Rechtsbijstand tijdens het verhoor; is dit wel wenselijk?

Door Nickelton gepubliceerd op Monday 11 November 20:44

 

Dit artikel heb ik enkele weken geleden geschreven voor mijn opleiding rechtsgeleerdheid aan de VU. Een 8,0 gescoord; een prima resultaat! Nu het cijfer bekend is, lijkt het mij veilig mijn artikel op het internet te zetten.. daarvoor niet (ivm mogelijke melding van plagiaat, terwijl het mijn eigen artikel is!) 

 

Verhoorbijstand een wenselijke vernieuwing?

 

De bejaardenverzorgster Ina Post werd in eerste instantie veroordeeld voor doodslag op een van haar cliënten. Deze veroordeling berustte met name op de door haar afgelegde verklaring, die zij onder grote druk van de recherche had afgelegd. Later bleek dat de verklaring niet juist kon zijn en heeft de Hoge Raad besloten de zaak over te doen.[1]

De onterechte veroordeling van Ina Post had wellicht voorkomen kunnen worden wanneer haar raadsman aanwezig was geweest tijdens het verhoor. Zaken als deze zijn dan ook al jaren voer voor de discussie over de rol die de raadsman behoort te spelen tijdens het verhoor.[2] De discussie is er vooral een tussen de advocatuur en de politie, maar ook daarbuiten wordt deze discussie gevoerd. De politie vindt dat het erkennen van het recht op juridische bijstand tijdens het verhoor (verhoorbijstand) de waarheidsvinding te veel beperkt, omdat de raadsman de belangen van zijn cliënt vertegenwoordigd. Die belangen kunnen inhouden dat de waarheid niet aan het licht komt. De advocatuur stelt zich op het standpunt dat de verdachte recht zou moeten hebben op zowel rechtsbijstand voorafgaand aan het verhoor (consultatierecht) als tijdens het verhoor (verhoorbijstand). Slechts indien het recht op consultatiebijstand en verhoorbijstand beide worden erkend, wordt het recht ‘not to incriminate oneself’ voldoende gewaarborgd.[3]

                Sinds het zogenaamde ‘Salduz- arrest’ van het EHRM en de daarop volgende jurisprudentie van de Nederlandse Hoge Raad kent Nederland slechts het consultatierecht. Het recht van de verdachte op de aanwezigheid van diens raadsman tijdens het eerste verhoor wordt vooralsnog niet erkend. Dit zal op korte termijn veranderen. Zowel de Europese commissie, het Europees Parlement en de Raad zijn inmiddels akkoord met een voorstel voor een richtlijn die (onder andere) het consultatierecht en recht op juridische bijstand gedurende het (eerste) verhoor regelt.[4] Aan de Nederlandse wetgever is het nu de taak de richtlijn om te gaan zetten in nationale wetgeving. De Europese Unie geeft met de richtlijn een duidelijk signaal af; het consultatierecht en het recht op het krijgen van verhoorbijstand zijn fundamentele rechten.[5] Slechts op grond van zwaarwegende redenen kan een lidstaat een inbreuk maken op deze rechten van de verdachte. Hoewel de richtlijn een duidelijke keuze maakt, maakt het de discussie die jarenlang is gevoerd niet minder interessant of minder relevant. Een relevante vraag die blijft bestaan, en hier onderzocht zal worden, is:

 

Vormt het recht op verhoorbijstand, zoals dat geregeld wordt in artikel 3 lid 3 sub b van de richtlijn, een proportionele beperking ten opzichte van  de waarheidsvinding doordat dit het afleggen van valse verklaringen tegengaat?

 

Om deze vraag te beantwoorden zal allereerst worden nagegaan wat het verhoor voor rol speelt bij de waarheidsvinding en welke middelen de politie gebruikt om het doel van het verhoor te verwezenlijken. Ook zal worden ingegaan op het verschil tussen geoorloofde en ongeoorloofde druk. Daarna zal, voor zover dat in de inleiding nog niet is gebeurd, een korte schets worden gemaakt over de recente ontwikkelingen met betrekking tot het recht op consultatiebijstand en verhoorbijstand. De gevolgen die deze ontwikkelingen hebben gehad op verhoorsituaties zal daarbij ook ter sprake komen. Aan de hand hiervan zal worden bepaald of het recht op verhoorbijstand een proportionele inbreuk maakt op het onderzoeksbelang en zal er een advies worden gegeven over de manier waarop het recht op verhoorbijstand, zoals dat is geregeld in de richtlijn, moet worden vastgelegd in het Nederlandse recht. 

