Het ridicule rudiment van een nietige nalatenschap.

Door Weltevree gepubliceerd op Friday 28 September 12:12

Wat is verdrongen kan weer tot leven worden gewekt, als je daar de edele moed toe hebt. Soms is het echter beter de dood met rust te laten.

Ik post hier een testament. Niet omdat erfgenamen geen brievenbus hebben. 

Zij kunnen het niet op waarde schatten. Gelukkig houden sommigen wel van recht door zee, maar biologische familie leest meestal op de kop in een sprookjesboek dat alleen zij kennen. Van origine ben ik pittig als frisse Nagelkaas. Familie ziet dat echter als een bedorven prakje. Zo’n belegen stinkend ongemakje waar de neus van baalt. Ik ben nu even bloedserieus, niet humoristisch, maar genageld aan gebroken wervelbot. 

 

Mijn oorspronkelijke doel was vrolijkheid

 

Daarmee moest ik de omgeving een gelukkig opkikkertje geven. Dwars doorheen ellende en tegenslag en daar ben ik levenslang gewetensvol mee doorgegaan. Tegen onwillige veroordelende muren knalde ik op, al heel vroeg, schudde mijn verwarde kop en dacht er veel over na. Om iets te leren. Niet kapot te krijgen weerbaar, flexibel, zo’n olijk tuimeldingetje komt immers altijd weer rechtop. 

Alles went. Zelfs hangen. Op de kop.

Opdat ik de wereld van familie in het juiste perspectief leer zien. 

Mijn levenslijstje is bijna afgewerkt, de meeste punten zijn afgevinkt. Nu van dit leven het merendeel is doorleefd, heb ik er achteraf een goed gevoel over. Creatief is eruit gehaald wat er in zat. Talent is ononderbroken ingezet, uitgewerkt tot in de verste uithoeken van het universum. Zorgzame aandacht, liefde te over als ik ook maar even denk te kunnen helpen. Daarnaast was ik verantwoordelijk lid van de activiteitencommissie der alleenstaande vereniging. Mooie herinneringen. Peetje en ik kookten graag recepten van over diverse grenzen. Allerlei feestelijks ten behoeve van de alleengaande medemens. Gossie, al die steengoede feesten in mijn atelier, waar alles aanwezig was. Stoelen, tafels, bestek en servies. Aanschuiven voor een habbekrats. Uitstekende locatie, een puike muziekinstallatie. Wat at men toch graag bij mij met vijfendertig man. Men genoot met volle teugen, hoefde er voor- en achteraf geen vinger voor uit te steken. Hulp aanbieden? Meewerken? Hoezo? Tien jaar lang en daar is geen vriendschap van overgebleven. Natuurlijk is ontkend worden, gebruikt zijn, afschuwelijk doch protesteren heeft geen zin. Acceptatie sluipt er na al die jaren ongemerkt toch in. Zelfs ontdeke ik gaandeweg nieuw talent: tevreden blijven, tegen de bierkaai in positief blijven denken. Mijn nazaat geloofde heilig in haar ‘oordeel’, trachtte het te verbloemen, maar de lichaamstaal sprak boekdelen. Angstaanjagende projecties overspoelden mij. Het is haar ooit zo hard door 'iemand' ingepeperd en dat voorbeeld stuurde haar gehele onderbewustzijn. Wie ik daarin herkende had ze niet in de gaten en ik dacht: Al ziet ze mij als vuilnisbak, ik schroef mijn klep dicht want, een getraumatiseerde heeft niets aan mijn persoonlijke leed. Ik bleef een spontane onaangepaste dame, deed niets om me voor te moeten schamen en het haar op mijn tanden zagen alleen zij die manipuleerden. Na twintig jaar merkte ik: Bij dit afgestompte éénrichtingsverkeer zal het me een verkl*te k*tworst wezen wat zij van me vindt. Dan maar geen waardering. Niet zeuren, doordouwen, niet van dat benauwde en zorgen dat mijn leven wel gelukkig en zinvol blijft. 

