Wat is extraversie?

Door DWS gepubliceerd op Monday 03 December 23:51

 

Extraversie

De term extraversie werd voor het eerst door C.G. Jung in de psychologie gebracht, maar Jung beschreef deze karaktertrek niet zo gedetailleerd als Eysenck dat deed. Extraversie is één van de persoonlijkheidstrekken uit de ‘Big Five’ van Eysenck. De meeste mensen zullen zeggen dat extraverten, mensen zijn die heel veel feesten, mensen die sociaal, dominant en avontuurlijk zijn. Dit is een te simplistisch beeld over extraverten. Deze kenmerken van de persoonlijkheidstrek extraversie zijn waar, maar verklaren de biologische basis niet. Eysenck beschreef extraversie eerst door middel van exitatie en inhibitie. Hierbij stelde Eysenck dat extraverten meer inhiberend zijn, waardoor ze meer exitatie zoeken. Introverten hebben dus een hogere mate van exitatie, waardoor ze meer inhibitie zoeken. Deze theorie werd later geformuleerd naar de arousal hypothese. Eysenck stelt dat extraverten onder het optimale niveau van arousal zitten en dat ze hierdoor een ‘optimale level van arousal’ zoeken door te feesten en aan veel activiteiten mee te doen.

De arousal theorie geeft aan dat er een verschil is tussen extraverten en introverten als het gaat om prestatie. Extraverten zouden beter in zeer opwindende situaties presteren, omdat ze minder gevoelig zijn voor ‘arousability’ en introverten zouden beter in lage arousal situaties presteren, omdat ze minder gevoelig zijn voor ‘underarousability’. Dus, extraverten zouden bijvoorbeeld beter in een drukke omgeving met veel mensen en harde muziek voor een tentamen kunnen leren dan introverten. Andersom,  introverten zouden beter in een rustige omgeving, bijvoorbeeld in een bibliotheek kunnen studeren dan extraverten.

Een belangrijke vraag die Zuckerman zich stelde was waarom extraverten een optimale level van arousal zoeken en dus, waarom zij onder de optimale level van arousal zitten. In het onderzoek van Zuckerman en Haber (1965) blijkt dat mensen die veel sensatie zoeken (extraverten) lage monoamine oxidase (MAO)-niveaus in hun bloed hebben. Dit is een enzym die zorgt voor de afbraak van neurotransmitters die vrijgegeven worden door synapsen. Deze neurotransmitters zorgen voor impulsen tussen cellen. Bij een te lage MAO vind er minder afbraak van neurotransmitters plaats. Hierdoor gaat een persoon zich meer impulsief gedragen, waardoor meer gedrag zoals: gokken, maar ook sociaal gedraag, enthousiast en positieve emoties gaat vertonen.

 

Eysenck en zijn methodes om extraversie te meten
Eysenck was één van de eerste personen die probeerde om de belangrijkste kenmerken van extraversie te beschrijven. Hij was ook één van de eersten die schalen om persoonlijkheid te meten ontwikkelde. Hij ontwikkelde de Eysenck Personality Inventory (EPI) en de Eysenck Personality Questionnaire (EPQ). De EPI beschrijft extraverten als een gebrek aan terughoudendheid en die impulsief gedrag vertonen. Het verschil tussen de EPI en EPQ is dat de EPI dezelfde aantal items heeft voor het meten van socialiteit en impulsiviteit en de EPQ meer items heeft voor het meten van socialiteit dan voor impulsiviteit.

Validiteit en betrouwbaarheidsissues bij het meten van extraversie
Bij het meten van persoonlijkheid is het belangrijk om te weten waar de informatie vandaan wordt gehaald, hoe de kwaliteit bepaald wordt en hoe de gegevens worden gebruikt in onderzoek. Bij dit onderdeel zullen deze drie punten worden besproken.

Waar halen we informatie vandaan?
Er zijn vier informatie-bronnen die gebruikt kunnen worden bij het meten van persoonlijkheid (extraversie): zelfrapportage (S-data), observatiegegevens (O-data), testgegevens (T-data) en levensgegevens (L-data). De belangrijkste methoden worden hier besproken (S-data, O-data en T-data).