 

Het verhoor

 

Een verhoor kan worden omschreven als het ondervragen van een verdachte door de daartoe bevoegde ambtenaren. Het verhoren van een verdachte heeft in de eerste plaats het doel om relevante en betrouwbare informatie te vergaren, zodat bepaalde problemen opgelost kunnen worden. Het primaire doel is niet het ontlokken van een bekentenis. Hieraan liggen de gedachten ten grondslag dat het nog niet vaststaat dat een verdachte het strafbare feit heeft begaan en er in de eerste plaats vanuit moet worden gegaan dat hij onschuldig is.[6] Aan de andere kant is het van belang te realiseren dat er veel (bekennende) verklaringen worden afgelegd tijdens het politieverhoor en het verhoor daarmee een zeer belangrijke rol speelt bij de waarheidsvinding.[7] Om relevante informatie boven water te krijgen, gebruikt de politie tijdens het politieverhoor verschillende pressiemiddelen. Het meest gebruikte middel om druk te zetten op de verdachte is sympathiseren. Hierbij kan gedacht worden aan het opbouwen van vertrouwen , waardoor een verdachte makkelijker zou gaan praten. Een andere veel gebruikt middel is het intimideren van een verdachte. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het benadrukken van negatieve consequenties wanneer het niet aan het verhoor wordt meegewerkt. Verder wordt er gebruik gemaakt van confronterende en manipulerende verhoortechnieken. Zo kan de verdachte geconfronteerd worden met (indirect) bewijs dat tegen hem is verkregen of wordt een verklaring van de verdachte verkregen door suggestieve vragen te stellen.[8]

 

 

De vraag is hoeveel druk de politie op een verdachte mag uitoefenen tijdens het verhoor. De verdachte hoeft immers geen bewijs tegen zichzelf te leveren (the right not to incriminate oneself). Dit kan onder andere worden opgemaakt uit het ‘Saunders- arrest’ van het EHRM, hoewel dit recht van de verdachte al eerder erkend werd.[9]  Daarbij komt dat, des te meer druk er wordt uitgeoefend, des te groter de kans wordt dat een verdachte een valse verklaring aflegt. De betrouwbaarheid van verklaringen neemt dus af, naarmate meer druk wordt uitgeoefend op de verdachte. Hierbij moet worden opgemerkt dat ongeoorloofde druk niet altijd leidt tot een valse bekentenis en een valse bekentenis ook bij weinig druk kan worden afgelegd.[10]

Het antwoord op de vraag hoeveel druk verhoorders op een verdachte mogen uitoefenen, ligt besloten in het pressieverbod zoals dat is neergelegd in artikel 29 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Dit verbod houdt in dat de verhoorder niet dusdanig mag handelen dat er een verklaring aan de verdachte onttrokken wordt, waarvan niet kan worden gezegd dat de verdachte deze verklaring in vrijheid heeft afgelegd. Het pressieverbod is dus niet absoluut; de verhoorders mogen wel degelijk druk uitoefenen op een verdachte, maar dit mag geen ongeoorloofde druk zijn. De grens tussen geoorloofde en ongeoorloofde druk is in veel, maar niet in alle, gevallen onduidelijk. Duidelijk is dat het pressieverbod in ieder geval inhoudt dat verhoorders geen gebruik mogen maken van pressiemiddelen zoals marteling en dat het verbod zich ook richt tegen ongeoorloofde psychische druk.[11] Minder duidelijk is het wanneer onjuiste informatie met de verdachte wordt gedeeld, of het overdrijven van de negatieve gevolgen die het niet meewerken aan het onderzoek kunnen hebben? Deze vragen zijn lastig te beantwoorden, omdat de Hoge Raad het antwoord op deze vragen steeds af laat hangen van de specifieke omstandigheden van het geval. Geconcludeerd kan worden dat de grens tussen geoorloofde en ongeoorloofde druk een grijs gebied is.[12]

 

Van zwijgrecht naar het recht op verhoorbijstand en de gevolgen daarvan

 

Tegenover het (on)rechtmatig gebruik maken van pressiemiddelen door de politie horen rechten van de verdachte te staan.  Een verdachte in Nederland kende, totdat het EHRM het ‘Salduz- arrest’ wees, weinig mogelijkheden om zich tegen deze pressiemiddelen te beschermen. Het enige dat een verdachte kon doen, was zich beroepen op het zwijgrecht. De zaak Salduz bracht hierin verandering. Het EHRM oordeelde namelijk dat de verdachte, ook in de vroegste stadia van het politieonderzoek, recht had op juridische bijstand.[13] De Hoge Raad legde dit recht later beperkt uit en was van mening dat artikel 6 van het EVRM slechts het consultatierecht waarborgde. Het recht op juridische bijstand tijdens het verhoor werd door de Hoge Raad niet erkend.[14]

Het feit dat verdachten gebruik maakten van het consultatierecht heeft ertoe geleid dat zij zich vaker op het zwijgrecht beroepen. Advocaten geven vaak het advies aan de verdachten om zich te beroepen op hun zwijgrecht. Dit doen zij voor de zekerheid; zij hebben immers vaak nog geen dossier en kunnen dus in veel gevallen nog geen passend advies geven. Verhoorders zijn op hun beurt weer geneigd om meer druk te zetten op een zwijgende dan op een pratende verdachte, want hoewel een verdachte in Nederland zwijgrecht heeft, het is niet wenselijk dat hij daar gebruik van maakt.[15] De kans dat verhoorders ongeoorloofde druk uitoefenen op verdachten neemt dus toe naarmate een verdachte zich beroept op het zwijgrecht.

