Mijn eerste doodservaring in mijn job

Door NewJannaika gepubliceerd op Friday 28 September 12:08

Als onervaren verpleegkundige in de zorg krijg je heel wat te maken met een aantal confrontaties die je beroeren, vooral die eerste ervaringen zijn degene die je bijblijven. Het verhaal gaat over Berte, die terugkeert in het rusthuis, terug bij haar man. Haar man reageert niet echt positief, en Berte zit opgezadeld met een lelijke wonde tgv haar chronische ziekte. Haar aftakeling en verzorging vraagt tijd, en tijd is iets wat in een rusthuis net zeldzaam is. Het beschrijft dan ook de trieste realiteit over toestanden in een rusthuis en inzet van het verzorgend personeel.

Mijn eerste doodservaring in mijn job, het verhaal van Berte
Fictieve namen, waargebeurd.


Ze kwam uit het ziekenhuis met Clostridium. Bekeken als een besmettelijk individu. En werd in ons rusthuis Malpertuus-Boven gelegd in afzondering, dit wil zeggen een kamer met alle voorzieningen voor medische isolatie. Berte babbelde onophoudelijk maar verzette geen voet. Altijd had ze wel iets nodig, tot vervelens toe van verzorging en verpleging. Ze sprak meestal zachtjes maar je kon nooit de kamer uit, er was nog altijd nog net iets dat je kon doen. Ik, als verpleegkundige probeerde dat te doen, rustig te blijven, haar situatie te begrijpen. Maar haar verzorgen, vroeg heel veel tijd, iets dat je niet had in Malpertuus-Boven. Je had ook constant het gevoel, dat je werd blootgesteld aan dat beestje dat Berte met zich meedroeg en dat heel hardnekkig was, het leek eigen te worden aan Berte. De urinesonde, hing altijd onder de stoelgang en ze vroeg heel dikwijls naar de pan.

Toen ze eindelijk naar haar man mocht, die daar ook bewoner was, dacht iedereen dat Lowie blij ging zijn. Maar hij hield de lippen stijf op elkaar wanneer je peilde voor een reactie over de terugkomst van Bert. Toch na lang aandringen en vragen antwoordde hij ja op de vraag: ‘Ben je blij je vrouwtje terug te zien? Tenslotte had hij zoveel naar haar gevraagd, nu ze eindelijk terug was leek hij zijn interesse kwijt. Lowie leed aan linkerhemiplegie, zat in een rolstoel, kon nog beperkt praten, heeft toch nog enig besef. Maar wat ging er door zijn hoofd? Ik noemde hem steeds lachend Louigi. Je zag hem dan heel even opfleuren, opgemerkt en erkend. Zo een klein woordje dat zo een impact had, het kostte me weinig moeite. Die kleine woordjes Engels, waar hij zo van hield…

Berte ligt nu ondertussen een twee tot drietal weken bij Lowie op de kamer. Ze heeft nog steeds een urinesonde. De diarretische defecatie blijft slijmerig. Dat beestje, dat tot driemaal negatief is gescoord, blijkt toch nog steeds aanwezig. Ze vraagt constant pijnstillers, en wil ze bij haar op de kamer. Maar verpleging luistert niet echt, de pijnstillers worden haar weggenomen en opgeborgen in haar medicatiekastje. Ze is al suf genoeg, gaat het. De wonde aan haar stuit wordt steeds erger. Bij de verzorging heb ik dikwijls het gevoel tekort te schieten. Meestal sta ik in mijn shift voor haar verzorging er alleen voor en ik vraag mij af waar mijn collegamaatje is. Ik krijg sterk de indruk dat Berte wordt gemeden en aangezien ik hier nog niet lang werk en ook nog niet zo lang in de zorgsector een onaangenaam gevoel krijg van aan mijn lot te zijn overgelaten. Als de verzorging is gebeurd, piept mijn collega binnen en roept: ‘Hee zus, heb je nog hulp nodig?’ Ik roep gauw terug dat het bijna allemaal is gedaan maar mijn collega is alweer terug weg. Het is een feit dat we hier hard moeten werken en geen tijd kunnen verspillen. Iedereen wil gewassen en verzorgd worden, toch?

Naarmate ik er langer werk, het was nu mijn derde of vierde week, vind ik de sfeer in Malpertuus-Boven er grimmiger op worden. Het kan natuurlijk zijn dat dit in mijn eigen beleving zit maar wat ik voel kan ik niet zomaar negeren.
Ik werk opnieuw een weekend. De bezetting is twee verzorgenden en ik als verpleegkundige voor zo een 48 bewoners. Draaien op volle toeren, ik zet me helemaal in, om zo rond een uur of elf te eindigen op Berte’s kamer. Ze voelt warm aan, reageert weinig op aanspreken. Ik vind de thermometer niet in de wondzorgkar. Ik krijg een wrevelig gevoel. Ik begin Berte te wassen. Ze ligt nu op haar linkerzijde, zodat ik aan de wondverzorging kan beginnen. Maar in de verzorgkar vind ik het flesje ontsmettingsalcohol niet. ‘Hoe kan dit nu?’ Ik heb woensdag laatst gewerkt, toen stonden er nog twee potjes, een vol en nog één met een bodempje. Nu niks meer. Donderdag en vrijdag ben ik thuis geweest. Hoe kon ik nu in hemelsnaam een steriele wondverzorging doen, want schaar moet ik steriel maken, Berte heeft een diepe decubituswonde en is ook gediagnosticeerd met anaplastische anemie, een soort kanker in de bloedcellen. Het verklaart haar slechte wondgenezing en algehele toestand.

