De Derde Hel

Door Rahim00 gepubliceerd op Friday 28 September 12:11

De Derde Hel, een kort verhaal

De Derde Hel  

Vanmorgen toen mijn vrouw nog sliep, kroop Ik heel voorzichtig uit bed. Zachtjes, om te voorkomen dat zij wakker zou worden, ging ik naar beneden richting de binnenplaats. Het was voor zonsopgang, waardoor de wereld zich nog in een ochtendschemering bevond. Ik liep kalm en ogenschijnlijk doelloos een paar keer heen en weer. Toen ging ik terug naar boven en stak even mijn hoofd bij de slaapkamerdeur naar binnen. Mijn vrouw sliep nog. Geruisloos deed ik de deur achter me dicht zodat ik haar niet zou storen. Ik liep voorzichtig op mijn tenen naar de andere kamer die we als berging gebruikten. We hadden twee slaapkamers, een kleine keuken en een wc. Een badkamer was er niet. Dicht bij ons huis bevond zich wel een openbaar badhuis.

Toen ik de andere kamer binnenliep, probeerde ik de deur geluidloos achter me te sluiten, maar door ouderdom bleek dat niet zonder piepen en kraken te kunnen. Daardoor was ik bang dat mijn vrouw toch wakker zou worden en mij zou betrappen. Midden in de kamer bleef ik een ogenblik stilstaan, luisterde aandachtig om er zeker van te zijn dat zij nog sliep. Toen deed ik de kast open waarin haar kleding, andere benodigdheden en ook haar sieraden lagen. Ik pakte de kledingstukken één voor één uit de kast en legde ze neer op een oude ijzeren tafel die er naast stond. In een hoekje van de kast, helemaal achter de kleren weggestopt, stond een klein antiek houten doosje. Ik nam het doosje in mijn handen. Maar ik schrok toen ik me ineens afvroeg wat ik tegen mijn vrouw moest zeggen, als ze nu onverwachts binnen zou komen.
Plotseling dacht ik aan een uitspraak van Sartre over ‘de blik van de ander’. De bewering dat de ontdekking van de eigen identiteit afhankelijk is van de ander. Dat de blik van die ander weergeeft wie ik ben: hoe ik er uit zie en hoe ik me gedraag.

Maar gelukkig, mijn vrouw sliep door. Achter mijn rug bevond zich geen blik van iemand anders, die mij zou laten zien dat ik een dief was. Ik maakte het doosje langzaam open. Mijn vrouw had al haar sieraden hierin gestopt, om te voorkomen dat ze gestolen zouden worden. Een aantal gouden ringen en een gouden armband. Voorzichtig pakte ik de armband er uit en stopte hem in de binnenzak van mijn jas die aan de kapstok hing. Die armband had ik jaren geleden voor haar gekocht als huwelijkscadeau. Zij droeg hem alleen bij bruiloften of andere feestelijke gelegenheden.
Ik deed het doosje weer dicht en zette het terug in de kast. Ik legde ook al haar kleren heel snel terug, precies zoals ze daar hadden gelegen om geen spoor achter te laten. Ik ging terug naar de slaapkamer en kroop weer in bed.
Normaal gesproken wekte ik mijn vrouw ’s ochtends om het ontbijt klaar te maken, maar vandaag bleef ik gewoon in bed liggen, deed alsof ik sliep en zei helemaal niets totdat zij uit zichzelf zou ontwaken.

Vanmorgen heb je vergeten mij wakker te maken”, zei mijn vrouw terwijl ze het ontbijt voor mij op de grond zette, “of had je een mooie droom?”
“Mooie droom? Ja, ik had een mooie nachtmerrie,” wilde ik zeggen maar hield me in.
“Waarom praat je niet? Wil je ziek worden? Wij zullen niet dood gaan van honger, niemand is ooit van honger dood gegaan, God is barmhartig. Misschien vind je vandaag wel ergens werk. Anders verkoop ik mijn sieraden wel”.
“Je sieraden verkopen? Hoe kom je daar bij? Je sieraden verkopen, Je sieraden verkopen …” mompelde ik nog een paar keer.