Zelfrapportage (S-data):
Het meest gebruikte manier om extraversie te meten is de zelfrapportage. Hier geeft een persoon informatie over zichzelf. Dit kan door middel van dagboeken, interviews en/of enquetes. Het voordeel van deze methode is dat individueen toegang hebben tot informatie die zij alleen kunnen voelen, zoals emoties. Deze methode kent ook enkele zwakheden: mensen zijn niet eerlijk bij het beantwoording van vragen, sommige mensen kennen zichzelf niet goed genoeg en mensen beoordelen zich hoger dan ze werkelijk zijn (sociale wenselijkheid).

Observatiegegevens (O-data):
O-data richt zich op informatie die gegeven wordt door familie, vrienden en professionelen. Deze databron kent twee voordelen: observeerders kunnen zien hoe een individu overkomt op anderen en een psycholoog kan meerdere observeerders inschakelen. Dit betekent dat men statistische methoden toe kan passen waardoor de resultaten betrouwbaarder worden. Hier is er minder sprake van sociale wenselijkheid, want de persoon zelf geeft geen informatie over zichzelf. De nadeel is dat bijvoorbeeld, een moeder haar kind anders beoordeelt dan hoe iemand anders het zou doen. Dus hier kan wel sprake zijn van sociale wenslijkheid door een ander persoon.

Testgegevens (T-data):
Bij deze methode worden personen in gestanddaardiseerde omstandigheden geplaats en hun reacties op bepaalde stimuli wordt gemeten. Een groot voordeel van deze methode is dat men een onderzoek zo kan opzetten dat men zeer specifieke eigenschappen van een extraverte persoon goed kan meten, zoals assertiviteit. Er zijn ook enkele nadelen: Impression management (het is mogelijk dat de proefpersonen doorgronden wat men wil onderzoeken en daarom zich anders gaan gedragen om goed voor te komen). Hier is er ook sprake van sociale wenselijkheid. Een ander nadeel is definition of testing situation (een proefpersoon kan de testsituatie heel anders interpreteren dan een onderzoeker) en influence by researchers (onderzoekers kunnen onbewust proefpersonen beïnvloeden).  

Een andere voordeel van de T-data is dat er enkele goede testmethoden zijn die kunnen worden gebruikt. Een van deze testmethoden is de rosarch-test. Door een proefpersoon te laten vertellen wat hij/zij in een bepaalde ambigue figuur ziet kan er veel over de persoonlijkheid van dat persoon gezegd worden.


Hoe kan de kwaliteit van een test worden bepaald: Betrouwbaarheidsissues, validiteit en generaliseerbaarheid
Er zijn drie belangrijke standaarden om te bepalen of een test goed is. Deze drie standaarden zijn: betrouwbaarheid, validiteit en generaliseerbaarheid.

De betrouwbaarheid van een test geeft aan in hoeverre de meting correspondeert met de werkelijke waarde van een construct. Er zijn drie manieren om de betrouwbaarheid van een test te meten: test-retest reliability, dit is de mate van overeenkomst tussen scores over de tijd; alternate forms reliability, dit is de mate van overeenkomst met andere tests; internal consitency reliability, dit is de mate van correlatie tussen de items van de test.

De validiteit van een test geeft aan in hoeverre de test meet wat het hoort te meten. Er zijn verschillende vormen van validiteit die hier besproken zullen worden. Ten eerste is de face validity, hierbij stelt men de vraag: ‘in hoeverre lijkt de test op het eerste gezicht het juiste te meten?’ Dit is de minst belangrijke vorm van validiteit. Een belangrijkere vorm van validiteit is  de internal validity, hierbij kijkt men naar de mate waarin de items van de test met elkaar correleren. Een ander belangrijke vorm van validiteit is de convergent validity, hier kijk men in hoeverre de scores van een test met andere scores van een andere test met elkaar correleren. Vervolgens is er de discriminant validity, hierbij stelt men de vraag of de test niet meet wat het niet zou moeten meten. En als laatste, de construct validity, hier kijk men of de test meet het theoretische construct dat het moet meten. Bij generaliseerbaarheid kijkt men de mate waarin een meting valide blijft in diverse contexten.

 

Hoe kan men een onderzoek opzetten en vormgeven?
Er zijn drie manieren van onderzoek: experimentele onderzoek, correlationele onderzoek  en ‘case study’. Hieronder worden deze drie methoden besproken.

