Emo-kannibalen bevolken onderhand tv-wonderland.

Door Weltevree gepubliceerd op Friday 28 September 12:13

Buitenhof. Het is een leuke meid. Net in de dertig, maar ik zak perplex terug in de bank...

Ik hoor het toch wel goed? 

 

Een Zeeuws meisje. Zij groeide als boerendochter op met drie broers en schreef een redelijk succesvol boek over het loskomen van het Christelijke geloof. De situatie van een plattelandsjongere die het stadse leven miste. Er zitten naast haar andere generaties rond de tafel: Een twintiger, veertiger en een ouderwetse babyboomers die zich vroeger druk maakte over de bevrijding van maatschappij.

“Wij zijn verwende prinsesjes. Eigenlijk zijn we best asociaal, narcistische eenlingen. We hebben niets op met het nut van het algemeen en vinden dat we overal recht op hebben.” Met een stalen gezicht geeft ze een schokkende zelfanalyse weg. Is zij de wipkip eerste klas? De mij zo bekende dertigjarige-doorgedraaide meidenflip of wat? 

“Maar ja… ons is altijd gezegd dat we alles kunnen. We kijken er erg van op als we niet altijd overal in slagen. Tegenslag kunnen we dus niet goed uitstaan.” Ze lacht verontschuldigend, lijkt warempel als twee druppels op mijn dochter. Even later lanceert de twintigjarige jongen zijn geweldige idee om de politiek te verjongen via de G500 en op de vraag of de jonge schrijfster daar aan mee zal doen, schuift ze nogmaals een duit in het zakje.
“Nee wij doen nooit iets als er geen echte aanleiding voor is.” Zij weet zelf dus verdorie dondersgoed wat er aan schort? Stof tot nadenken.

Is hier een simpele verklaring voor te vinden in de geschiedenis?

 

 

De Fröbelschool was gericht op de ontwikkeling van het KIND.

Vijfendertig lieverdjes van allerhande komaf in één klas. Op elkaar gepropt onder gezaghebbende leiding in rustig geduld, vaste regelmaat en groepsgewijs. Discipline, samenwerken, elkaar helpen, maar dan wel op het driejarige lijf, ervaring, begrip en kunde toegespitst.

Vijftig jaar geleden hing het uiteraard ook af van een toegewijde kleuterjuf die haar vak verstond, maar het personeel wist waartoe leermateriaal diende of welke ontwikkeling taalkundig bij kleuters paste.
Vroeger kreeg de driejarige spelenderwijs ruimtelijk inzicht. Passen en meten ging in passend tempo en via het principe dat lichaam en geest in harmonie moesten opgroeien. Opdat het evenwichtige sociale burgers werden, die hun eigen verantwoordelijkheden leerden dragen.

Waarom dacht u dat destijds die nopjes aan puzzelstukjes zaten?


Omdat de kleintjes ongemerkt leerden die fijne vingertjes te gebruiken. Opdat ze daarna een potlood, prikpen, penseeltje of lijmkwastje op de juiste wijze vast konden houden. Fröbelen heette dat en over het nut daarvan was wel degelijk intensief nagedacht. Er bestonden uitgekiende leermiddelen waarbij en passant tastzin en ruimtelijk inzicht werden getraind en geen kind had door dat ze leerden, iets moesten presteren. “Oh, kijk es, juf, van vier driehoekjes kun ik een grote vierkant leggen.”

"Inderdaad Jan, daarmee kun jij een kubus leggen, maar ik kan er ook een huisje van bouwen, zie je wel?"

Blokken stapelen. Door schade en schande leren dat breed van onder beter stand houdt dan te omvangrijk van boven. Lichamelijke motoriek werd ongezien getraind. Meetkunde op kleuterniveau. De hele groep deed er enthousiast aan mee als Juffie het spannend bracht en door het lokaal lange en korte stokken verstopt had, die allemaal tien centimeter van maat verschilden. Ieder kind mocht op zoek, was apentrots als het een stokje gevonden had. Tot ze allemaal op de grond verzameld waren en op grote werden gesorteerd. Wat bleek? Ze ontdekten gezamenlijk (zogenaamd zelf) dat ze een trapje konden bouwen. Op zo’n kindergezicht was iedere ontdekking af te lezen en voor die bevrediging deed de leerkracht het tenslotte. Ziet u het? Zo’n glunderend kinderkopje ontdekt dat 2 x een halve meter even lang is als die ene van één meter? Vijf kortere passen samen precies naast die lange stok. Optellen en aftrekken in aanschouwelijke delen. Een doortrapte leermethode. De leraar die van het vak hield zorgde ervoor dat de lichamelijke ontwikkeling gelijk opging met cognitieve kennis. Hij/zij zag welk kind voor was en natuurlijk wilde een bolleboos een langzamere vriendje wel helpen. Wie wilde nou niet meester of juffrouw bijstaan?

We hadden enkele vaste thema's zoals Pasen. Kerst, lente ,herfst en winter.

Prikken langs een lijntje, mooi regelmatig. Dat was oefenen uiteraard. Eerst een strandbal en later dat fameuze bijbehorende schepje. Indien de gaatjes mooi gelijkmatig waren geprikt kon je het strandgereedschap uit het papier drukken. De buurman, die met grote stappen snel thuis wilde zijn, prikte hier en daar een gat en dacht triomfantelijk dat hij als snelste van de klas gewonnen had. Uiteraard scheurde de steel van zijn strandschep en toen hij het op een brullen zette dacht ik: ”Dat komt ervan, had je maar...”

