De geschiedenis van kinderarbeid in nederland

Door Shine gepubliceerd op Friday 28 September 12:07

Kinderarbeid: verschrikkelijk. Maar we hebben het in Nederland ook gekend!

De geschiedenis van kinderarbeid in Nederland

Bij kinderarbeid denken mensen al snel aan kinderen in ontwikkelingslanden. Maar we moeten niet vergeten dat het vroeger in Nederland ook de normaalste zaak van de wereld was. Veel gezinnen hadden toen niet genoeg geld om van rond te komen dus moesten hun kinderen meehelpen geld te verdienen. Dit deden ze bijvoorbeeld in fabrieken of op het platteland.

Industriële Revolutie

Op het platte land hielpen kinderen hun ouders met wieden, aardappels oogsten of de koeien melken. Vooral tijdens de oogstperiode werden kinderen van school gehouden en moesten ze flink de handen uit de mouwen steken in deze periodes van drukte. Hele gezinnen werkten in de huisnijverheid. Ze vlochten bijvoorbeeld manden, rolden sigaren of maakten klompen en ook de kleding werd zelf gemaakt. Rond 1850 ontstonden er in Nederland allerlei industrieën: de industriële revolutie. De huisnijverheid verdween, en de arbeid verplaatste zich naar de fabrieken. Werknemers kregen een erg laag loon, en werden vaak door de werkgever gedwongen hun kinderen gratis mee te laten werken. Deden ze dit niet dan kregen ze minder loon of werden ze zelfs ontslagen. Het werk wat de kinderen deden was vaak erg zwaar en gevaarlijk. Omdat de kinderen kleiner zijn kunnen ze makkelijker tussen de machines door kruipen om deze bijvoorbeeld te repareren. Kinderen moesten veertien uur per dag werken en in de zomer soms nog langer. Stel je voor, tegenwoordig is een gemiddelde 17-jarige op een dag ongeveer 17 uur op. Voor jonge kinderen is dit natuurlijk minder, want die gaan eerder naar bed. Kinderen staan ongeveer om half acht op en gaan rond acht uur ’s avonds weer naar bed. Gemiddeld zijn ze dus 12 á 13 uur wakker. In die tijd moesten kinderen op een dag dus nog langer werken dan dat een gemiddeld kind nu wakker is. Kinderen raakten oververmoeid en werden door de slechte werkomstandigheden sneller ziek. Door het lawaai dat de machines maakten ging het gehoor van de kinderen ook sterk achteruit. Kinderen moesten soms ook nachtdiensten draaien, wat niet goed is voor de rust die een kind hoort te krijgen. Dat is natuurlijk erg ongezond. In de situatie van het werk in de kolenmijnen kregen kinderen vaak stoflongen omdat ze ongezonde lucht inademden. Dit maakte het kindersterftecijfer in Nederland erg hoog.

In 1860 werkten er bijna een half miljoen kinderen tussen de 6 en 11 jaar in fabrieken. Toentertijd leefden er maar 3 miljoen mensen in Nederland. Dus er werkten relatief heel veel kinderen. Te veel. De kerk speelde toen een erg belangrijke rol in de samenleving. Maar de kerk was ook niet tegen kinderarbeid dus deed eigenlijk niemand er wat aan. Ook de Nederlandse regering bemoeide zich niet met de nare situatie waar de kinderen zich in bevonden. Sterker nog, ze was er eigenlijk wel blij mee. Doordat de kinderen goedkoop produceerden konden ook de prijzen van de producten lager blijven dan die van andere landen. Dit was gunstig voor de concurrentiepositie van Nederland.


Verandering

De ommekeer kwam toen mensen zich begonnen te realiseren hoe slecht kinderarbeid voor de kinderen is. Ze kregen geen kans om naar school te gaan en te leren lezen en schrijven. Geen kans om zich te ontwikkelen. Ook zagen ze in dat het slecht was voor de gezondheid van het kind, kinderen kregen nooit de kans om buiten te spelen in de frisse lucht. Doordat alle banen werden opgevuld door kinderen kwamen er steeds meer volwassen zonder werk te zitten. De werkloosheid nam toe. De regering maakte zich hier zorgen over. Ook kwam er vraag naar geschoolde arbeiders. Er was vraag naar mensen die banen konden invullen waar je meer dan alleen je handen voor nodig had. Niemand was ooit naar school geweest, dus er was niemand om deze banen in te vullen.
Langzaam maar zeker gingen steeds meer stemmen op tegen kinderarbeid. Bijvoorbeeld de huisarts Samuel Sr. Coronel schreef artikelen in de krant over de slechte gezondheid van fabriekskinderen. J.J. Cremer schreef er zelfs boeken over. Op deze manier werd er geprotesteerd tegen kinderarbeid. Hoe meer medestanders ze zouden krijgen, hoe groter de kans zou zijn dat de regering zou ingrijpen. Samuel van Houten, Tweede Kamerlid, nam de protesten serieus. Maar hij kreeg weinig gehoor in de Tweede Kamer. De verantwoordelijke minister wilde geen wet maken die tegen kinderarbeid was. Daarom deed Samuel van Houten zelf een wetsvoorstel in 1873. Dit voorstel haalde het in eerste instantie niet omdat men het te streng vond. Nadat de strengste punten eruit waren gehaald werd het wetsvoorstel in 1874 wel ingewilligd. Deze wet is bekend als het ‘kinderwetje van Van Houten’. Kort samengevat hield deze wet in dat kinderen onder de twaalf jaar niet in fabrieken en werkplaatsen mochten werken, maar nog wel in de landbouw, huisnijverheid en in het huishouden.

