Verklaringen voor de natuur uit de geschiedenis

Door Meesie40 gepubliceerd op Friday 28 September 12:13

Men dacht dat alle gebeurtenissen in de oudheid magisch waren. Het zou gebeuren uit wil van de goden of door het ingrijpen van bovennatuurlijke krachten. Ook erkende men vroeger dat veel gebeurtenissen gewoon zomaar gebeurden. De wetenschap gaat over hoe de natuur werkt, en niet over waar de grens ligt tussen natuur en bovennatuur. De Onttovering van de wereld is een belangrijk historisch thema.

De natuurlijke verklaringen uit de tijd voor de wetenschappelijke revolutie komen van de ideeën uit klassiek Griekenland.

De Europese cultuur heeft uit vele bronnen geput en is zeker niet een rechtstreekse opvolger van de klassieke Griekse en Romeinse beschaving. De geschiedenis van de westerse natuurwetenschappen begint bij de inbreng van klassieke filosofen.

Het was belangrijk in Griekenland dat de priesters niet de intellectuele macht hadden, zoals in de oosterse gebieden in die tijd. Het intellectuele leven in Griekenland werd door iedereen vervuld. Hierdoor waren mensen in staat zelfstandig na te denken over de overgeleverde waarheden en de wereld om hen heen. Zij werden filosofen.

Het woord filosofie werd als eerst gebruikt door Pythagoras. Hij stichtte een politiek-religieuze gemeenschap in Zuid-Italie. De latere filosofenscholen, die vooral in Athene tot bloei kwamen, waren meer een soort opleidingsplaats. Zij bereidden hun leerlingen voor, voor een carriere in bestuur en politiek.

Voor de Griekse filosofen was de werkelijkheid niet afhankelijk van een god, maar door een geheel van krachten en oorzaken die zij de natuur noemden. Het idee van een zelfstandige natuur is sinds de Grieken een vast onderdeel van de westerse wetenschap geworden en nu wordt het als vanzelfsprekend gezien.

Er waren veel filosofenscholen die elk hun eigen ideeen verkondigden. Zo heersten er verschillende opvattingen over de natuur.

Zo waren er:
• Epicurus. Hij meende dat alles in de wereld natuur was en dat er geen bovennatuurlijke werkelijkheid bestond. De wereld bestond alleen uit lege ruimte en stofdeeltjes.
• De Stoici. Een benaming voor de leerlingen van Zeno. Zij dachten dat de hele wereld samenhangt van een goddelijke substantie, het pneuma. Dat betekende volgens hun niet dat alles afhangt van de willekeur van de goden. Het was zelfs zo dat alles al vast staat wat er gaat gebeuren en dat deze serie van gebeurtenissen zichzelf herhaalt.
• Aristoteles. Veruit de belangrijkste filosoof voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen. Hij schreef over de natuur, ethiek, politiek, literatuur, logica en nog meer. In zijn werk over de werkelijkheid ging het hem bovendien in de eerste plaats om zeer abstracte vragen. Niet om de concrete dingen om ons heen, maar om de werkelijkheid als zodanig. Afzonderlijke dingen werden onder hun meest algemene noemer beschouwd als zijnden.

 

Alchemie is een oude en geheime scheikunde die vooral in de middeleeuwen bedreven werd. Het was de voorloper van de chemie. De alchemie is een niet op zichzelf staande wetenschap, maar het is een onderdeel van de astrologie het werd omgeven met mystiek en rituelen. Er waren drie grote doelen van de alchemisten. Ten eerste wilde men gewone metalen in goud of zilver laten veranderen. Ten tweede was men op zoek naar het levenselixer, een drank die de drinker het eeuwige leven zou bezorgen, of in ieder geval het leven zou verlengen. Sommige alchemisten wilden ook nog een derde doel vervullen, namelijk het maken van menselijk leven. Een sleutelrol in de alchemie is een bepaalde stof, ‘Steen de Wijzen’ genaamd. Deze stof kon behalve steen, ook poeder of vloeistof zijn. De steen der wijzen kan dus metaal in goud of zilver veranderen en speelt ook nog een belangrijke rol in het maken van het levenselixer. Hoewel de technieken dubieus waren en vaak meer op goocheltrucs leken, was de alchemie in veel opzichten een voorloper van de moderne wetenschap, in het bijzonder van de scheikunde. De inzichten van de alchemisten kennen een geschiedenis die ver voor onze jaartelling zijn begonnen. Bij alchemie gaat het niet alleen om de steen der wijzen te maken, of het levenselixer. Het is allemaal gebaseerd op een levensfilosofie waarbij alles met elkaar in contact staat. Aristoteles koppelde de vier elementen aarde, water, lucht en vuur aan al het levende. Je kunt het dus in twee aspecten onderscheiden. Aan de ene kant ging het om een toegepaste wetenschap, een techniek, de bedoelingen waren praktisch en commercieel. Maar aan de andere kan is de alchemie ook een filosofie of een soort religie.