Ze zweeg en sloeg haar ogen neer. Waarschijnlijk had ze al spijt van wat ze had gezegd. Zij scheurde het brood met haar handen in tweeën, legde het stuk dat het grootst leek te zijn naast mijn bord en hield de andere voor zichzelf. Pakte weer een brood, deelde deze eveneens in twee stukken en legde die weg voor de kinderen. Nadat ze thee had ingeschonken en het glas naast het brood voor mij neer zette, ging mijn blik naar haar pols, precies daar waar ik ooit die armband had vastgemaakt. Tranen wilden mijn ogen vullen, een luide schreeuw wilde mijn keel doorboren, maar al heel snel deed mijn verstand zich gelden om me daarvoor te behoeden. Dus probeerde ik bij het overdenken van mijn laffe plannen mijn hoofd te gebruiken en mijn geweten te sussen met het idee dat ik haar armband niet zou verkopen, maar gewoon voor een weekje in pacht zou geven. Als ik wat geld verdiend zou hebben, zou ik mijn schuld aflossen, de armband mee terugnemen en hem weer op zijn plaats leggen, zonder dat mijn vrouw het ooit te weten zou komen. Het was niet slecht wat ik deed. Ik zou het immers niet doen om naar de bioscoop te gaan of feest te vieren, maar omdat ik geen rooie cent meer had om brood te kopen.

Later op die dag besefte ik dat hoe wij, mensen, voor alles wat we doen een reden weten te vinden en zo onze daden op de één of andere manier proberen te rechtvaardigen.

Nadat ik de winkel was binnengestapt, de armband op tafel had gelegd en de man die tegenover me stond me recht in de ogen keek, herinnerde ik me als de dag van gisteren het moment dat ik als jongetje van een jaar of acht door de juf betrapt werd, toen ik de pen van mijn vriendje had gestolen.
De winkelier keek naar de armband en vervolgens weer naar mij. Na mij begroet te hebben, vroeg hij of hij me kon helpen.
“Goedemorgen,” zei ik terug, “ik wil deze verkopen.” “Verkopen?” zei hij argwanend en vol ongeloof. “Nee, eh ik bedoel eigenlijk….” Maar voordat ik mijn zin kon afmaken stak hij zijn hand uit, pakte de armband van tafel en bracht hem dichter naar zijn ogen. Keek heel aandachtig naar het sieraad terwijl zijn vingers tussen de edelstenen door heen en weer bewogen. Ik voelde me op dat moment zo verpletterd alsof zijn hand mijn borstkas had opengescheurd en met zijn vingers mijn hart eruit had gegrist. Waarna mijn kloppende hart zich als een gevangen vogeltje in zijn hand bevond en zich met alle geweld weer los wilde maken. Ik begon te trillen, trok onbewust mijn hand uit mijn broekzak en hief hem omhoog om de armband uit zijn hand te pakken. Maar ik deed het niet, trok hem weer terug en probeerde me verder te beheersen.

“Wil je hem verkopen?” herhaalde hij en liep naar zijn werkkamertje. Het duurde nog geen minuut toen hij terug kwam met een loep in zijn hand. “Ja, het is goud, maar niet van goede kwaliteit. Bovendien moet ik ook de bijbehorende papieren hebben.”
“Hij is van mijn vrouw, ik heb geen bon meer, want ik heb hem al jaren geleden in mijn eigen land voor haar gekocht. Nee, papieren heb ik niet”.
“Neemt u mij niet kwalijk, meneer, ik wil u best geloven, maar dagelijks komen hier tientallen mensen die iets willen verkopen en in meer dan de helft van de gevallen hebben wij met gestolen goederen te maken.”
“Gestolen goederen? Wat bedoelt u? Denkt u dat ik een dief ben?” vroeg ik hem verontwaardigd. “Nee, dat bedoel ik niet meneer, maar zonder bijbehorende papieren kan ik hem niet kopen.”

Ik pakte de armband, stopte hem terug in mijn binnenzak. Maar toen ik voor de deur stond om de zaak te verlaten, riep hij me terug: “Wacht even. Waar woon je?”
“Hier in Shiraz achter de bazaar.”
“Mag ik hem nog eens zien?” Ik gaf hem de armband terug. Hij keek wederom uitvoerig naar de armband en nam ook mij nog eens een keer van top tot teen op. Uiteindelijk zei hij op een bijna broederlijke toon tegen me dat hij toch bereid was hem te kopen omdat ik als een goede en betrouwbare man bij hem overkwam.
Voor de helft van de prijs die ik er ooit zelf voor had betaald, verkocht ik de armband aan hem nadat we waren overeengekomen dat hij hem voor de komende vier weken niet aan iemand anders mocht verkopen. Pas als die tijd om was en ik niet bij hem terug was geweest, mocht hij hem te koop aanbieden. Ik stopte het geld in mijn binnenzak en verliet de winkel. Maar voordat ik wegliep draaide ik even mijn hoofd om en keek naar het uithangbord van de winkel: ‘Quds Jewellery’. 