Arbeidsinspectie en onderzoekscommissie

Kinderen onder de twaalf mochten dus vanaf 1874 officieel niet meer in dienst genomen worden. Maar deze wet haalde weinig uit, omdat er weinig tot niet werd gecontroleerd op het in acht nemen van deze wet. Kinderarbeid was dus nog steeds nadrukkelijk aanwezig. Dit ging tot 1882 zo door, maar toen kwam er verandering in. De regering stelde de Arbeidsinspectie aan. Controleurs gingen de fabrieken langs en iedere fabrikant die het ‘kinderwetje van Van Houten’ overtrad kreeg een boete. In 1887 werd de onderzoekscommissie in het leven geroepen. Dit was om te kijken hoe het met de kinderarbeid in Nederland gesteld was. De controleurs werden daarom nog strenger en de straffen voor de overtreders hoger.

Leerplichtwet

Het nieuwe motto was: ‘Niet werken maar naar school’. Dit uitte zich in de leerplichtwet die in 1900 tot stand kwam met 50 stemmen voor en 49 stemmen tegen. De voorstanders hadden het geluk dat graaf Schimmelpenninck van zijn paard was gevallen en daardoor niet tegen kon stemmen. De leerplichtwet zou met deze stem anders niet door gegaan zijn. Maar de leerplichtwet was een feit. Er stond in dat alle kinderen tot hun twaalfde jaar verplicht waren naar school te gaan. Om dit te realiseren werd er een schoolopziener ingesteld. Die moest controleren of kinderen wel echt naar school gingen. Deden ze dit niet dan kregen de ouders eerst een waarschuwing. Had deze waarschuwing geen effect dan stuurde de schoolopziener de Commissie tot Wering van het Schoolverzuim op ze af, de leerplichtambtenaar van nu dus. Ouders konden strafbaar gesteld worden, alleen met geldige reden konden ze er nog goed vanaf komen. Kinderen gingen na hun twaalfde jaar niet langer naar school, maar moesten werken. Meisjes gingen vaak werken als dienstbode. Hun werk bestond dan uit afwassen, koken, wassen, schoonmaken en naaiwerk. Jongens werden bakkersknecht of timmermanshulp. Of ze leerden het vak van hun vader. De leerplichtwet breidde zich steeds verder uit. Er kwamen steeds meer vakscholen zoals technische scholen, en landbouw- en huishoudscholen. Kinderarbeid kwam in Nederland nauwelijks meer voor, doorleren werd vanzelfsprekend.

Regels voor nu

Tegenwoordig zijn de regels in Nederland aanzienlijk veranderd ten opzichte van de regels in het verleden. Kinderen moeten verplicht tot hun achttiende naar school, tenzij ze voor hun achttiende al hun havo, vwo of mbo niveau 2-diploma hebben gehaald. In dit geval hoeven zij niet meer iedere dag naar school. Dat wil echter niet zeggen dat kinderen onder de achttien die naar school gaan helemaal niet mogen werken. Hiervoor is er een arbeidstijdenwet voor kinderen ingevoerd. Per leeftijd staat in deze wet beschreven wat wel en wat niet mag, wat voor soort werk, hoe lang ze mogen werken en hoe vaak ze rustpauze moeten nemen.
Voor 16 en 17-jarigen gelden de volgende regels:
• De schooltijd telt mee bij de arbeidstijd
• De wekelijkse rust moet minimaal 36 uur zijn per periode van 7 x 24 uur.
• De dagelijkse rust moet 12 uur per 24 uur zijn, waarbij de periode tussen 23:00 en 06:00 is inbegrepen.
• Jeugdigen onder de achttien jaar mogen niet werken in de nachtdienst.
• Tijdens de vakantieperioden mogen ze eventueel op zaterdag en zondag werken, mits zij dan op andere dagen in de week de wekelijkse rust krijgen.
• Per 52 weken hebben zij minimaal dertien zondagen vrij.
• De arbeidstijd per dienst is maximaal negen uur, per week 45 uur en gemiddeld per week veertig uur.
• Bij een arbeidstijd per dienst van meer dan 4,5 uur is de pauze minimaal een halfuur
• Bij een arbeidstijd van meer dan acht uur is de pauze minimaal een uur, waarvan een halfuur aaneengesloten.


Voor kunstkinderen gelden aparte regels. Een kunstkind ben je als je bijvoorbeeld op het toneel staat, optreed in een band, of in een tv-serie speelt. Kinderen van 7 tot en met 12 jaar mogen bijvoorbeeld 12 keer per jaar optreden. Kinderen van 13 en 14 jaar mogen 24 keer per jaar optreden, buiten de vakanties om.

 

Reacties (2) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
goede info! gelukkig is het nu niet meer zo.
ocharme die kindere maar in sommige landen is dat nog zo .