Alhoewel de alchemisten zich meer bezighielden met mystiek en geloof dan met echte wetenschap, deden ze toch steeds meer bruikbare kennis op. Zo werden belangrijke experimentele methodes verfijnd zoals bijvoorbeeld de distillatie, en werden nieuwe stoffen ontdekt, zoals onder andere alcohol (rond het jaar 1000), salpeterzuur en buskruit. Later ontdekte Joseph Glauber de droge distillatie en vervolgens azijnzuur, benzeen, fenol en aceton. Ook tal van laboratoriumaparaten werden door de alchemisten ontwikkeld, zoals ovens, driepoten en destillatieapparatuur. Ook werden er veel methoden ontwikkeld zoals extractie, destillatie, kristallisatie, filtratie, cementatie en het scheiden van goud en zilver. Sommige ontdekkingen hadden ook praktisch nut. Alcohol bleek bijvoorbeeld medicinale werking te hebben. Zo ging de alchemie steeds meer over in de medische chemie.

Physique amusante, het woord zegt het al, is grappige natuurkunde. Als natuurkundige vind je natuurkunde natuurlijk al gauw grappig, maar het begrip Physique Amusante stamt uit de 18e eeuw en gaat dan om het toegankelijk maken van de verworvenheden van (kunst en) wetenschap aan het publiek. Het gaat dan meestal om spectaculaire proeven met het maken van grote bliksemschichten en dergelijke.

De eerste temperatuurmetingen werden uitgevoerd met een thermoscoop. Deze bestaat uit een kom met vloeistof en een glazen bol die uitmondt in een lange glazen buis en in de vloeistof wordt gestoken.


De eerste thermoscoop is uitgevonden in 1630 door Santorio Santorio, die het gebruikte om de temperatuur van een mens te meten. Deze nam het bolletje wat aan het einde van de thermoscoop zat in zijn mond of klemde het in de hand. Het duurde soms wel 25 minuten voor de temperatuur kon worden afgelezen.
In 1610 maakte ook Galileo Galilei zulk een instrument. Vóór de meting wordt wat lucht uit de bol gezogen. Vervolgens wordt de bol omgekeerd met het uiteinde van de buis in de vloeistof gestoken. De onderdruk zuigt de vloeistof omhoog de buis in.
Als de lucht in de glazen bol wordt verwarmd, zal het niveau van de vloeistofkolom in de buis dalen, omdat de hogere luchtdruk de vloeistof terugduwt. Het omgekeerde gebeurt bij afkoelen. Met een op de buis aangebrachte schaalverdeling kan de thermoscoop worden afgelezen. De eerste thermoscopen waren onnauwkeurig en er ontbrak een echte ijking.

Rond 1630 werd de vloeistofthermometer uitgevonden door de Franse arts Jean Rey. Daarmee worden veranderingen van de temperatuur aangegeven door middel van de thermische uitzetting van een vloeistof. Daniel Gabriel Fahrenheit vervolmaakte dit type thermometer in 1709 met een vloeistofthermometer op basis van alcohol. In 1724 gebruikte hij voor het eerst kwik. Het voordeel van kwik is dat de thermische uitzettingscoëfficiënt vrijwel constant is over een groot temperatuurbereik. Een kwikkolom is ook makkelijk af te lezen. Kwik blijft niet aan de glaswand hangen en heeft een groot temperatuurbereik. Kwik bevriest bij -38,9 °C en kookt pas bij 356,9 °C.          

