Doodgewone ontmoeting of

Door Hemelsblauw gepubliceerd op Friday 28 June 19:58

Wie kan je tegenkomen op een sombere zondagochtend in een verlaten park?....... Lees en huiver....

 

Op een sombere zondagochtend zat ik rusteloos in mijn oude leunstoel. De kachel brandde volop; er stond een CD op van Bach en de krant lag binnen handbereik. Toch wilde ik weg, een frisse wind door mijn hoofd laten waaien en mijn benen strekken. Achter de ramen van de huizen zag ik de zondagse visite zitten om de tafel in de voorkamer. Zo uit de kerk, keurig gekapt en gekleed. Ze dronken uit gebloemd porselein en aten dikke plakken cake. Ik nam de weg naar het park waar ik virjwel iedere dag kwam. Eerst langs de verlaten speeltuin, waar een laagje mist overheen hing, daarna de kleine vijver, en toen bevond ik me op het kronkelige pad naar het gedeelte waar hoge bomen stonden rondom een uitgestrekt grasveld. Ik verlangde naar mijn favoriete zitplaats; het oude bankje tegenover het grasveld bekrast met schuttingwoorden maar met uitzicht op de mensen die hun hond uitlieten.

Maar toen ik de laatste bocht omsloeg zag ik al. Er zat al iemand op het bankje. Teleurgesteld vertraagde ik mijn pas in de hoop dat diegene misschien op zou staan en verder zou lopen. Bovendien werd ik geplaagd door een snerpende pijn in mijn ruggegraat. Ik heb altijd graag het rijk alleen, maar de man maakte geen aanstalten op te staan. Ik groette hem en ging aan het andere uiteinde zitten. Zachtjes groette hij terug. Ik veegde mijn brillenglazen schoon met een papieren zakdoekje. Ik zag hem nu beter; een lange magere man met een blauwachtige gloed onder zijn ogen en zijn donkere ogen gleden onderzoekend over mijn gezicht terwijl ik mijn sjaal losknoopte.

Ik had vlak voordat ik wegging nog snel twee boterhammen gesmeerd, een met kaas en een met rookvlees en ze schuin doormidden gesneden, op dezelfde wijze zoals mijn vrouw dat altijd had gedaan. Ze zou erom gelachen hebben als ze het had kunnen zien. Ik haalde het plastic zakje met het brood tevoorschijn.

Onder een loodgrijze hemel streken een paar luidruchtige kraaien neer op de kale takken. Ineens werd ik overvallen door een overweldigend verlangen naar de lente; de warmte van een speelse zonnestraal, mals groen gras en geurige roze bloesems.  "Het is behoorlijk koud voor de tijd van het jaar". zei de man ineens en draaide zijn gezicht naar me toe.  De diepe lijnen langs zijn mondhoeken leken zijn gezicht te overheersen en een donker waas overdekte zijn ongeschoren kaak. "Ja, zei ik. Het zou een stuk schelen als de zon zou schijnen, maar helaas".

Ik nam een hap van mijn boterham; alweer was het rookvlees taai, te dik gesneden. De man haalde een klein flesje ut de binnenzak van zijn jas en nam een slok. "Tegen die ellendige kou in mijn botten", verklaarde hij. Met lange benige vingers stak hij een sigaar op. Een echte Havannah, zag ik. "Even uitrusten na al die drukte ", zei hij en blies een dikke rookwolk uit.  "Zelfs op zondag?", zei ik verbaasd. Hij knikte en zweeg.  "En , wat doe u zoal", vroeg ik meer uit beleefheid dan interesse. "Ik haal mensen en zo op", antwoordde hij vaag. Ik keek hem vragend aan. "Bedoelt u een taxichauffeur of iets dergelijks?". "Geen taxi", antwoordde hij. "Het is meer een soort eenrichtingsverkeer". Hij grijnste even. Ik begreep het niet maar ik zei niks.

