te zien en we staan nog niet naast de wagen of uit het struikgewas om de vlakke zanderige inham, komt een horde halfnaakte kleintjes om ons op de orde der bedelende bende te trakteren. We lijken wel popsterren wiens fans op allerlei manieren proberen onze aandacht te trekken. Ik ben door de wol geverfd, mij laten ze al snel met rust, mar de dames moet wennen aan het voortdurende gepluk aan jas, tas en het gejengel er niet is Met moeite onderdruk de neiging om niet in Nederlands te schreeuwen: “Allemaal opgekrast! Ga bij je moeder voor de deur spelen.” Onophoudelijk worden we vergezeld door een zielig kermende manke man die op houten krukken met ons mee hinkt.

Pee loopt zich hard te maken teneinde het smeken (Birr, missie Birr, gif mie Birr) het hoofd te bieden. Pal naast Ali, die zich nergens door af laat leiden,  alsof ze hem meteen op de rug zal springen zodra ze zich niet meer beheersen kan.. Nogmaals vertel ik dat men het best geen aandacht aan hen schenkt, “want ze verdwijnen het snelst als je laat merken dat er niets komt.” Ze bekijkt ne vernietigend, alsof ik totaal gespeend ben van enig meegevoel . Wordt dan maar door scha en schande wijs, ongezellig taartje eigenwijs .

Van voor en achter komen we ogen te kort in het ruige en toch ook vriendelijke groene berglandschap.

Marktkooplieden met een beetje aanzien laten hun waren door ingehuurde jongens naar de kramen brengen. Daarnaast halen ons op de steile weg naar beneden de meest interessante mensen in en talrijke ezels, die bepakt en zwaar beladen voorbij draven, hardhandig met een stok aangespoord door hun even hard rennende drijvers. Onze gids,  zegt dat niemand in Lalibella slechte dingen wil, “ want christenen stelen niet.”

Liepen we eerst onder een strak blauwe lucht, binnen vijf minuten pakken zwarte wolken boven ons samen en niet lang daarna breekt een geweldige stortbui los. Paraplu’s hebben we niet en binnen de kortste keren verandert het brede stoffige pad in een glibberige modderpoel wat niemand van de bewoners schijnt te deren. Ze soppen onder regenschermen zonder uit te glijden haastig aan ons voorbij terwijl we onder een breede Eucalyptus schuilen. Daarmee liet de Ethiopische keizer ooit het halve rijk vol poten omdat deze bomen razendsnel groeien en voldoen aan de grote houtbehoefte. Ik krijg doorweekt lachwekkende visioenen van hoe onflatteus ik met mijn goeie goed in de kleizooi spartel, maar het klaart gelukkig snel op. Al zakken we tot aan de enkels met de beste wandelschoenen in de modder, we glibberen moedig verder om uiteindelijk de laatste bocht te bereiken. Dan pas blijkt ons modderbad de moeite waard te zijn geweest. 

Vervolg

Reacties (6) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
En nu de reactie van Pee ... in de regen !
Waar een eucalyptus al niet goed voor is.....
Benieuwd hoe peetje dit ervaart
Het gemor schrijdt voort!
'christenen stelen niet' ? Goedgelovig?