Linnaeus heeft een grote invloed gehad op het gebied van de biologische taxonomie (het indelen van de levende natuur).
In 1735 publiceerde Linnaeus de eerste druk van één van zijn belangrijkste werken: Systema Naturae. De volledige titel was Systema naturae per regna tria naturae, secundum classes, ordines, genera, species, cum characteribus, differentiis, synonymis, locis (Indeling van de natuur in drie natuurrijken en in klassen, ordes, geslachten en soorten; met kenmerken, verschillen, synoniemen en plaatsen).

Een opzienbarend aspect van Linnaeus' werk was dat hij voor het indelen van planten uitging van kenmerken van de geslachtsorganen. In die tijd was het nog een relatief nieuw gegeven dat planten geslachtsorganen hadden. Bovendien was het spreken over seksualiteit een groot taboe. Nu maakte Linnaeus juist deze geslachtsorganen tot de basis van zijn systeem: de planten werden ingedeeld in 24 klassen, al naargelang het aantal meeldraden, en daarna verder onderverdeeld in orden, op basis van het aantal stijlen. De seksuele aard van zijn indeling en het voor die tijd zeer uitgesproken gebruik van seksuele termen maakte zijn systeem voor sommigen van zijn tijdgenoten controversieel.
De eerste druk van Systema Naturae verscheen in 1735 en omvatte elf pagina's. Naderhand werd het werk uitgebreid en aangepast. In de tiende druk (1758) werden de walvissen verplaatst van de vissen naar de zoogdieren. In deze editie werd ook voor de dieren de binominale nomenclatuur ingevoerd. In 1767 verscheen de dertiende druk, de laatste druk die door Linnaeus zelf werd verzorgd.
Linnaeus deelde de mens in bij de zoogdieren. Dit brak met het idee dat de mens boven de natuur verheven was en er geen deel van uitmaakte. Hoewel Linnaeus er zelf ook moeite mee had om de mens bij de dieren in te delen[4] en hij zich realiseerde dat hij een storm van kritiek over zich heen zou krijgen, vooral van theologen, kon hij om (door hem zelf geformuleerde) wetenschappelijke redenen niet anders. Linnaeus was er, zoals de meeste van zijn tijdgenoten, vast van overtuigd dat God de natuur had geschapen. Door zijn indeling was het mogelijk ordelijk over de schepping te spreken. Een aforisme dat hierover de ronde deed was 'God schiep, Linnaeus ordende'.
Linnaeus deelde (in de tiende druk van Systema Naturae) de mens in vijf ondersoorten in,[5] waarbij de Europese mens nogal gunstig afsteekt bij de bewoners van andere werelddelen. Zo is de Europese mens 'bekwaam tot uitvindingen' en wordt hij 'geregeerd door wetten', waar bijvoorbeeld de Amerikaan wordt 'geregeerd door gewoonte' en de Afrikaan door 'willekeur'.

Een ander invloedrijk werk van Linnaeus is Species Plantarum (1753). Dit werk geldt tegenwoordig als startpunt van de binominale nomenclatuur voor planten. In dit boek werden alle op dat moment bekende plantensoorten beschreven, en elke soort kreeg behalve een geslachtsnaam ook een toenaam (soortaanduiding), ook als een geslacht uit maar één soort bestond, een op het oog eenvoudig maar in de praktijk revolutionair idee. Samen met de geslachtsnaam vormt de toenaam een binaire naam. Naast de binaire naam, door Linnaeus nomen triviale genoemd, gaf Linnaeus ook de volledige naam (meestal een lange zin), zoals in die tijd gebruikelijk was. Het verkorte namenstelsel van Linnaeus werd nog voor zijn dood door de meeste botanici en zoölogen overgenomen. Linnaeus benoemde en classificeerde gedurende zijn leven zo'n 9000 soorten planten. Planten die hun toenaam van hem kregen zijn nog altijd herkenbaar aan de auteursaanduiding 'L.' (van Linnaeus) achter de botanische naam. Linnaeus is de enige auteur wiens naam tot slechts één letter wordt afgekort.

 

Reacties (3) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Ben het met jeffrey eens. Voor mij staat het vast dat God het hele universum geschapen heeft.
droge korst, wel een goed artikel
duim van mij