Eerst wilde ik direct naar huis gaan en de helft van het geld ergens verstoppen maar later realiseerde ik me dat mijn vrouw me dan misschien zou vragen, waarom ik ineens terug was gekomen. Dus besloot ik naar de bazaar te gaan.

Onderweg naar de bazaar, had ik, ondanks dat ik heel langzaam en voorzichtig liep, met elke stap die ik deed, ontzettend veel last van mijn rug. En elke keer als ik de pijn voelde, gingen mijn gedachten terug naar het moment, drie weken geleden, toen mijn werkgever mij  als een ‘dode hond’, zoals hij dat zelf had gezegd, had weggegooid. Daarna had ik geen werk meer kunnen vinden, nog was ik in staat om te werken vanwege de verschrikkelijke pijn die ik had.

Anderhalf jaar geleden waren wij na weken lang te hebben gelopen hier in ons buurland Iran  aangekomen. Wij huurden daar net als veel andere gevluchte landgenoten een klein huisje in een oude wijk midden in de stad Shiraz. Wij hadden ons land verlaten omdat een ander buurland, de Sovjet Unie, onze dorpen en steden met bommen en raketten bestookte en er op deze manier een communistisch paradijs wilde stichten.
Na onze komst, was ik meteen als knecht bij een bouwbedrijf gaan werken en zou al die tijd bij datzelfde bedrijf blijven. Hoewel het werk in de bouw voor mij eigenlijk veel te zwaar was -  ik had altijd voor de klas gestaan -, was ik toch blij dat ik niet meer door de dood werd achtervolgd. Bovendien was dit het enige - naast wat ander zwaar en vies werk - dat Afghaanse vluchtelingen mochten doen.

Op een donderdagmiddag toen ik mijn handen en gezicht aan het wassen was en me voorbereidde om naar huis te gaan, hoorde ik de baas van het bedrijf, een forse man met een enorme snor, tegen me roepen: ‘Kom hier, Afghaan!’ ‘Oké,’ zei ik en ging naar hem toe, nadat ik mijn gezicht had afgedroogd.’

‘Afghaan, Ik heb een slechte mededeling voor je.’ “Slechte mededeling?” vroeg ik aarzelend, terwijl ik de grond onder mijn voeten weg voelde zakken. “Geen paniek, maar ik wou even zeggen dat het niet goed gaat met ons bedrijf. En misschien begrijp je het zelf wel al.”
“Ik? Nee, ik begrijp het niet,” zei ik bedeesd.
“Dat dacht ik al, Afghaan! Nee, Afghanen snappen dit soort dingen niet. God heeft jullie alleen gemaakt om als bulldozer te werken. Luister goed, Afghaan, vanaf morgen hoef je niet meer te komen.”
“Niet komen?” “Nee, niet komen,” sprak hij me na, “wij hebben geen werk meer. Snap je dat? Of ben je nog niet wakker?”

Hij haalde een bundel bankbiljetten uit zijn leren koffer en overhandigde die aan mij. “Dit is je salaris tegoed. Stak zijn hand weer in de koffer en haalde er nog een stapeltje papiergeld uit. “En dit krijg je als dank voor je inzet. Duidelijk zo, Bulldozer? Heb je in je eigen land ooit zoveel geld bij elkaar gezien?”
Hij noemde me de ene keer Bulldozer en de ander keer Afghaan. De eerste dag dat hij als nieuwe eigenaar op het bedrijf verscheen, had hij me gevraagd hoe ik heette. “Omar” antwoordde ik, maar meteen had ik mezelf verbeterd door Shahram te zeggen, toen ik me herinnerde dat de reisgids me had verteld dat ze het in Iran niet leuk zouden vinden als je Omar of Osman heette.
“Shahram?” herhaalde hij, terwijl hij me breed grijnzend aankeek. En vroeg me of ik mijn gezicht in de spiegel had gezien toen ik deze naam had gekozen. Toen vertelde hij me dat ik geen Shahram hoefde te heten. En zei dat hij een goede naam voor me had en vanaf dat moment noemde hij me Bulldozer. Pas later begreep ik dat hij alle Afghanen Bulldozer noemde.

