Welke bijkomende problemen kunnen er zijn bij afasie?

Door Daisy03 gepubliceerd op Friday 28 September 12:09

Het komt maar zelden voor dat iemand alleen afasie heeft. Vaak zijn ook andere gebieden getroffen. In de gebieden die dicht bij de taalgebieden liggen, kunnen ook hersencellen verloren zijn gegaan. Het hangt van de functies van zon gebied af, welke andere problemen er naast afasie ontstaan. Over bijkomende problemen is vaak nog veel onwetendheid en ook onbegrip bij de familie, maar ook bij hulpverleners.

Een aantal veel voorkomende problemen:

• Problemen door een verlamming:
De controle over spieren aan één zijde van het lichaam kan aangetast zijn. Hierdoor werken de spieren niet meer samen. Er ontstaat een halfzijdige verlamming. De medische term hiervoor is hemiplegie (hemi=helft, plegie= verlamming). Bij mensen met afasie gaat het meestal om de rechterkant van het lichaam. Door het hersenletsel kunnen ook de blaas en de geslachtsorganen moeilijker functioneren.
Problemen bij het handelen:
Het kan zijn dat iemand met een handeling, die hij wel nog automatisch kan uitvoeren, niet meer bewust kan doen. De juiste volgorde van bijvoorbeeld handelingen als eten, drinken, aan- en uitkleden zijn verstoord. Dit probleem noemt men apraxie ( a=niet, praxie=handelen), dus het niet meer weten hoe te handelen. Iemand met apraxie weet bijvoorbeeld niet hoe hij zijn tong moet uitsteken als hem dat gevraagd wordt, terwijl hij bijvoorbeeld wel automatisch een kruimeltje van zijn lip kan likken.
Problemen met zien:
De helft van het gezichtsveld kan uitvallen. Aan één kant van elk oog kan men niet waarnemen. Dit heet in medische termen een hemianopsie ( hemi= helft, a=niet, opsie=zien), dus halfzijdig niet meer kunnen zien. Iemand met hemianopsie ziet bijvoorbeeld maar de helft van de tafel waar hij of zij aanzit. Meestal ziet men met de kant van de goede lichaamshelft, maar met de kant van de verlamde lichaamshelft niet.
• Problemen met herkennen:
De ogen, de oren, de reuk en het gevoel van iemand kunnen goed functioneren. Toch kan het gebeuren dat een afasie patiënt een voorwerp niet herkent als hij of zij het ziet, hoort, ruikt of voelt. Dit probleem noemt men agnosie ( a=niet, gnosie=kennen), dus niet meer herkennen. Een voorbeeld van een agnosie is letter-agnosie. Iemand herkent dan opeens de letters niet meer. ‘’Het lijkt wel Chinees’’.


• Problemen met eten, drinken en slikken:
Verlammingen, ongevoeligheid of juist overgevoeligheid van de kauw- en slikspieren maken het eten moeilijk. Dit noemt men dysfagie ( dys= niet goed, fagie=slikken). Hierdoor kan iemand last hebben van verslikken. Door verlamming en gevoelsverlies van een gedeelte van de wang kan er ongemerkt speeksel uit de mondhoek lopen.
• Problemen met het uitspreken van woorden:
De spieren, die nodig zijn om duidelijk te praten, kunnen verlamd zijn. De klanken worden hierdoor vervormd. Men noemt dit dysartrie ( dys= niet goed, artie=uitspreken). We spreken van dysartrie als er een probleem is met het uitspreken van klanken, woorden en zinnen. Vaak wordt dit probleem verward met afasie. Afasie geeft problemen met wat men zegt, schrijft, hoort of leest; dysartrie alleen met de uitspraak van woorden.
Problemen met rekenen:
Rekenen is mogelijk doordat we daarbij innerlijke taal gebruiken. Bijvoorbeeld de denk- of redeneersommen. Rekenen kan na een broerte moeilijker gaan. Men noemt dit dsycalculie (dys= niet goed, calculie= rekenen). Dit kan men merken bij het omgaan met geld. Met kleingeld betalen is dan vaak niet makkelijk.
Problemen met onthouden en nadenken:
Het kan moeilijk zijn om allerlei informatie te onthouden. Bij het onthouden speelt taal een grote rol. Door de taalproblemen lijkt het geheugen minder goed te werken. Iemand kan moeilijker de gedachten bij een bepaald onderwerp houden of een gesprek blijven volgen. Het concentratievermogen kan minder zijn.
Gedachte ordenen, even de zaken op ‘’een rijtje zetten’’, heeft veel met taal te maken. Iemand met afasie heeft meer tijd nodig om indrukken te verwerken en om ergens over na te denken.


• Anders reageren:
Na een broerte kan iemand anders op dingen reageren dan voorheen. Het is moeilijker om het uiten van emoties te controleren. Zo kan het zijn dat iemand vaker lacht en huilt. Het kan ook meer moeite kosten om met lachen of huilen te stoppen.
• Epilepsie:
Wanneer iemand van een broerte herstelt, vormt zich in de hersenen een litteken. Soms wordt door dit litteken de werking van de hersenen verstoord. Er treedt als het ware een elektrische storing op. Hierdoor verkrampt het lichaam. Na enkele seconden voelt iemand schokkende krampen. De ademhaling gaat met gorgel geluiden en stotend. Ook kan de persoon zijn bewustzijn verliezen. Enkele minuten later komt hij dan weer bij. De epileptische aanval is dan voorbij.
Zowel voor de persoon die de aanval krijgt als voor zijn omgeving kan zo’n aanval heel onverwacht komen. De schrik zal dan ook groot zijn.
• Weerslag op familie en patiënt:
Elk genoemd probleem kan samen met afasie voorkomen. Het is niet te zeggen wat de gevolgen van een broerte zijn. Dat verschilt van mens tot mens. Het is duidelijk dat de gevolgen altijd groot zijn.
Op de eerste plaats natuurlijk voor de persoon zelf. Maar ook voor de naaste familieleden en vrienden van de patiënt verandert er veel.
De problemen met taal, begrijpen, handelen, zien herkennen, rekenen, onthouden en emoties leiden vaak tot een verandering in het gedrag. Dit beseft de patiënt soms niet, maar familie of vrienden zullen het misschien wel merken.

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.