Biologie havo 5

Door Dorien99 gepubliceerd op Friday 28 September 12:13

als je in havo 4 of havo 5 zit, kun je dit gebruiken voor toetsen!

bio thema 5 havo 4.
poliometyelitis= kinderverlamming (door een virus)
Hiv= de virus gebruikt witte bloedcellen van een mens. De witte bloedcellen zorgen voor antistoffen die de mens beschermen tegen ziekteverwekkers. Door de verwoesting van witte bloedcellen verdwijnt de weerstand van de patient.
binaire naamgeving.=  Bellis Perennis L. =Geslachtsnaam, soortaanduiding, en het laatste is voor de naam wie het ontdenkt heeft.
Bacterien hebben geen:
• kernmembraan
• mitochondrien
• endoplasmatisch reticulum.

Doordat de chromosomen los in het cytoplasma liggen, zijn ze makkelijk bereikbaar voor enzymen.
Optimalisering= Bij deze toepassing zorgt men ervoor dat de omstandigheden zo gunstig mogelijk zijn voor bacterien.
Pathogene bacterien: Ziekteverwekkende bacterien.
Evolutie: De grondgedachten van Darwin zijn in de huidige evolutietheorie terug te vinden. We spreken dan ook van neodarwinistische evolutietheorie of van neodarwinisme. De evolutietheorie gaat uit van verscheidenheid in genotypen, natuurlijke selectie en soortvorming door isolatie.
Door mutaties en en recombinatie is er een grote verscheidenheid in genotypen binnen een populatie. De individuen van en populatie kunnen daardoor ook verschillen in fenotype.
Natuurlijke selectie; de nakomelingen met een betere aanpassing aan het milieu hebben een grotere overlevingskans. Van de individuen met een gunstige genotype zullen meer nakomenlingen inleven blijven en zich voortplanten met individuen met mindere genotypen. Deze selectie leidt ertoe dat soorten voortdurend veranderen.
het gevolg: dat de individuen van de oorspronkelijke vorm uitsterven en dem utanten blijven voortbestaan. De soort is dan geevolueerd.
isolatie:
Pas als verschillende vormen van een soort van elkaar geisoleerd raken, kunnen op den duur verschillende soorten ontstaan. Doordat twee soorten dan steeds meer van elkaar gaan verschillen, zijn de individuen niet meer in staat zich onderling voort te planten.
homologe organen= de vleugel van een vleermuis, de voorvin van een walvis, de voorpoot van een mol en de arm van een mens. Deze organen vertonen overeenkomst in bouw en hebben een gelijke embryonale onstaanswijze. Door aanpassing aan verschillende milieus hebben de organen een verschillende functie gekregen.
Rudimentaire organen= door aanpassing van organismen aan het milieu kunnen organen hun functie verliezen. Soms zijn de resten nog  terug te vinden bij organismen.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
thema 1 havo 4.
natuurlijkwetenschappelijk onderzoek.
• -onderzoek
• -observatie
• probleemstelling
• hypothese
• experimentelefase
• resultaten
• conclusie

organel= elk deel van de cel met een eigen functie.
cytoplasma= is een stroperige vloeistof die bestaat uit water met allerlei opgeloste stoffen.
celmembraan= buitenste laag van het cytoplasma(dunvlies)
proplastiden= zijn kleine korrels die zich tot plastiden ontwikkelen. Uit proplastiden kunnen chloroplasten, chromoplasten en leukoplasten ontstaan.
chloroplasten=(bladgroenkorrels)
chromoplasten= kleurstofkorrels
leukoplasten= kleurloos
endoplasmatisch reticulum= een ingewikkeld netwerk van dubbele membranen in het cytoplasma. Doordat de twee membranen bijna tegen elkaar aan liggen, onstaan afgeplatte holten en kanaaltjes. De ruimten staan met elkaar in verbinding. Het endoplasmatisch reticulum vervult een functie bij het transport van stoffen in de cel.
ribosomen= zijn bolvormige organellen die een functie hebben bij de vorming van de synthese in eiwitten.
mitochondrien= zijn ronde of boonvormige organellen. ze bestaan uit een dubbel membraan waarvan het binnenste membraan sterk is ontplooid.