 

De conclusie kan worden getrokken dat de positie van de verdachte door het consultatierecht wordt versterkt. Een verdachte die zich, mede op advies van de raadsman, beroept op het zwijgrecht zal echter met heftigere pressiemiddelen moeten omgaan. Uit onderzoek blijkt dat een zwijgende verdachte voornamelijk wordt geïntimideerd door de verhoorders in een poging hem alsnog aan het praten te krijgen. Ook blijkt dat politieambtenaren minder vaak intimiderende verhoortechnieken gebruiken in de situaties dat een raadsman aanwezig is bij het verhoor, dan in situaties dat er geen verhoorbijstand wordt verleend aan de verdachte. Wanneer de raadsman aanwezig is, wordt er vaker gebruik gemaakt van mildere pressiemiddelen.[16] De aanwezigheid van de raadsman compenseert, zo lijkt het, de verhoogde druk die wordt uitgeoefend door de politie op een zwijgende verdachte.

Het recht op verhoorbijstand dat in de richtlijn wordt gewaarborgd gaat echter veel verder dan het aanwezig zijn van de raadsman tijdens het verhoor. De raadsman krijgt namelijk de mogelijkheid actief deel te nemen aan het verhoor om zo het recht op verhoorbijstand (en daarmee ‘the right not to incriminate oneself’) tot zijn recht te laten komen.[17] Wat de precieze bevoegdheden in Nederland zullen worden is nog niet bekend, maar hierbij kan gedacht worden aan de mogelijkheid tot het stellen van vragen, vragen om toelichtingen of het geven van verklaringen.[18] De richtlijn laat weinig, maar zeker enige, ruimte over aan de lidstaten om de precieze rol van de raadsman uit te leggen. Ook laat de richtlijn enige ruimte aan de lidstaten om regels te formuleren over de omstandigheden waarin het recht op verhoorbijstand mag worden opgeschort. Het is echter duidelijk dat het hier moet gaan om buitengewone omstandigheden, er sprake moet zijn van een zwaarwegend onderzoeksbelang en dat de beperking aan strikte regels gebonden moet is.

De gevolgen zijn, ondanks alle onduidelijkheden, wel te raden; de positie van de verdachte wordt verder versterkt. Hij zal beter in staat zijn zich te beroepen op het zwijgrecht, terwijl de verhoorders minder druk kunnen uitoefenen op verdachten. Bij (verhoogde) druk zal een oplettende advocaat immers altijd ingrijpen. Er zullen hierdoor minder (bekennende) verklaringen worden afgelegd, hetgeen nadelig is in het licht van de waarheidsvinding. De verklaringen die worden afgelegd hebben daarentegen een grotere kans om betrouwbaar te zijn, doordat de verdachte de verklaringen onder weinig druk heeft afgelegd.  

 

Conclusie

 

De vraag of de actieve verhoorbijstand zoals dat is geregeld in art. 3 lid 3 sub b van de richtlijn een proportionele beperking oplevert ten opzichte van de waarheidsvinding, waarbij met name moet worden gelet op het voorkomen van valse verklaringen, kan nu beantwoord worden. Gelet op hetgeen ik hiervoor geschreven heb, is mijn antwoord op deze vraag een genuanceerd ‘ja’.

Door de raadsman een actieve rol te geven tijdens het verhoor zal deze toezicht kunnen houden op de verhoorgang en zal hij in kunnen grijpen wanneer er tijdens het verhoor ongeoorloofde druk door de verhoorders wordt uitgeoefend op de verdachte. Hierdoor zal het afleggen van valse verklaringen voorkomen kunnen worden en zal de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen toenemen. Dit is naar mijn mening een positieve ontwikkeling die zwaarder dient te wegen dan de nadelen die gemoeid gaan met de waarheidsvinding. Daarbij realiseer ik mij dat de waarheidsvinding moet wijken voor het recht op juridische bijstand tijdens het verhoor, maar dat waarheidsvinding door middel van het verhoren van verdachten niet onmogelijk wordt gemaakt. Ook merk ik in dit kader op dat het verhoor niet het doel heeft, of in ieder geval niet zou moeten hebben, een bekentenis aan de verdachte te ontlokken. Het vervolgen van een verdachte zou in eerste instantie niet moeten gebeuren op basis van een (bekennende) verklaring van de verdachte, maar er moet uitgegaan worden van ander (zo mogelijk meer betrouwbaar) bewijs. De verklaring van de verdachte zou slechts als steunbewijs moeten kunnen gelden, waardoor het risico dat mensen op basis van een valse verklaring worden veroordeeld verder afneemt.