Bij het verzorgen, dat ik opnieuw alleen aan begin, zitten mijn twee andere collega’s waarschijnlijk op de tweede verdieping, de zorg is daar ook heel groot. Nadat Berte is gewassen, wat toch een hele inspanning van me vraagt, aangezien ze te zwak is om echt mee te werken, of te draaien, vraagt Berte me heel stilletjes: ‘Mag ik de pan even? Het zweet breekt me uit en ik denk: Neen, hee, niet opnieuw… Ik kan haar heel moeilijk manipuleren, ze rolt steeds terug op haar rug, de wondontsmetting lukt me niet. Ik weet dat er ergens op haar tafeltje een speciale zalf was, waar is die in godsnaam. Ondertussen is één van mijn collega’s gearriveerd en Gerda vestigt mijn aandacht op de nieuwe witte pot. Ik vermoed dat dit de magistrale bereiding is, de recente datum is het bewijs. Maar ik kan mijn materiaal niet steriel maken want heb geen steriele spatel of schaar. Met verstand op nul en mezelf belovend dat ik vanaf nu steriele alcoholoplossing en thermometer op zak zal hebben doe ik de verbandjes op haar stuit. Geen tijd om op zoek te gaan naar de tweede verdieping in de voorraadkast.
Ze wordt in de rolstoel gezet, met de hulp van Gerda en ik, het tiltoestel vinden we niet nodig. Maar ze kan helemaal niet meer steunen. Ze zakt door haar knieën en Gerda en ik kunnen haar niet houden. We kunnen geen kant op en roepen heel luid om hulp. We voelen onze grip verslappen en ons lichaam onder druk. ‘Didier!, we weten dat hij niet ver uit de buurt is…..Didier komt als een godsgeschenk de kamer binnen en neemt Berte onder de armen en ze wordt wel wat bruut in de rolstoel gezet. Berte kan niets uitbrengen, ze lijkt echt te zwak. Een uit de hand gelopen situatie, het gebeurt af en toe. En onze rug die wordt verondersteld zomaar te recuperen.
Ik borstel het haar van Berte, die wezenloos in haar stoel zit. Ik zeg haar: ‘Je hebt nog steeds mooi haar, Berte.’ Ze reageert weinig of zelfs niet. Ik hoop dat ze het gehoord heeft. In de loop van de week, zat ze nog in de cafetaria tegen Maria te zeggen, dat ik een ‘braveke’ was. Het doet me goed, weet je. De waardering die je hier krijgt, komt ENKEL van de bewoners, en maakt je werk toch nog aangenaam. Berte liet ook dikwijls blijken hoe tevreden ze was met de verzorging.

Het weekend daarop van hetzelfde laken een broek. Om een uur of elf stond ik weer bij Berte de verzorging alleen te doen, nu gewapend met eigen alcoholflesje en thermometer, die nu wonderwel ook weer in het karretje lag. Bij het wakker worden doet ze een onverstaanbare uitleg. Ze hoort zelf hoe brabbelend ze praat en begint te jammeren. Ze valt ook constant in slaap tijdens de hygiënische zorgen maar ook bij het verzorgen van haar doorligwonde,die er nu echt lelijk uitziet. De wonde stinkt. Een wondcultuur zou hier op zijn plaats zijn. Maar ik weet dat het geen zin had, hier over te beginnen. Een wondcultuur, daar hadden Malpertuus-Boven waarschijnlijk nog nooit van gehoord of zou onmenselijk duur zijn. Ik vraag me af of het geen pijn doet, als ik met die wonde bezig ben. Maar bij het spuiten van de wondreiniger geeft Berte geen kick. De wonde ziet er nu groenig uit, in plaats van zwart en ik weet dat het een infectie is waar je voor op moet passen.

De zaterdag was een heel drukke dag. Tijdens de verzorging van Berte, is nu ook de wachtdokter gearriveerd voor Lowie die zich weer had ondergebraakt. Wat een toestand.
Berte zit in de namiddag in de cafetaria, er zit een schoonzoon of zoon bij haar, met partner. Hij knikt naar me. Maar ik heb geen zin in een babbeltje. Het is me allemaal even genoeg. Berte ’s verzorging is enorm tijdrovend geweest, ik heb geen tijd meer gehad mijn pillen te controleren.
Didier heeft zondag met mij samen met mij de late dienst. Hij is ok als collega, heel behulpzaam maar vandaag uitzonderlijk stil. Hij zegt me dat hij al de hele week met een microbe loopt die hem misselijk maakt en af en toe laat braken. Hij ziet er ook witter uit dan anders. Het loopt hier rond als een vuurtje, Gerda voelde zich ook al niet zo denderend.