 

Snel daarna prikten we een paashaas, die we eerst hadden mogen kleuren en voorin de klas stond het lichtende voorbeeld. Wat zou het mooi worden. Met de tong uit de mond geconcentreerd de prikpen langs de flaporen leiden. Veel werk, daar was geduld voor nodig. Buurman zat zich deze keer ook met het zweet op zijn voorhoofd de pokken te prikken. Later vlochten we er het mandje bij met bontgekleurde reepjes. Op en neer steken en nog een keer, net weven. De bovenkant moesten we via puntjes terugvouwen opdat de laatste vlechtreep niet los zou schieten. Het grootste meesterstuk was echter wel de stevige ronde onderkant. Dat moest voorzichtig met de schaar. De lipjes langs de ronding moesten we heel voorzichtig in knippen en omvouwen. Het paste perfect, was bijna een wonder. Daarna knoeien met witte lijm opdat we de bodem onderin het vlechtwerk konden plakken. Juffie jaste op het laatst twee nietjes door het hazenlijf. Dat deed hem helemaal geen zeer. Met de mand voor de buik mocht Pim Paashaas op Goede Vrijdag mee naar huis. Met een beetje geluk kreeg ik er zoete eitjes in tot het echt Pasen was en ik een nieuwe jurk kreeg.

 

In dat degelijke kleuteronderwijs zette men vijfentwintig jaar de schaar 

Het kind moest vroeger, beter, sneller en leuker kunnen leren. Leerblokkendozen waren passé, maakten plaats voor minder beproefde maar super moderne leermiddelen. Wie leerde kinderen nu op te ruimen en welke blokjes thuishoorden in welke doos? Een oefening respect voor maat en materiaal ging roemloos ten onder. Alles werd aangepast. Ongesorteerd in de saaie mand lagen wat kleurige blokken en zo paste men bijna alle goed doorwrochte leermiddelen aan, kregen kinderen meer inbreng en veel meer ruimte.

Tegenwoordig laat men de kleintjes hele ingewikkelde moskeeën prikken en de juf kijkt er vreemd van op dat haar peuters halverwege de moed opgeven omdat hun concentratieboog te kort is. Ze drensen, lopen rond, vervelen zich en om de twee weken wordt er met thema’s gewerkt waardoor basiskennis niet aan bod komt. Daar zijn kleuters niet aan toe, al wil iedere vernieuwer de natuur te snel af zijn. Van driejarigen vergt het een onheus groot vermogen, alsof men wil dat ze veel te vroeg nepvolwassenen worden. Waarom moeten peuters er zoveel opgeleukte snelle kennis via de hersenpan instampen op het moment ze daar lichamelijk en geestelijk nog lang niet klaar voor zijn? Wie zijn wij om toekomstige volwassenen een op hun maat gesneden ontwikkeling te ontnemen door hen vergankelijk lege vluchtigheid op te dringen als ze niet eens meer achteruit kunnen lopen? Met de auto gehaald en gebracht. Dat dan weer wel, maar als het op zo’n jonge leeftijd al uit zijn verband gerukt raakt is het niet verwonderlijk dat er twintig jaar later onbeheerste, om zich heen slaande emo-klojo’s, rondstampen. Wel met een hooghartige grote bek, maar zonder bijbehorend inzicht. Tieners die extreme soorten eenzijdige bevrediging opeisen. Onmiddellijk. Half bewusteloze naar zichzelf zoekende jongeren dolen rond. We kijken zonder zorgen op de tv naar hun uitspattingen. Het zijn uitwassen van onthechtheid. Dertigjarigen roepen op uiterst verwijtende toon: “Dat moet gemakkelijker kunnen. Wij willen eindelijk óók kunnen ZIJN!” Dat is dan helaas wel dertig jaar te laat en de intussen doorgemaakte ontwikkeling heeft soms het emotionele vermogen van een kleuter

Waar ging het dan verkeerd? 

Ergens heel vroeg in hun nog prille leven? Het begint al in de wieg, dat ophemelen, dat strelen en over het paardje tillen en wie de allerkleinsten hun eerste ontwikkeling ontsteelt moet niet vreemd opkijken als we door opgedroogde emo-krukken worden terechtgesteld. Zijn we nog wel goed wijs of wat?

Maurice de Hond maakt het straks allemaal nog veel bonter met zijn Steve Jobschool internet leertablet. Daarover schreef ik al eens een gillend waarschuwingsartikel, maar ja, wat de natuurlijke kinderontwikkeling betreft roep ik tegen dovemans oren.

 

Reacties (9) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Dit komt binnen bij mij... heb weer veel (opnieuw) geleerd. Duim!
Topper ben je! D
Helemaal mee eens. Heel goed geschreven. De emo-kannibaals dat woord heb ik eerder gelezen vandaag en die houden we erin.
o ja duim voor het schrijven
Je hebt gelijk... zoals die digiborden: ze zijn wel makkelijk, maar kinderen raken steeds minder snel geboeid door dingen.. Ik ben er persoonlijk geen voorstander van. We kunnen beter terug naar het 'eenvoudige' leven en tevreden zijn met wat we hebben en kunnen.
Halverwege raakte ik je even kwijt, om je dan weer terug te vinden. :)
Ik herinner me eigenlijk weinig van mijn kleutertijd op een paar gevechten op het schoolplein en de hoofdrol in een toneelstuk als een norse boer die de slakjes moest wegjagen na.
Ik denk dat we gewoon heel de tijd aan het spelen waren..
Je bezorgdheid is heel duidelijk.
duim!
Tja, kinderen moeten tegenwoordig worden opgevoed als niet nadenkende (vooral niet vragende) consumentenmachines. Zijn we net van de legkip af, zijn we onze eigen consu-kindjes aan het opkweken... Duim