“Ja, ik snap het.” zei ik, pakte het geld en bedankte hem. “Maar…., maar….”
“Waarom sta je daar te stotteren als een zieke haan: maar…. maar….? Waarom praat je niet gewoon als een mens?” onderbrak hij mij geërgerd.
“Niks, maar.…maar…..ik wil graag weten wanneer ik de rest van mijn geld krijg.” ging ik verder.
“De rest van je geld? Je hebt niet begrepen wat ik heb gezegd, Afghaan, het gaat niet goed met ons bedrijf!”
“Ik begrijp het, meneer, maar….”
“Je zegt weer: maar…., maar. Heb jij uit Afghanistan geld meegenomen?” vroeg hij met een minachtend lachje rond zijn mond, terwijl hij zijn hoofd naar een collega keerde.
“Nee, maar mijn salaris…..”, stamelde ik.
“Luister, Afghaan wil je zelf weggaan of moet ik je als een dode hond weggooien?”

Gedurende de achttien maanden dat ik daar had gewerkt, had ik elke maand de helft van mijn salaris bij het bedrijf achtergelaten. De vorige eigenaar van het bedrijf had me beloofd dat hij mijn geld voor me zou sparen. Omdat ik zelf geen bankrekening mocht openen was ik daarmee akkoord gegaan en was blij dat mijn geld bij hem veilig was. Drie maanden geleden toen de oude baas afscheid nam, vroeg hij mij of ik mijn geld wilde hebben. Maar ik wilde het liever op de bank laten staan. 

Die dag ging ik woedend en teleurgesteld naar huis. Onderweg zat ik me suf te piekeren om een oplossing te vinden om mijn geld terug te krijgen. Aangifte doen bij de politie was voor mij geen optie want ik had geen geldige papieren. Ik kon ook niet eens bewijzen dat ik geld bij hem had. Hem bedreigen met de dood, dat zou geen indruk maken, want hij wist dat ik een zachtmoedig mens was. Hem gaan smeken en misschien huilen om mijn geld terug te krijgen? Maar dat doet een Afghaanse man niet. Zelfs niet als hij zijn leven verliest, laat staan zijn eigen bezit. Nee, huilen kon ik niet.

Hoewel ik wist dat het geen zin zou hebben, besloot ik toch om nog een keer met hem te gaan praten.
Na een week thuis te hebben gezeten, ging ik de volgende donderdag weer naar het bedrijf:
“Goedemiddag”, zei ik toen ik zijn kantoor binnenstapte.
“Goedemiddag. Alles goed met Bulldozer?” antwoordde hij zonder me aan te kijken.
“Ja, dank u meneer. Met u ook? En met de kinderen?”
“Ja, bedankt, gisteren zijn ze hier geweest. Maar wat heeft je hier gebracht; heb je ons gemist misschien?”
“Ja, dat ook.”
“Maar, wat anders dan?” vroeg hij ongeduldig.
“Ik heb nog geen werk gevonden, ik heb mijn geld nodig, meneer.”

Hij stond op, haalde een paar bankbiljetten uit zijn portemonnee en stak zijn gevulde hand naar me uit, maar trok hem vervolgens weer terug. Terwijl hij daarna zijn arm omhoog hief, zei hij:
“Luister Afghaan! Zet je oren goed open! Vorige week gaf ik je je salaris met nog wat extra’s, maar nu blijkt dat je het niet hebt begrepen. Nou ja, vooruit, neem dit dan nog maar!” Hij pakte met zijn linker mijn rechterhand en legde met zijn andere hand het geld erin. “En hierna wil ik je smerige smoel niet meer zien. Heb je dat goed begrepen?”