"Ik breng ze naar de eeuwige jachtvelden", verduidelijkte hij op gewichtige toon. Er vlogen bliksemsnel allerlei gedachten door mijn hoofd. Even buiten het dorp staat een psychiatrische inrichting, vlakbij de spoorlijn. De arme stakker heeft zeker een dagje verlof, dacht ik bij mezelf.  Treurig zei hij: "Denkt u maar niet dat het makkelijk is, dit werk. Altijd stemmen in mijn hoofd. Dat voortdurende gejammer, gesmeek en geklaag van stervelingen die nog niet willen gaan. Waar kan ik nog rust vinden?"Hij fronste zijn wenkbrauwen, sloot een paar tellen zijn ogen alsof hij ondraaglijk leed.

"Ach meneer, zei ik. "Misschien heeft u last van stress. Een weekende vissen doet wonderen". Maar hij leek me niet te horen. "Het is daarboven een organisatie van niks:, vervolgde hij. "Ik weet niet eens meer voor wie ik werk". "Ach dat weet niemand meer tegenwoordig", meende ik. Hij haalde een stuk papier uit zijn jaszak en liet zijn wijsvinger langs de rijtjes woorden gaan. Met een diepe zucht keek hij op zijn horloge. "Nog een stuk of vijf te gaan vandaag", mompelde hij. Dit was te gek om los te lopen, dacht ik. De man is ernstig in de war. Ik besloot niet meer op hem in te gaan.

Na een paar minuten sjokte er een oude hond voorbij die zijn kop liet hangen. Een onduidelijk ras, al had hij wel iets weg van een herder. Een paar seconden bleef het beest stil staan, wierp een steelse blik naar de man naast me en kuierde weer verder. Ik had er wel eens aan gedacht een huisdier te nemen om mijn oude dag wat op te fleuren maar het was er nooit van gekomen.

Plotseling stond de man op, trapte de sigaar zorgvuldig uit onder zijn schoen en trok zijn kraag nog wat hoger op. "Tot ziens", zei hij. Ik keek hem na. Het grind knerpte onder zijn schoenen en houterig sloeg hij een slingerend pad in. Ik verlangde inmiddels naar mijn warme kachel en toen ik opstond om naar huis te gaan had een ijzige kou zich onder mijn kleren genesteld. Rillerig blies ik in mijn handen en stak ze in mijn jaszakken. Ik mijmerde nog wat over die merkwaardige snoeshaan op het bankje. Onze Lieve Heer heeft vreemde kostgangers. Toch was hij netjes gekleed, dat wel.

Opeens bleef ik staan. Op een afstand zag ik iets liggen aan de zijkant van het pad, half verscholen onder wat gebladerte. Nieuwsgierig liep ik er naar toe. Het was de oude hond. Hij lag roerloos op zijn zij; zijn bek en zijn ogen open. "Was toch al op leeftijd", mompelde ik in mezelf. De dood boezemt mij geen angst in. Als kind was het kerkhof mijn speeltuin. Net als mijn vader was ik mijn leven lang begrafenisondernemer geweest. Ik had rouge aangebracht op bleke stille kindergezichten, rimpels weggestreken bij ouden van dagen en verongelukten opgelapt met naald en draad....

Ik twijfelde nog even of ik een poging moest doen het baasje van het dier te zoeken die waarschijnlijk in de buurt woonde. Maar nee, ik wilde naar huis en verlangde naar een kop koffie. Ik liep door de uitgestorven straten terug en bedacht dat ik voortaan naar die andere slager zou gaan. Hopelijk snijden ze daar het rookvlees flinterdun zoals het hoort.

 

Reacties (19) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Heel bijzonder, al ben ik blij dat ik het niet was op het bankje;)
heel erg goed en spannend
Prachtig geschreven ik zat er helemaal in toppie hoor ik kan niet wachten op je volgende verhaal
Mijn favoriet, hitchcockachtig verhaal.
Hier houd ik van
De gewone wereld verbonden met leven na de dood
Er is meer tussen hemel en aarde vriend horatio
Klasse.
Prachtig geschreven...
nou zo'n wandeling wil ik liever niet meemaken. Spreekt zeer tot de verbeelding, goed hoor.
Zo mooi geschreven, beschrijving van de details neemt de lezer mee naar een werkelijkheid die van hem/haar zou kunnen zijn. Ik zat er helemaal in. Complimenten!