De nuance die ik aan wil brengen is de volgende: Ik realiseer mij dat het verkrijgen van minder (bekennende) verklaringen een negatief gevolg is waardoor het lastiger wordt zaken ‘rond’ te krijgen. Dit gevolg dient derhalve zoveel mogelijk beperkt te worden. Ik adviseer dan ook bij het omzetten van de richtlijn naar nationaal recht de bevoegdheden van de raadsman tot het strikt noodzakelijke te beperken. De raadsman zou alleen moeten kunnen ingrijpen indien deze van mening is dat er grenzen worden overschreden door de verhoorders. Hier vloeit ook een taak voor de wetgever uit voort. De wetgever zal nadere criteria moeten opstellen over normen die geschonden kunnen worden tijdens een verhoor. Anders gezegd: het is de taak aan de wetgever om duidelijke criteria te stellen waaraan getoetst kan worden of en wanneer verhoorders ongeoorloofde druk op de verdachte uitoefenen. Verder adviseer ik zoveel mogelijk gronden te formuleren waarop het recht op juridische bijstand tijdens het verhoor kan worden opgeschort en deze ‘strikte’ regels zo ruim mogelijk te formuleren. Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan een relatief lange termijn waarin het recht op verhoorbijstand kan worden opgeschort. Daarbij moet natuurlijk worden gewaakt dat er geen regels worden gemaakt die in strijd zijn met de richtlijn. Wanneer mijn beide adviezen worden opgevolgd, zal dit ervoor zorgen dat het recht op verhoorbijstand een proportionele beperking ten opzichte van de waarheidsvinding blijft.

 

 

 

 


[1] 23 juni 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI1689

[2]  W.J. Verhoeven & L. Stevens, Rechtsbijstand bij politieverhoor, Evaluatie van de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor in Amsterdam-Amstelland, Groningen, Haaglanden, Limburg-Zuid, Midden- en West-Brabant en Utrecht, Den Haag: Boom Lemma Uitgevers 2013, p. 29.

[3]  L. Stevens & W.J. Verhoeven, ‘Raadsman bij het politieverhoor vraagt om maatwerk’, NJB 2010, p. 2686-2691

[4] Persbericht Europese Commissie IP/13/921, 7 oktober 2013. Geraadpleegd via

http://europa.eu/rapid/press-release_IP-13-921_nl.htm op 24 oktober 2013.

[5] De tekst van de richtlijn is te vinden in Raadsdocument 10190/13 van 31 mei 2013. Wanneer er op een later tijdstip wordt verwezen naar ‘de richtlijn’, wordt naar dit document verwezen.

[6] K. Gerritsen, ‘(On)duidelijkheden rondom ongeoorloofde pressie in het verdachtenverhoor’, AA 2000-4, p. 228.  

[7] L. Stevens & W.J. Verhoeven, ‘Raadsman bij het politieverhoor vraagt om maatwerk’, NJB 2010, p. 2686-2691

[8]  L. Stevens & W.J. Verhoeven, ‘Wat is er mis met een goed gesprek? Een exploratief onderzoek naar pressie tijdens politiële verdachtenverhoren en risico’s op valse bekentenissen’, Delikt & Delinkwent 2011, p. 114-131

[9] EHRM 17 december 1996, NJ 1997, 699.

[10] L. Stevens & W.J. Verhoeven, ‘Wat is er mis met een goed gesprek? Een exploratief onderzoek naar pressie tijdens politiële verdachtenverhoren en risico’s op valse bekentenissen’, Delikt & Delinkwent 2011, p. 114-131

[11] G.P.N. Robben, ‘Commentaar op Wetboek van Strafvordering art. 29’, Sdu 1 januari 2013.

[12] K. Gerritsen, ‘(On)duidelijkheden rondom ongeoorloofde pressie in het verdachtenverhoor’, AA 2000-4, p. 228- 237.

[13] EHRM 27 november 2008, nr. 36391/02.

[14] HR 30 juni 2009, LJN BH3079 m.nt. T.M. Schalken

[15] L. Stevens & W.J. Verhoeven, ‘Raadsman bij het politieverhoor vraagt om maatwerk’, NJB 2010, p. 2686-2691

[16] L. Stevens & W.J. Verhoeven, Rechtsbijstand bij politieverhoor, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2010, p. 103-110.

[17] Artikel 3 lid 3 sub b van de Richtlijn

[18] T. Spronken, ‘De EU-richtlijn over het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures’, NJB 2013-1434

 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.