Ik pakte het geld van hem aan, maar legde het meteen weer voor hem op tafel neer en zei: “Ik vraag niet om liefdadigheid, meneer, ik wil gewoon mijn eigen geld. Ik heb hier hard gewerkt en bovendien wil ik niet dat u me nog langer beledigt. Het is genoeg geweest, meneer”.
Toen riep de baas drie jonge mannen bij zich en zei tegen hen:
“Gooi deze stinkende vuilniszak even weg. Deze viezeriken hebben het hele land vervuild.”

Zo hard als ze konden, duwden ze me naar buiten. Ik viel achterover op de grond. Ik voelde daarna zo ontzettend veel pijn in mijn rug alsof die door midden was gebroken. Toen ik een paar minuten zo stil bleef liggen, raakte de baas in paniek. Ik hoorde hem aan één van de jongens opdracht geven om me naar het ziekenhuis te brengen. Ik zou tijdens het werk van de ladder gevallen zijn.
Maar nadat ik een beetje begon te bewegen en met heel veel moeite overeind kwam, veranderde hij kennelijk van gedachten. Hij kwam naar me toe en vroeg of het goed met me ging. Ik zei niets, ik veegde met de mouw van mijn jas de tranen van mijn wangen af.
“Gaat het goed Afghaan?” vroeg hij nu met wat meer nadruk.
“Ja” zie ik zachtjes, echter zonder hem aan te kijken, terwijl een ondragelijke stekende pijn door mijn hele lichaam trok. Ik was er nu van doordrongen dat ik het moest vergeten, vergeten dat ik geld bij hem had. Dat elke poging om mijn geld terug te krijgen zinloos zou zijn.

Toen ik heel langzaam en met veel moeite weg liep, hoorde ik hem weer roepen:
“Wacht even Shahram!” Dit was de eerste keer dat hij mij niet Bulldozer of Afghaan noemde maar gewoon met mijn naam aansprak. Ik voelde me daardoor weer wat bemoedigd en dacht meteen dat hij me mijn geld terug wilde geven. Hij kwam naar me toe, klopte zachtjes op mijn schouder en zei op bijna vaderlijke toon:
“Sorry, voor wat er allemaal is gebeurd, dat was helemaal niet mijn bedoeling. Wil je naar de dokter?” “Nee” antwoordde ik, waarop hij weer een bankbiljetje uit zijn portemonnee haalde en zei:
“neem dan maar een taxi want ik zie dat het niet goed met je gaat.” Met een kort hoofdgebaar wees ik zijn aanbod af en verliet het pand om nooit meer terug te keren.

Maar nu drie weken later was het enige dat ik nog kon, als ik niet wilde bedelen of sterven van de honger, ergens in de stad op een plekje gaan zitten en allerlei artikelen verkopen. Ondanks dat dat door de gemeente verboden was, zag je honderden mensen verspreid in de drukke straten van de stad iets te koop aanbieden. Alles, van groenten en fruit tot sieraden, kleding, kinderspeelgoed, enz. Nadat ik een paar dagen thuis had gezeten, ging Ik ook van het kleine beetje geld dat ik had gespaard, speelgoed kopen om dat ergens op een hoekje van de straat weer te verkopen. De eerste paar dagen ging dat heel goed, ik verdiende genoeg om er van te kunnen leven. Maar in de tweede week werd ik betrapt door de gemeenteambtenaren die constant in de stad patrouilleerden. Ze gaven geen boete maar namen al mijn handelswaar mee. Dus die dag ging ik met lege handen naar huis. Daarna ging ik wat geld lenen van vrienden, maar bij de eerstvolgende keer werd ik opnieuw aangehouden en weer werd alles meegenomen.

Voor vandaag had een vriend me een goede en volgens zijn zeggen veilige buurt aangewezen waar nauwelijks werd gecontroleerd. Maar nu had ik geen geld meer om te eten, laat staan speelgoed te kopen. Dus ik had geen andere keuze dan te stelen, stelen uit mijn eigen zak, of beter gezegd die van mijn vrouw. Ik ging naar de bazaar kocht weer wat speelgoed en begaf me naar de straat die mijn vriend me had aangewezen. Ik zocht een geschikt plekje tegenover een bank, onder een oude acacia boom, en legde alle speeltjes netjes, één voor één naast elkaar op een stuk plastic op de grond neer. Ik stak een sigaret op, inhaleerde diep en wachtte op mijn eerste klant.

