De reuzen te lijf

Door Geliefd gepubliceerd op Friday 28 September 12:13

Wat vaak heel klein en onschuldig begint, kan zich ontwikkelen tot een levensgroot probleem.

Ten strijde trekken

De HERE had Israël opgedragen om alle Kanaänieten, geen enkele uitgezonderd, uit te roeien. We lezen dat onder andere in Deuteronomium 7:1-6. Dat was niet zonder reden, 'want zij (die Kanaänieten) zouden de zonen van Israël doen afwijken van de HERE, zodat zij andere goden zouden dienen, en de toorn des HEREN tegen hen zou ontbranden en Hij hen weldra zou verdelgen.' (Deuteronomium 7:4)

De klad erin...

Toen ze uiteindelijk in het land gekomen waren, zijn ze ook ten strijde uitgetrokken, om aan deze opdracht te voldoen. En de HERE was met hen. Dat lees je tot tweemaal toe in Richteren 1:19,22 Helaas zijn ze daar nogal slordig in geweest. Om wat voor reden dan ook kwam ineens de klad erin. Vanaf vers 27 komen dan ook regelmatig de volgende uitspraken voor: 'niet verdreven', 'blijven wonen' en 'wel werden ze tot herendienst verplicht'.

Dat 'tot herendienst verplichten' moet niet verwisselt worden met wat de HERE zei in Richteren 1:2, namelijk dat Hij het land in hun macht zou geven. Het volk had zich met die Kanaänieten ingelaten en ze vriendschappelijk behandeld, en daar ging het mis. Dat hebben ze geweten, zoals uiteindelijk uit het vervolg blijkt.

De HERE sprak hen daarop aan, en hield hen het volgende voor:

'Ik heb u uit Egypte doen trekken en gebracht in het land dat Ik uw vaderen beloofd had, en Ik heb gezegd: Ik zal Mijn verbond met u in eeuwigheid niet verbreken, maar gij zult geen verbond sluiten met de bewoners van dit land; hun altaren zult gij afbreken. Doch gij hebt naar Mijn stem niet geluisterd. Wat hebt gij gedaan? En Ik heb óók gezegd: Ik zal hen niet voor u uit wegdrijven, maar zij zullen u tot tegenstanders en hun goden u tot een valstrik zijn.' (Richteren 2:1-3)
Dat laatste: 'Ik zal hen niet voor u uit wegdrijven', kwam omdat zij al de mist in waren gegaan door de bewoners van het land niet volkomen met de ban te slaan. Voorheen heeft de HERE namelijk meerdere keren aan hen gezegd, dat Hij die volken voor hun aangezicht zou verdrijven. Maar als zij deze volken niet volledig zouden uitroeien, zou Hij ze niet meer wegdrijven.

Een beetje zuurdeeg doorzuurt het hele deeg...

(1 Korinthiërs 5:7)

Zo kunnen er ook in ons leven nog ovegebleven Kanaänieten zijn (en ieder kent zijn eigen Kanaänieten wel), die we niet volkomen met de ban geslagen hebben. Het lijken in eerste instantie kleine, vriendelijke onschuldige Kanaänietjes,


die zich echter uiteindelijk tot reusachtige Enakieten ontwikkelen. Wat aanvankelijk klein begint en heel onschuldig lijkt, groeit later uit tot een levensgroot probleem.


En daar zit je dan mee. En maar bidden dat de HERE ze uit ons leven wil verdrijven. Dat zal helpen, ja ja. Maar de HERE kijkt als het ware met de armen over elkaar en met gefronste wenkbrauwen naar ons en zegt: 'Zeg, zou je niet eens langzamerhand ten strijde trekken om die Kanaänieten te lijf te gaan? Als je daar nu eens mee begint, dan zal Ik met je zijn. Of heb je al vriendschap met ze gesloten? Je begrijpt hopelijk wel dat het dweilen met de kraan open is, als Ik die Kanaänieten uit je leven wil verdrijven, terwijl jij ze vriendschappelijk over hun bolletje aait.'

Vangt ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaard verderven...

(Hooglied 2:15)

 

Dus, zijn er nog Kanaänieten in ons leven overgebleven? Dan is het zaak om ze te paard en te zwaard met kop en staart uit te roeien. En de HERE zal met ons zijn.

 

 

Reacties (2) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Leuk geschreven,duim en fan erbij.
Wat heb je dit prachtig in elkaar gestoken. Duim