De oude filosofen: Het utilisme (7)

Door Nickelton gepubliceerd op Friday 28 September 12:12

Ik studeer rechten. En bij rechten hoort rechtsfilosofie. Ik vind het een interresant onderwerp. Dus waarom niet de studie en Xead combineren? Er zullen verschillende delen verschijnen die de filosofen, de ideeën en de periode waarin de grootste filosofen leefden centraal staan. Leuk en leerzaam dus! Nu: Het utilisme, Hume, Bentham en Mill.

We maken een sprong naar de 19e eeuw, naar de filosoof Descartes. Descartes leefde in een tijd waarin het scepticisme ‘de macht’ had in de wereld van de filosofie; je kon overal aan twijfelen. Je zintuigen kunnen je bedriegen en dus moet je twijfelen aan je zintuigelijke waarnemingen. Ook was er het droomargument van Descartes; misschien is alles wat ik zie slechts een droom en zit er achter die droom de echte wereld. Als laatste had Descartes, voor reden van zijn twijfel, het demonargument. Misschien is alles wat wij waarnemen slechts het werk van een kwade geest. Descartes zei, je kan overal aan twijfelen, behalve aan het twijfelen zelf, want anders moet je daaraan ook weer twijfelen. Twijfelen is dus iets vasts. En wat is twijfelen dan? Twijfelen is denken, zei Descartes. En zo kwam hij tot de uitspraak ‘Ik denk dus ik ben’. 
Maar Descartes had het dus over een binnen- en een buitenwereld. Hetgeen wat wij waarnamen (door de demon), lag binnenin de echte wereld.


David Hume


Een reactie op het scepticisme is het utilisme. Ook het utilisme gaat uit van een binnen- en een buitenwereld, maar wel in een andere vorm dan Descartes. David Hume is de grondlegger van het utilisme. Hume zei alleen iets over gewaarwordingen (de wereld die we kunnen waarnemen). Er zijn volgens Hume twee soorten gewaarwordingen. Ten eerste zijn het de ‘impressions’, dit zijn de sterke, zintuigelijk waarneembare gewaarwordingen. Ten tweede zijn er de ‘ideas’, dit zijn slechts ‘vage’ herinneringen. Een voorbeeld om dit te illustreren:


Je eet nu een zoete appel. Hetgeen wat je waarneemt is zoet. Het is een impression.
Je denkt aan de appel die je zojuist heb gegeten. Je neemt de zoetheid niet meer waar. Het is een idea.


Emoties en passies zijn een soort secundaire impressions naar aanleiding van ideas. Volgens Hume is de rede een soort slaaf van de passies. De passies stellen ons doel, het beïnvloed ons handelen. De rede geeft slechts aan hoe je het doel kunt bereiken. Ethiek en moraal hebben invloed op ons handelen en dus behoort moraal tot de sfeer van de passies. Volgens Hume is rechtvaardigheid dan ook een kunstmatige deugd. In de natuurtoestand (een wereld zonder regels) ziet iedereen gelijk in dat men zich moet houden aan het principe van mijn en dijn. Dit komt in overeen met onze passies, zoals blijven leven of schilder worden. Zonder het principe van mijn en dijn is het niet mogelijk die passies te bereiken.
Hume zegt dus alleen iets over de wereld die we kunnen waarnemen. De impressions en ideas.  De natuurwetenschap slaat dan ook helemaal nergens op, aldus Hume. Natuurwetenschappen gaan uit van oorzaak en gevolg, en causaliteit is niet zichtbaar, het is geen gewaarwording.


Jeremy Bentham


Bentham breidt het utilisme uit. Bentham gaat uit van het empirisme en koppelt dit aan het positivisme. Maar boven alles is Bentham een utilist. Bentham introduceert het ‘greatest happiness principle’. Bentham stelde dat een gevolg van een actie moreel goed was, wanneer het zoveel mogelijk plezier brengt voor een zo groot mogelijke groep. Bentham stelt moraal dus ook gelijk aan gevoel (emoties). Bentham is dan ook voorstander om niet zwaarder te straffen dan noodzakelijk, want anders doe je meer pijn dan noodzakelijk en dat is in strijd met het greatest happiness principle. Ook zegt Bentham dat een onderzoek naar de gevolgen van bijvoorbeeld een nieuwe wet zo groot mogelijk moet zijn, want zo kun je erachter komen wat het meeste geluk op zal leveren.
De grootste kritiek op Bentham is dat er geen fundering is voor een rechtvaardige verdeling van lusten en lasten. Er wordt slechts aandacht besteed aan het grootste geluk voor de meeste mensen, het individu is niet belangrijk.


John Stuart Mill


Mill maakt het utilisme ‘af’. Hij stelt dat vrije discussie nuttig is, want zo kun je onderzoeken of een standpunt klopt of niet. Hij stelt ook dat niet alleen de hoeveelheid geluk van belang is, maar ook de kwaliteit van geluk. Kritiek op Mill: wie bepaald de kwaliteit van geluk?


Utilisme


Het utilisme in het kort: Ethiek is een kwestie van gevoel (Hume). Let op alle gevolgen (Bentham) en kies de handeling of wet die heet grootste geluk oplevert en de minste pijn (Bentham). Niet alleen kwantiteit van geluk is van belang, ook de kwaliteit is belangrijk (Mill).

Andere delen

Deel 1: Plato

Deel 2: Aristoteles

Deel 3: Grotius

Deel 4: Hobbes

Deel 5: Locke

Deel 6: Rousseau

Deel 7: Utilisme

Deel 8: Kant

Deel 9: Positivisme en kritisch rationalisme

 

 

 


 

Reacties (2) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Met interesse gelezen. Prima artikel en wat mij betreft gaat kwaliteit altijd boven kwantiteit.;) Duim
dikke duim voor je neergeschreven artikel !