Experimentele studies worden gebruikt om causaliteit te bepalen. Men manipuleert daarbij één of meer onafhankelijke variabelen. Indien men manipuleert met groepen (between-subject), maakt men gebruik van random assignment waarbij proefpersonen willekeurig ingedeeld worden in groepen om meetfouten te voorkomen. Indien men één groep alle waarden van de variabele laat doorlopen (within-subject) wordt vaak gebruik gemaakt van counterbalancing waarbij de volgorde van de condities steeds veranderd wordt om meetfouten te voorkomen.

In correlationele studies wordt bepaald of er wel of geen relatie is tussen variabelen. Men beïnvloedt of manipuleert geen variabelen, maar wil simpelweg bepalen of er in de natuur wel of geen relatie is.  

De ‘case study method’ onderzoekt de levensloop van één individu. Het voordeel is dat men alle soorten data-bronnen kan inzetten. De resultaten zijn echter moeilijk te generalizeren, en ook hier mag men geen causaliteit bepalen. De methode is vaak geschikt om hypothesen te formuleren die vervolgens via experimenteel onderzoek onderzocht kunnen worden.

Geslachtsverschillen
In de karaktertrek extraversie zijn er enkele verschillen tussen mannen en vrouwen. Ze verschillen namelijk in vriendelijkheid en assertiviteit. Deze verschillen kunnen enkele voordelen en nadelen als ze vanuit een evolutionaire perspectief worden bekeken. Deze voor- en nadelen zullen hieronder worden besproken.

Vrouwen scoren op het algemeen hoger in vriendelijkheid dan mannen, maar de verschillen zijn klein. Asserteviteit laat wel een grotere verschil zien tussen mannen en vrouwen. Hier scoren mannen hoger dan vrouwen. Een verklaring hiervoor is dat mannen meer waarde geven aan macht, hoge sociale status en dominantie.

Evolutionaire perspectief
Een voordeel van extraverten is dat deze mensen meer sociaal zijn. Dit vergroot de kans om een partner te vinden en voort te planten, waardoor de voortplantingskans groter wordt. Verder hebben extraverte mensen een drang om met andere mensen om te gaan, dit zorg ervoor dat extraverte mensen meer vrienden hebben en hierdoor is de kans groter dat ze bij een groep horen (need to belong). Dit heeft een grote voordel in de evolutionaire psychologie. Een voordeel is dat een groep bescherming bied bij gevaar, waardoor de overlevingskans groter wordt. Zelfs als extraverten moeite hebben met het vormen van een groep hebben ze toch een grotere kans om bij een groep te horen dan bijvoorbeeld introverten.

Het krijgen vaan een partner en daardoor kunnen voortplanten bied dezelfde voordeel als bij het horen tot een groep: bescherming. Mensen helpen eerder mensen met een groot genetisch overlap, dus door voort te planten wordt een groep-familie gevormd met dezelfde genen, waardoor iedereen in de groep de ander beschermd.

Interactie tussen persoonlijkheidstrek en omgeving
Mensen selecteren, evoceren en manipuleren de situatie, maar de situatie selecteer ook de persoon (transactioneel model). De persoonlijkheid van een indvidu speelt een grote rol hierbij. Deze mechanismen spelen zowel bij de werksituatie als in de sociale omgeving een rol. Bijvoorbeeld, een persoon die extravert is zal zeker een uitnodiging voor een feest accepteren. In tegendeel, een persoon die introvert is zal deze uitnodiging misschien niet accepteren. Dit is een voorbeeld waarin de persoon, de situatie selecteert. Er zijn ook voorbeelden waarin de persoon, de situatie manipuleert. Bijvoorbeeld, een extraverte persoon is bij een feest die heel saai is. Doordat deze persoon extravert is, zal deze persoon ervoor zorgen dat die feest leuker wordt. Als deze persoon een introverte persoonlijkheid zou hebben, dan zal de feest waarschijnlijk saai blijven.

Persoonlijkheid, stress en psychopathologie
In dit onderdeel wordt eerst beschreven hoe de persoonlijkheid van een individu de relatie tussen stress en ziekte bepaalt. Vervolgens wordt besproken waarom de persoonlijkheidstrek extraversie goed is voor de gezondheid. Ten slotte zal gekeken worden hoe extraversie omgaat met psychische stoornissen.