Het was een zonnige warme dag - de temperatuur lag rond veertig graden. Iets verder op zat een oude vrouw te bedelen. Haar hele lichaam was bedekt door een stof wat in Iran als islamitisch zwart katoen werd aangeduid. Vanwege de hitte liepen er regelmatig zweetdruppels over haar gezicht en zij veegde hen om de paar minuten met haar islamitische hoofddoek weg.

Ik hield de omgeving nauwlettend in de gaten en keek links en rechts tussen de passerende menigte door om te zien of er controlerende ambtenaren vielen te bespeuren. Elke keer als ik een man zag die een licht roze overhemd en een donkerbruine broek droeg, begon mijn hart sneller te kloppen en ikzelf te trillen als een rietje.

Tijdens de twee uur die ik daar inmiddels had gestaan, had ik enkele keren wat weten te verkopen. Ik was heel blij dat ik daardoor tenminste een paar broden voor mijn kinderen kon betalen; zodat ik niet met lege handen terug naar huis hoefde te gaan. Toen bedacht ik me dat als het elke dag zo zou gaan, ik over een paar weken de armband van mijn vrouw terug zou kunnen kopen. 
Ik leunde met mijn rug tegen de stam van de acacia, omdat ik ontzettend veel pijn had. Ik staarde naar de passerende menigte. Alle vrouwen en meisjes, zelfs hele jonge meisjes waren bedekt met een speciaal soort hoofddoek, volgens islamitisch ontwerp. Het waren net lopende zwarte kraaien. 
Als ik zat was de pijn iets beter te verdragen, maar dan liep ik het risico dat ik betrapt werd door de controleurs. Dus hoe ondraaglijk de pijn ook was, ik moest wel blijven staan.

Op een gegeven moment zonder het zelf te beseffen, dwaalden mijn gedachten weer af. Ik moest denken aan een oude man die ik bij het oversteken van de grens tussen Iran en Afghanistan had ontmoet. Een man van in de zestig, zoals hij zelf had verteld, maar hij leek veel ouder. Na een lange tijd in Iran te hebben gewoond, wilde hij terug naar Afghanistan. Ik zag hem nu zo scherp voor mijn ogen alsof hij in levende lijve voor me stond. Op mijn vraag waarom hij terug wilde gaan terwijl de oorlog nog niet voorbij was, had hij zuchtend en mistroostig geantwoord:
“Wat moet ik zeggen? God moge mij vergeven, hij heeft naast de ene hel die iedereen kent, ook twee andere hellen op aarde geschapen, speciaal voor Afghanen. Het ene is het buurland Pakistan en het andere is Iran”.
Ik wilde ook weten waarom hij dat vond, maar hij had geen tijd meer en moest verder trekken. 
Toen dacht ik weer aan mijn vrouw en mijn kinderen, die rustig lagen te slapen terwijl ik als een professionele inbreker in mijn eigen huis liep te stelen. Ik dacht aan de schaamte die me was overvallen toen ik bij de juwelierszaak mijn gezicht in de spiegel had gezien. Ik schaamde me voor mezelf. Ik had meteen mijn hoofd omgedraaid alsof ik het gezicht van iemand anders zag, die mij op heterdaad had betrapt en keek vervolgens naar de winkelier die bezig was het geld uit zijn kluis te halen. 

“Controle!” hoorde ik plotseling iemand roepen. Geschrokken draaide ik mijn hoofd om. Ik zag een jongen van een jaar of dertien, met een karretje vol met groente, wegrennen. Ineens vielen ze allebei onderste boven, nadat hij zijn evenwicht had verloren en de kar vervolgens tegen de stoeprand was op gebotst. In een cirkel met een straal van twee meter rondom zijn karretje lag al zijn groente op de grond verspreid.
Een man van middelbare leeftijd die een paar pakjes sigaretten op een lege doos had uitgestald, pakte zijn sigaretten op, stopte ze razendsnel in een tasje en rende weg.
Toen zag ik een auto, een bestelwagentje met open laadbak, vol met ambtenaren, allemaal gekleed in hetzelfde uniform: lichtroze overhemd en donkerbruine broek. Ze sprongen bliksemsnel als commando-eenheden uit de auto en renden alle kanten op. Twee ervan kwamen op mij af. Ik pakte mijn handel en wilde wegvluchten.
“Stop! Stop, zei ik!” hoorde ik roepen. Eerst wilde ik aan hun bevel gehoor geven en stoppen want ik dacht dat ik niet kon rennen. Maar toen ik zag dat de afstand tussen ons groot genoeg was, liep ik hard weg.
“Stop, stop…!” riepen ze weer, terwijl ze me hard hollend achtervolgden. Elke stap die ik zette, voelde ik een stekend pijn in mijn rug, alsof er iemand met een gloeiend heet mes mijn ruggengraat bewerkte. Hoe pijnlijk het ook was, ik bundelde al mijn krachten en rende zo hard ik kon, alsof het een strijd op leven en dood was. Toen ik merkte dat ik genoeg afstand van hen had genomen om mij niet meer te kunnen pakken, voelde ik me enigszins opgelucht. Ik hield me wat in, waarmee ook mijn ademhaling weer wat rustiger werd. Maar ineens hoorde ik één van hen hard roepen:
“Pak hem, ‘t is een dief, laat hem niet ontsnappen, pak hem!”