Tot iets anders het van me overneemt

Het ondoorzichtige kaartenhuis van heden, verleden en toekomst wordt roekeloos verspeeld.
De met een vochtige theedoek afgedekte pannen staan onder de keukentafel tegen de verwarming. Het deeg is prima gerezen. Net als ik op mijn knieën door de keuken kruip (hoe illustratief) om de drie pannen te voorschijn te schuiven, schiet een enge elektrische schok door mij lijf. Het brandt door merg en been. Hopend dat de pijn overgaat bak ik met dochterlief en weledele aanhang doodleuk de gebruikelijke oud-en-nieuw-bijdrage bruin: 135 oliebollen, 35 appelbeignets plus 25 bananenpartjes.

Nieuwjaarsdag lopen we dik ingepakt door de sneeuw.

Aan mijn linkerkant hangt niet alleen een zak oliebollen om weg te geven, maar ook een rare lamme klapvoet. Stapper de flap. “Mens, wat heb jij nou weer?” zucht ze verwijtend. “Kun je nou nooit normaal doen?” Ik mankepoot naar de Nieuwjaarsborrel bij haar aanstaande schoonouders en Hare Hooghartigheid doet of ik, het stoute kind, pestend om aandacht zeur. Zou ze echt denken dat het aanstellerij is? Het stel blijft gelukkig bij de echte familie. Die nacht slaap ik thuis. Alleen. Zalig, maar ‘s morgen hang ik als een gebroken vogel langszij mijn bed. Ik kan niet meer staan! Schrik slaat in als een bom. Enkel nog een angstig verdwaasd lijf ben ik en nog nooit voelde ik me zo hulpeloos. De huisarts onderneemt doortastende  stappen, maar de brancard kan enkel rechtop door het smalle trapgat. Die stunt zien de heren met reflecterende strips op de turkooizen ziekenhuispakken niet zitten. Terwijl ik verga van de pijn pruts ik tree voor tree op de billen de trap af, waarna men mij in het ziekenhuis onder zo’n zoemend apparaat schuift. Hoezo bang? Hoezo sterk? Ikke is zo piepjes onnoembaar kleintjes van verdwijne schijntjes.

Droge mond, totaal verstomd lig ik in de kale catacomben.

Ben ik eindelijk dood? Moederziel alleen, speel ik mijn eigen troostende mama en kom jankend bij. Wat is er nu toch allemaal gebeurd met mij? Moet ik hier echt blij mee zijn? 
“Die gebroken wervel is al oud, mevrouw. Die zal nooit genezen. Als baby geslagen misschien?” Daarom kon ik dus niet stil zitten op school…denken verdoofde grijze cellen.
Ik merk wel dat ik als een zombie doorheen onbestemde gevoelloze brij zwem, maar blijf mezelf halsstarrig liefhebben. “De losgeslagen zenuw is net op tijd op de plek geduwd want anders was u verlamd gebleven,” verzekert men. Dan rollebolde ik op machtig sportieve wendbare wielen. Leuk rolstoeldansen, denk ik nog net voordat ik het hele bed onderpies. Van schaamte wil ik wegkruipen, maar verlamd krijg ik geen grip op de verdronken wereld.

Na een week mag ik naar huis.

Dankbaarheid. Een vriend heeft mijn bed in de woonkamer op bakstenen gezet. Zijn vrouw brengt dagelijks een warme hap als ik, één hoog, gekluisterd aan bed, positief blijf. Alleen is echter wel verdomd alleen. Kijken naar de tv. Ik mag vijf minuten per dag staan. Af en toe teisteren krampen mijn lijf als of het in stukken moet worden gereten, de flarden spieren van de ruggengraat moeten worden losgetrokken. 