LEZEN BLZ 18 TOT EN MET 23. OSMOSE E.D.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

thema 2 havo 4. voortplanting
hypofyse= is een hormoonklier die de hormonen fsh en lh afgeeft aan het bloed.
Bij de mannen: zaadcellen worden gevormd onder invloed van FSH en testosteron.
-fsh heeft invloed op de vorming van zaadcellen.
-testosteron wordt onder invloed van Lh gevormd door interstitiele cellen en heeft invloed op de ontwikkeling van zaadcellen.
Periode tot de ovulatie;
De hypofyse produceert FSH en LH.
Onder invloed van FSH worden follikels groter en hierin ontstaan dan holten, gevuld met vocht.
Onder invloed van FSH en LH produceren cellen van de wand van de follikel oestrogenen.
Onder invloed van oestrogenen wordt het baarmoederslijmvlies dikker en gaat het meer klieren bevatten.
Oestrogenen stimuleren de hypofyse tot de secretie van meer LH en remmen de secretie van FSH.
Halverwege de menstruatiecyclus:
Onder invloed van LH neemt een rijpe follikel veel vocht op en barst open. (ovulatie= de rijpe eicel komt vrij) Vindt binnen 12 uur geen bevruchting plaats, dan gaat de eicel te gronde en worden de resten geresorbeerd. Onder invloed van LH ontstaat het gele lichaam uit het in de eierstok achtergebleveb follikelweefsel.

Na de ovulatie;
Onder invloed van LH blijft het gele lichaam in stand en produceert het oestrogenen en progesteron.
Onder invloed van progesteron wordt het baarmoederslijmvlies nog dikker en gaat het voedingsstoffen voor embryo afscheiden.
Onder invloed van progesteron wordt de secretie van FSH en LH door de hypofyse geremd.

Aan het einde van de menstruatie cyclus;
Het gele lichaam begint af te sterven door gebrek aan LH, waar de de secretie van progesteron daalt. Hierdoor treedt menstruatie op: een deel van het baarmoederslijmvlies wordt afgestoten(14 dagen na de ovulatie). En alles begint weer opnieuw.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------
thema 2 havo 5. ecologie.
ecosysteem= in elk gebied vormt de levensgemeenschap samen met de abiotische factoren een eenheid.
mineralisatie= De dode resten worden door reducenten afgebroken tot anorganische stoffen (co2, water, zouten).
Biomassa= het totale gewicht van alle organische stoffen.
productiviteit= de hoeveelheid biomassa is een maat voor de productiviteit van het ecosysteem.
populatiedichtheid= het gemiddeld aantal individuen per oppervlakte eenheid.
kwadrantmethode= daarbij worden in een ecotysteem een of meer plaatsen uitgekozen, waarvan de begroeiing in het gehele ecosysteem.
lijntransectmethode= er wordt dan een route uitgezet die door de hele vegetatie loopt.
merken en terugvangen
beperkende factor= de beperkende factor kan biotisch zijn of abiotisch
biologisch evenwicht= bij beide soorten schommelt de populatiedichtheid om een evenwichtswaarde.
negatieve terugkoppeling= bij een biologisch evenwicht wordt de populatiedichtheid geregeld door negatieve terugkoppeling. Als de populatie groter wordt, krijgen de factoren die een afname van de populatidichtheid veroorzaken meer invloed. Als de populatiedichtheid kleiner wordt, worden de factoren belangrijker die de populatie doen groeien.
geboortecijfer= geeft ewer hoeveel individuen er per tijdseenheid door voorplanting ontstaan.
sterftecijfer= ,,                   ,,    sterft.
draagkracht= de maximale populatiegrootte die over langere tijd in een ecosysteem kan worden gehandhaafd.

Reacties (1) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Dit gaat goed van pas komen! Thanks