Ik keek even om me heen om te zien wie en waar die dief was. Maar ik zag niemand die op een dief leek. Ik zag alleen gewone mensen die op mij af kwamen rennen. Voordat ik wist wat er allemaal aan de hand was, voelde ik hoe ik met geweld een enorme klap op mijn achterhoofd kreeg. Toch was deze niet hard genoeg om mij op de grond te laten vallen. Ik rende nog steeds terwijl ik om me heen de hele wereld zag ronddraaien, zoals de aarde rond de zon draait. Ik liep nog enkele tientallen meters door, maar voelde me toen zo duizelig worden dat ik nauwelijks nog op mijn benen kon staan. Bovendien zag ik niets meer, zodat ik niet wist welke kant ik op moest. Ik stopte, schudde mijn hoofd heen en weer en probeerde die draaiende wereld rondom mij hoofd stop te zetten.
Toen kreeg ik plotseling van alle kanten klappen. Sommige erg hard, andere minder heftig en soms waren het slechts zachte tikjes. Zo sloegen me overal op mijn lijf, op mijn rug, op mijn benen, op mijn buik en…. ik viel op de grond. Ik hoorde mannen, vrouwen en zelfs kinderen roepen:
“Sla hem dood, hij is een dief, we hebben hier een dief!”

Ik draaide mijn ogen even naar rechts en ik zag de controleurs naar me kijken. Uiteindelijk hoorde ik ze tegen de mensenmenigte zeggen:
“Laat hem los, het is genoeg, stop maar”. Ik zag hoe een vrouw, helemaal zwart en islamitisch gekleed met haar schoen in haar hand op mijn hoofd wilde slaan, maar voordat zij dicht genoeg bij me was, pakte een andere vrouw haar hand vast, duwde haar terug en zei:
“Wat doen jullie in godsnaam? Zijn jullie niet bang voor God? Zijn jullie geen mensen? Willen jullie hem dood maken? Hij is geen dief. Kijk ik heb net een Barbie popje van hem gekocht voor mijn dochter.” Haar hand gleed zoekend in haar tas, waarschijnlijk wilde zij hen het popje laten zien. Maar voordat die tevoorschijn kwam, verloor ik mijn bewustzijn en wist niet meer wat er verder gebeurde.

Later op de dag toen ik mijn ogen opendeed, zag ik mijn vrouw en kinderen naast mijn bed staan, terwijl ze me snikkend aankeken.

Reacties (7) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Bedankt Amber.
Meesterwerk!
Bedankt allemaal voor jullie mooie complimenten en adviezen.
Ja dit had je wel in drie delen kunnen maken, goed geschreven, prettig om te lezen een dikke DUIM waard.

Pork geeft hem de DUIM.
FAN wordt hij ook.

DRIMPELS.
Ja je kunt schrijven, sorry dat ik je nu pas zie... nadat je onder mij was verschenen... dikke duim.
Je had er voor mij ook best een vervolgverhaal van mogen maken... er zitten enkel momenten in voor een spannende ciffhangers, waardoor mensen graag verder willen lezen
Prachtig geschreven, het laat ook duidelijk zien hoe we als mens de hel op aarde creëren
Wat is dit een meesterwerkje! Prachtig geschreven en ook een schrijnend voorbeeld hoe asielzoekers worden behandeld!