De uitvinding van de telefoon.

Door Lathica gepubliceerd op Friday 28 September 12:14

Het komt vaak voor dat verscillende uitvinders praktisch tegerlijkertijd dezelfde oplossing voor een probleem vinden.

Dat gebeurde ook toen in 1876 de in de Verenigde Staten wonende Schotse fysioloog Alexander Graham Bell (1847-1922)  een octrooi aanvroeg voor zijn elektrische telefoon,  enkele uren voordat Elisha  Gray (1835-1901) uit Chicago hetzelfde deed voor een gelijksoortig apparaat. Bell verwierf het octrooi en daarmee de naam als de enige uitvinder van de telefoon. Het instrument van Bell werd zowel voor zenden als ontvangen gebruikt en had geen batterij nodig. Door geluid werd een trilplaatje in de microfoon in trilling gebracht, maar de daardoor opgewekte stroom was te zwak voor communicatie over lange afstand. In 1877 vond de Amerikaan Thomas Edison (1847-1931) de koolmicrofoon uit. In de koolmicrofoon wordt gelijkstroom gemoduleerd, waardoor een met de geluidsgolven varierende spanning onstaat. De microfoon van een moderne telefoon werkt nog steeds volgens dit principe. Een varierende spanning in de spoel van het oorstuk brengt een metaien trilplaatje in trilling, waardoor er een zwak geluid ontstaat.

 

DE TELEFOONCENTRALE:

Om de telefoon praktisch bruikbaar te maken, moest een manier gevonden worden om twee willekeurige toestellen met elkaar te verbinden. De eerste telefooncentrale werd geopend in New Haven, VS, in 1878. De eerste centrales werden met de hand bediend door telefonistes die met stekkers en stoppen de abonnees doorverbonden. Uit ergenis over de slecht bediende lokale telefooncentrale, ontwierp de Amerikaanse begravenisondernemer Almon Strowger in 1889 een automatische kiezer. In 1892 werd in La Porte, Indiana, de eerste automatische centrale geopend. Tijdens de daaropvolgende 50 jaar was de elektromechanische kiezer van Strowger standaard in telefooncentrales over de gehele wereld. Na 1926 werd in Amerika en Zweden een nieuw systeem ingevoerd, de zgn. kruisschakelaar, een Amerikaanse vinding. Er zijn nu velerlei systemen in gebruik, waaronder de kruisschakelaars, motorkiezers, hefdraaischakelaars, en stapschakelaars. Na 1960 kwamen semi-elektronische centrales in gebruik, en men kent nu reeds volledig geautomatiseerde elektronische centrales.

 

TELEFOONKABELS:

De grootste eenmalige uitgave in een langeafstandtelefoonstelsel, zijn de kosten van de verbindingslijnen tussen de abonees. Dus zocht men naar de mogelijkheid om een aantal gesprekken tegelijkertijd door een kabel te sturen. In 1936 vond men de oplossing in de coaxiale kabel. Draaggolven met verschillende frequenties worden daarin tegelijkertijd door de metalen kabelkern getransporteerd en aan de andere kant gescheiden door een aantal elektronische filters, die ieder slechts signalen van een frequentie doorlaten. Hoe langer een telefoonlijn, hoe zwakker het elektrische signaal overkomt, dit ten gevolge van de weerstand van de lijn. Automatische werkende versterkers losten dit robleem op; deze worden tegenwoordig in meerkanaals-kabels om de 16km aangebracht. Het aanbrengen en voeden van betrouwbare versterkers in onderzeese kabels vormde ook een probleem. De eerste transatlantische meerkanaals-telefoonkabel, TATI genoemd, werd gelegd in 1956. Deze dubbele coaxiale kabel liep van Schotland naar New Foundland en bevatte 51 versterkers in iedere kabel. Tegenwoordig wordt de wereld omspannen door onderzeese kabels met tweeweg-versterkers. Via dezelfde kabel, waarlangs ook de gemoduleerde draaggolven lopen, worden de versterkers gevoed met wisselstroom van lagere frequentie dan de draaggolven, zodat geen interferentie ontstaat. Jarenlang was automatisch verkeer alleen mogelijk met abonnees van de eigen centrale. Het grootste probleem bij het koppelen van de centrales vormde het ontbreken van een automatische kostenteller, om de tijdsduur en de afstand van de gesprekken te registreren. Tegenwoordig wordt tijdens ieder gesprek een elektronische pulsgenerator met de lijn verbonden. Iedere in de abonneeteller geregistreerde puls vertegenwoordigt een vaste kosteneenheid. Welke pulsgenerator wordt gekozen hangt af van de afstand tot de opgeroepen centrale. Hoe verder de abonnee wegwoont en hoe langer een gesprek duurt, des te meer pulsen worden geregistreerd.

 

TELEFONIE VIA MICROGOLVEN:

Moderne coaxiale kabels kunnen een steeds groter aantal gelijktijdige gesprekken verwerken; er zijn kabels ontwikkeld voor meer dan 10.000 kanalen, maar vanaf ongeveer 1960 werden de microgolfverbindingen (straalverbindingen) steeds belangrijker in de telecommunicatie. Moderne straalverbindingsnetten hebben relaistoren om de 40 a 50 km. In plaats van de elektrische draaggolven in coaxiale kabels worden nu radiodraaggolven door de telefoonsignalen gemoduleerd. Voor nieuwe verbindingen gebruikt men nu voornamelijk straalverbindingen, die elk wel 132 verschillende draaggolven hebben, die ieder zo'n 2700 telefoongesprekken kunnen verzorgen. Veel van de kanalen worden ook gebruikt voor het relayeren van televisiesignalen van de studio's naar de zenders. Bij intercontinentale verbingen worden de microgolf-draaggolven uitgezonden naar satellieten, daar versterkt en vervolgens dorgezonden naar grondstations.

Reacties (2) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Mooie stukje geshiedenis over de ontwikkeling en verbetering van de telefoon Duim Taco
blijft een prachtige uitvinding.

duim voor je artikel