Maandag ben ik vrij. En die nacht ben ik misselijk gaan slapen. Mijn maag heeft liggen draaien tot 4 u s’nachts. Dan kwam het verlossend gebraak op de badkamer. ‘Nu ben ik er aan’ , zo slecht voelde ik me. Dinsdag voel ik me ook een wrak maar heb slechts 37,2 °C. Ik wil me ziek melden op Malpertuus-Bovern want mijn cyclus nachten begint vanavond. Maar dit kan niet want ik heb van tevoren met met Micheline overlegd dat zij mijn nacht een stuk zou doen tot 23 u en ik dit op een later moment dit terug zou doen. Ik heb dit zo geregeld opdat ik naar de wondzorgbijscholing kan gaan in het universitair ziekenhuis, waar ik al een tijd voor ben ingeschreven. Al moest ik TIEN pijnstillers moeten nemen, ik wil dit echt niet willen missen.


Op de bijscholing voel ik me nog altijd wat onwel, maar het gaat. Aan het standje waar enkele vertegenwoordigers me tewoord staan vraag ik uitleg over bepaalde verbanden, met het oog op Berte haar wonde. Eén van de dames vraagt me de wonde exact te beschrijven. De dame zei dat een groene wonde, waarschijnlijk een pseudomonasbesmetting was, een heel hardnekkig beestje, dat je niet kapot krijgt met antibiotica. Ik vertel dat Berte uit het ziekenhuis is gekomen met Clostridium. Ze geeft me een telefoonnummer, met een gratische raadpleging van een wondconsulente, die aan het rusthuis advies kon verlenen. Ik voel me een koningin en hoop dat ik Berte kan helpen.

Maar als ik de dinsdagnacht om 23u op Malpertuus-Boven arriveer, krijg ik in de briefing te horen dat Berte palliatief is verklaard met een DNRcode. Ze is stervende. Ik schrik, zo een snelle achteruitgang? Als ik bij haar op de kamer kom, ligt ze met een gelig gelaatskleur , met een moeilijke reutelende ademhaling; Je kunt de wonde zo ruiken, het stinkt verschrikkelijk. Bij de ochtendbriefing brief ik naar mijn ochtendploeg dat ik een telefoonnummer heb van een wondconsulente die misschien advies kon geven ivm geurwerend wondverband. Ze kijken me ongeinteresseerd aan. Aangezien ikzelf nog zo weinig ervaring had op die moment, lijkt het alsof als ik een naïeve maar domme verpleegster ben, op die moment voel ik me zo toch. Ik voel me vooral machteloos. Berte is mijn eerste bewoner waar ik het leven zag uitglippen.

Als ik donderdagavond mijn derde nacht opkom, hoor ik dat Berte overleden is rond 18u. De zoon had bij haar afgelopen nacht bij haar zitten waken. Lowie is heel stil nu, brieft de late ploeg mij en Nathalie. Nathalie en ik proberen hem s’morgens op te monteren, te peilen naar zijn emoties en of hij ook ten volle begrijpt dat zijn vrouw nu is gestorven. Lowie geeft geen krimp. Het lijkt wel of hij al lang afscheid had genomen van zijn vrouw, die hij niet meer heeft herkend sinds ze uit het ziekenhuis was teruggekeerd. Hij lijkt zelfs opgelucht, alsof hij nu terug onze volle aandacht appreciëert. Wat gaat er om in het hoofd van mensen?

En ik besef nu, hoe goed we haar ook hebben verzorgd, hoe beperkt onze zorg is geweest voor haar. De laatste weken moet ze zich een last hebben gevoeld voor ons, de wereld en had nog zo weinig vreugdes. Zelfs haar man herkende, erkende haar niet. Enkel de kleine complimentjes, aanmoedigingen van verpleging, ik hoop echt dat het een verschil maakte…

Berte, we wensen je het allerbeste in je nieuwe leven.
 

Reacties (10) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Wat ontroerend geschreven, ik heb grote bewondering voor jou
Nu pas je artikel ontdekt en een duim omhoog.
Je hebt een zwaar beroep en zeker met die onderbezetting.
Maar je kunt het werk doen, zo te lezen.
Dat verzorgende werk kan niet iedereen.
De kunst is om je werk niet mee naar huis te nemen.
Belangstelling en verzorging en meeleven is goed, maar houd je emoties onder controle.
Op de politieschool leerde ik dat van de adjudant:
"hart thuis laten in het gootsteenkasje en potlood scherp"
Ontroerend... het moet hard zijn voor iedereen om zoiets te zien en mee te maken. Duim!
Zo een zeer ingrijpend verhaal, en heel moeilijk voor de nabestaande. Sterkte iedereen.!
Heel mooi beschreven, ontroerend verhaal !
heel indrukwekkend geschreven,
mooi geschreven maar wat een verhaal