Persoonlijkheid en stress
Volgens R. J. Larsen en D. M. Buss (2010) bepaalt onze persoonlijkheid hoe we omgaan met stress en ziekte. Er worden hier twee modellen die belangrijk zijn voor extraverten geburikt om de relatie tussen persoonlijkheid en stress te beschrijven. Het eerste model die gebruikt wordt om deze relatie te beschrijven is het interactionele model. Volgens dit model bepalen persoonlijkheidsfactoren hoe we omgaan met stress die ontstaat door objectieve gebeurtenissen die we meemaken. Gebeurtenissen zoals blootstelling aan microben of chronische stress veroorzakken ziekte, maar persoonlijkheidsfactoren maken een persoon meer of minder kwetsbaar voor deze gebeurtenissen. Bijvoorbeeld, als een persoon geïnfecteerd wordt met een virus en deze persoon een extraverte persoonlijkheid heeft, dan zal deze persoon voor een langere periode ziek zijn of zelfs ernstig ziek worden. Dit gebeurt omdat extraverte personen meer moeite hebben om rustig in bed te blijven. Ze hebben arousal nodig, dus zullen vaker naar buiten gaan om een optimale level van arousal te zoeken waardoor ze niet snel herstellen van een ziekte.

Het tweede model die de relatie tussen persoonlijkheid en stress beschrijft is het transactionele model.  Het transactionele model is uitgebreider. In dit model beïnvloedt de persoonlijkheid de manier waarop mensen omgaan met stress, de manier waarop mensen de stressvolheid van een gebeurtenis bepalen en de situatie waarin men zich kan voorkomen. Het verschil van dit model met de interactionele model is dat dit hier, niet de gebeurtenis, maar de manier waarop de gebeurtenis wordt beoordeeld, of geïnterpreteerd door de persoon, de stress veroorzakt. Bijvoorbeeld, bij een sitautie waarbij men vast komt te zitten in het verkeer op weg naar een vergadering kan door twee personen met twee verschillende persoonlijkheden op twee verschillende manieren worden geïnterpreteerd. De ene persoon kan het als een frusteterend situatie interpreteren, waardoor de persoon meer stress ervaart (extraverten). In tegendeel, een andere persoon kan deze situatie interpreteren als een mogelijkheid om te ontspannen, naar muziek te luisteren en rustig denken om de vergadering op een andere dag in te plannen (introverten). De laatste persoon zal een lager stress-niveau ervaren dan de eerste persoon.


Extraversie en gezondheid
De persoonlijkheid van een individu kan voorspellen hoe lang iemand zal leven. Er zijn drie belangrijke karakterktrekken die dit kunnen voorspellen: hoge conscientiousness, extraversie en low levels of hostility. Voor dit opdracht is alleen extraversie van belang, dus alleen extraversie wordt behandeld. Hoe kan extraversie tot een betere gezondheid lijden en tot langer leven? Dit komt omdat extraverten over het algemeen meer vrienden hebben en hierdoor meer sociale steun krijgen. Deze twee factoren hebben positieve gevolgen voor de gezondheid.

Extraversie en psychopathologie
Het belang voor het bestuderen van de relaties tussen normale persoonlijkheid en psychopathologie basseert zich op de mogelijkheid dat persoonlijkheidsfactoren een vroege indicatie kunnen zijn voor de ontwikkeling van psychische stoornissen. In het algemeen wordt extraversie negatief gecorreleerd met persoonlijkheidsstoornissen. Een onderzoek van Trull en Sher (1994) voorspelde dat depressie en angst de gevolgen kunnen zijn van een lage extraverte karaktertrek.

Het is belangrijk om rekening te houden met cultuur, leeftijd en geslacht bij het diagnosticeren van een persoonlijkheidsstoornis. Cultuur is een belangrijke factor omdat iets wat raar is in de ene cultuur hoef niet raar te zijn in een andere cultuur. Ook leeftijd is een belangrijke factor omdat wat abnormaal is op volwassen leeftijd kan normaal zijn op jongere leeftijd. En tenslotte is geslacht ook belangrijk omdat sommige stoornissen komen bij mannen vaker voor dan bij vrouwen of andersom.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.