 

Ik moet de tweede week dagelijks al tien minuten staan waarna stevast die kramp me overvalt. Altijd alleen. Na het lezen van een boek of tien wordt ik ieder uur opnieuw door een wild tijgerbeest besprongen dat mij verslinden wil. Mijn rug wordt aan moten gereten. Altijd zo vreselijk alleen. Het wordt niet minder, al die pijn, maar juist per dag erger. Dit houd ik niet meer vol! Alleeniger dan alleen. Maak me maar dood, wens ik na twee maanden laf. De fysiotherapeut heeft een sleutel, komt drie keer per week. Ik moet oefenen, mijn spieren versterken, maar alles is verkrampt in onnoemelijk alleen. En dan komt die bewuste dag. Hij zegt voorzichtig: “Die pijn is niet lichamelijk te verklaren.” Ik haat mijn trillende lip en als ik bibberend zeg: "Geestelijk werk aan de winkel,"  knikt hij bijna verlegen  Psychosomatisch. Mijn lijf vertelt via onwillige spieren dat ik voor het eerst van mijn leven iets heb verdrongen.

Wat? In Godsnaam wat?

God, mocht ik onderhand maar dood.

Samen met MJ graaf ik, brullend, doorheen die duivelse pijn.

Traag als een zwart-wit foto in ontwikkelaar verschijnen vage beelden. De wanhoop nabij kruip ik jankend door grauwe onbekende geestengraven. Verdomme God, Here Jezus, wie helpt mij? Het idiote vreselijke gillen is er weer. “Had ik haar maar nooit om hulp gevraagd,” roep ik keer op keer en MJ blijft rustig doorvragen, geduldig als een rots in de branding. Zij heeft wel gemerkt dat ik iets verdrong, zegt ze.
“Ik wilde haar wel wegslaan, maar kon me niet weren, was nog verlamd. Daarom is mijn rechteroor zo doof.”

Ik jank mijn ogen blauw, rauw rauw... Eigen vlees en bloed gilt door de grillige grot, vurige zwaarden in waanzinnige wilde kleuren, misselijkmakende monstergeuren komen naderbij. Onmacht. Snerpend snijdt glashelder de teruggekomen realiteit. "Welk normaal kind doet zoiets wreeds met haar verlamde moeder?" Dwars doorheen iedere te diepe zenuw brandt het venijn van deze onherroepelijkheid. Eindelijk ligt bloot wat in het ziekenhuis is gebeurd en MJ kan het bijna niet geloven. “Ze leek een beest. Van alle kanten stormde ziekenhuispersoneel op de ordinaire herrie af, maar wie me wilde helpen werd door haar afgeblaft.”

Het is teruggehaald en ik voel me geen zombie meer. Ik ben er weer. De mist om me heen is opgetrokken. Op miraculeuze wijze blijven de krampen daarna weg. Een periode is afgesloten. Voor mij. Het is iedereen vergeven. De lichamelijke revalidatie duurde een half jaar. Mijn nieuwe zaak legde daarbij het veelbelovende loodje en aangepast oerdom arbeidzaam begon. 

Dat men mijn erfenis niet wil lezen uit angst te worden ondergekotst

door het fijnzinnig beleden verleden moge duidelijk zijn.

 

Reacties (11) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Heftig. Ik buig diep voor hoe jij hiermee omgaat. Mijn pet doe ik ook voor je af.
Je bent een koningin met woorden.. zoals dit binnenkomt.. au..
Ik geloof niet dat ik het helemaal begrijp, maar het voelt wel mooi aan.
Lichaam en geest zijn één, dat heb je hier maar weer mee bewezen.
Zo heeft ieder nadeel zijn voordeel zou Johan Cruijff zeggen.
Dank jullie wel. Ik denk wel eens, mijn humor was nooit zo ontwikkeld zonder dergelijke ervaringen...
Poeh, dat was geen vrolijk stemmend verhaal. Knap hoe jij je er doorheen hebt weten te slaan. DD