De ontwikkeling van de auto

Door Lathica gepubliceerd op Friday 28 September 12:13

De auto werd niet zomaar even uitgevonden. Hij was het resultaat van een aantal technische ontwikkelingen die tenslotte een lichte en efficiente motor opleverden.

De twee erkende 'vaders van de moderne auto' zijn de duitsers Karl Benz (1844- 1929) en Gottlieb Daimler (1834- 1900), die enkele maanden na elkaar hun eerste voertuig met benzinemotor bouwden ( 1885- 1886). Ruim honderd jaar daarvoor demonstreerde icolas Cugnot zijn kolossale stoomwagen: het eerste voertuig dat zich op eigen kracht kon voortbewegen denderde met een snelheid van bijna 5 km per uur door de straten van Parijs. De engelsman Richard Trevithick (1771-1833) ontwierp in 1801 een bruikbare stoomwagen en tegen 1830 bestond er in Engeland een klein netwerk van stoombusroutes. Deze nieuwe manier van vervoer ondervond echter sterke tegenstand van de gevestigde belangen van de diligence, spoorwegen en binnenscheepvaart.

DE EERSTE AUTO:

De duitser Nikolas Otto (1832-1891) bouwde de eerste viertakt verbrandingsmotor en in 1885 plaatste Daimler een kleine viertakt motor in het frame van een fiets. Hij reed in 1886 met zijn eerste vierwielig benzinevoertuig door Cannstatt. In Mannheim teste Benz zijn driewieler. Daimler gaf de Franse firma Panhar en Levassor toestemming zijn motor te bouwen. In Levassor's primitieve auto was de motor voorin geplaatst. De achterwielen werden aangedreven via een koppeling en een versnellingsbak. Zo verscheen in 1891 de eerste auto die technisch gezien al een moderne constructie had. Rondom de eeuwwisseling werden benzine, stoom en elektriciteit in gelijke mate als krachtbron voor auto's gebruikt. In Frankrijk werden de eerste autofabrieken opgericht, zoals Panhard, Peugeot, Renault, Daracq en Delahaye; inDuitsland bracht Benz de eerste auto op de markt die gemaakt was in serieproduktie, de Velo (1894) en Daimler stond op het punt de Mercedes te introduceren (1901). In de Verenigde Staten ontwikkelde de auto zich op een ander manier. In dit land werd de auto niet beschouwd als vermaak voor welgestelden, maar als een nieuw middel om met andere mensen in contact te komen.

TRAGE START VAN DE BRITTEN:

In Groot- Brittannie, waar een aanvankelijk langzame ontwikkeling plaatsvond, werd in 1896 een wet inzake het autoverkeer aangenomen, waarin de snelheid werd vastgelegd. Kort daarna begonnen fabrieken als Lanchester, Daimler ( uit Coventry), Wolseley en Napier met de autoproduktie. Een aantal Britse fabriekanten trachte de Franse voorsprong te verkleinen. Van groot belang was daarbij de samenwerking tussen Charles Rolls en Henry Royce vanaf 1904. In die tijd bereide Henry Ford de wereld voor op zijn T- Ford, die in 1908 voor het eerst werd getoond. Tegen 1910 veranderde men niet veel meer aan de constructie van de auto. De motor had kleppen aan de zijkant, vier of zes cilinders, en was voorin de wagen geplaatst. Er was een bescherming tegen weersinvloeden ontwikkeld; door de elektrische starter. die het lastige aanzwengelen overbodig maakte, durfden nu ook vrouwen achter het stuur te kruipen. Verwisselbare en nauwkeurig afgewerkte onderdelen maakten massaproduktie mogelijk. De nadruk lag dus meer op kleine verbeteringen dan op vernieuwingen. Er kwamen remmen op alle vier de wielen; deze werden uit staal geperst en van luchtbanden voorzien.

GOEDKOPERE AUTO'S:

Door de grotere vaag naar auto's in de twintiger jaren werden door fabriekanten zoals Morris, Citroen, Opel, Austin en Fiat goedkopere auto's op de markt gebracht. Extravagante modellen zoals HispanoSuiza, Maybach, Voisin en Delage bleven de aandacht trekken, maar vereisten een dikke portemonnaie. De economische crisis aan het einde van de twintiger jaren dwong vele fabriekanten van zowel goedkope als dure auto's hun produktie te staken. Anderen werden gedwongen nog goedkopere auto's te maken. Tegen de dertiger jaren werden vooral gezinsauto's voor de nieuwe middenklasse gebouwd; deze auto's waren zo eenvoudig te bedienen dat bij wijz van spreken iedereen er zo in kon wegrijden. Er waren echter ook enkele technische vernieuwingen. Citroen bracht in 1934 de 'traction Avant', de eerste middelgrote auto met voorwielaandrijving en onafhankelijk opgehangen wielen, die in groten getale werd geproduceerd. In 1938 werd de Duitse Volkswagen ontworpen: het enige model dat bijna 40 jaar in produktie bleef. De eerste na-oorlogse auto's leken veel op die van voor de oorlog, maar in 1948 verschenen er twee Britse modellen die de toekomstige vormgeving zouden beinvloeden: de Morris Minor, met een grote spoorbreedte en de Jaguar XK 120, een zeer snelle sportwagen. In 1955 verbaasde Citroen de autowereld met de hydro- pneumatische vering van de DS 19. Sindsdien is de auto een steeds belangrijker rol in ons leven gaan spelen; hij is een bedreiging gaan vormen voor onze gezondheid, onze energiebronnen en voor de mogelijkheid ons te verplaatsen - waar hij nu juist voor bestemd was. Nu de autodichtheid in de Lage Landen in de afgelopen tien jaar ongeveer vervijfvoudigd is, zal men dit probleem niet gemakkelijk kunnen oplossen. Vandaar de hernieuwde belangstelling voor elektrische auto's.

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
dat is een heel interessant artikel. een duim verdiend hoor!