Ik Was Een Klasgenoot Van Thom Gerrards (Vriendje Van Gerard Reve) Deel 1

Door Fredvanderwal gepubliceerd op Wednesday 15 May 14:16

IK WAS EEN KLASGENOOT VAN THOM GERRARDS (VRIENDJE VAN GERARD REVE) DEEL 1

IK WAS EEN KLASGENOOT VAN THOM GERRARDS (VRIENDJE VAN GERARD REVE) DEEL 1

Een week geleden kwam ik op een fotopagina van een niet nader te noemen website waar heel wat schoolfotos uit het verleden zijn te bewonderen een foto van Tommie Gerards (Thom Gerrards)  tegen op een groepsfoto als leerling van het Vossiusgymnasium waar hij een klas hoger zat dan ik. Een jaar later, 1956 zaten Thom en ik in de eerste klas van het Christelijk Lyceum in de Moreelsestraat.
Thom bewoog zich al vanaf 1956 in het vage pseudo-artistieke Leidsepleinmilieu van mislukte schrijvers die nooit een boek zouden schrijven en would be schilders die nooit verder met hun werk zouden komen dan de buurtkroeg. Hij zou op jonge leeftijd zelfmoord plegen. In het boek van Nop Maas Gerard Reve deel 2 wordt Thom vermeld op pag.. 185-188, 203, 224, 227.

Fred van der Wal: Thom was onhandelbaar, van scholen afgestuurd, vertoonde crimineeel gedrag en al in 1956 in de  kleedkamer van de gymnastiekzaal van het Christelijk Lyceum in de Moreelste straatbemerkte ik zijn homosexuele neigingn toen vier jongens een andere jongen hardhandig  zijn onderbroek uit trokken en begonnen te betasten.
De jongen die het over kwam kreeg er zo de smaak van te pakken dat hij naar een oplei dingschip voor matrozen vertrok. 
In 1958 liep Thom van huis weg en werd vier jaar lang in een inrichting voor psychisch gestoorde moeilijk opvoedbare jeugd te Wapenveld opgesloten.

Nop Maas: Hij maakte er kennis met de drugs. In 1962 liep hij weg uit de inrichting en dook onder bij de graficus Jan Montyn.

Fred van der Wal: Het begin van de ondergang van Thom. Volgens de in 1985 overleden galerie eigenaresse Dieuwke Bakker heeft Jan Montyn een homosexueel van Thom gemaakt, maar daar vergist zij zich in.
De neigingen van Thom waren er al vanaf zijn veertiende. Nop Maas verhaalt hoe de vrouwelijk ogende Thom de “geliefde” wordt van Jan Montyn. Hij ontwikkelde zich tot een tekenaar van vreemde, anatomisch slecht uitgevoerde, half abstracte krabbels, die voor moderne kunst door moesten gaan.
Jan Montyn was als zovel Nederlanders in  Duitse krijgsdienst tijdens WO II gegaan en had door die stap de verkeerde kant gekozen. In het weinig kritische boek “Jan Montyn” van de nu al weer lang vergeten schrijver Dirk Ayelt Kooiman kunnen wij de zwakke excuses van de graficus Montyn lezen voor zijn land verradersrol.
In het boek van Nop Maas  wordt aangehaald dat de teelballen van Thom verschrompeld waren. Een vermeldenswaardig feit.
In 1964 verliet Gerrard Montyn en vertrok naar Parijs om het daar “te gaan maken”. Het mislukte.
In galerie Swart werd op 15 januari postuum een tentoontelling geopend van Gerrards tekeningen. Twee jaar eerder exposeerde hij op een groepstentoonstelling in Galerie Mokum, die in het begin ook abstracte kunst tentoonstelde, waar galeriehoudster mejuffrouw Dieuwke Bakker later niets meer van wilde weten.
In 1960 ontmoet hij de jonge kunstenaar Thom Gerrard, met wie hij tot 1964 samenwerkt. Samen ondernemen ze reizen naar de Sahara en Marokko. Het licht, de kleuren en de ruimte van het Marokkaanse landschap maken een overweldigende indruk.

Nop Maas (pag.186): Later verbleef hij bij een vriendin in Haarlem. Op dit laatste adres adres werd hij zondagmorgen 3 januari 1965 dood aangetroffen; de slang van de gashaard was los getrok ken, maar er stond ook een bovenlicht open. Iedereen was er van overtuigd dat Gerrard zelfmoord had gepleegd. Een paar weken later zou de officier van justitie tot de conclusie komen dat Gerrards dood het gevolg was van een ongeval.

Fred van der Wal: In de eerste klas van het christelijk lyceum was ik een klasgenoot van Thom Gerards, die al op veertienjarige leeftijd in het los geslagen gedrogeerde Leidseplein milieu verzeild raakte en aan de hand van een graficus ten onder ging in de wereld van de half mislukte contraprestatie zolderkamer- en kelder artiesten. Tommy  was een olijk jongetje met vanaf den beginne al een grote homophiele aanleg, dat was mij al snel duidelijk uit zijn reakties op de naakte lijven van de klasgenootjes in de kleedkamer voor en na de gymnastiekles. Hij hield van rock ’n roll platen en kwam uit een zwaar door de oorlog geteisterd Joods gezin waar hij niet te hand haven was en onder voogdijschap werd gesteld.
Hij kreeg semi artistieke vrienden, nietsnutten uit het leidseplein milieu, randfiguren die aan de verdovende middelen zaten.
In die eerste klas van het christelijk lyceum kreeg hij een vriendinnetje waar mee hij de poffertjestent bezocht, toen een tref centrum van de opstandige Leidsepleinjeugd. Het meisje Elsje S. werd de latere vriendin in 1972 van de surrealistiese schilder C. v. G. en verdween vervolgens met een zoveelste rangs beeeldhouwer naar de gedrogeerde Ruigoord commune, waar een normaal mens nog niet dood wil worden gevonden.
Elsje S. vertelde mij in 1972 ter huize van de Amsterdamse surrealistische schilder dat Thom Gerrard als hoogtepunt vaan woeste Leidseplein breekfeeesten regelmatig eeen show opvoerde waarbij hij zijn kop in de gasoven stak en de kraan open draaide. Het moet te maken hebben gehad met zijn Joodse afkomst, anders kan ik het niet verklaren.

Ik kwam Thom in 1956 nog een keer tegen in het gezelschap van de toen nog relatief onbekende Gerard van het Reve, die ons gesprek onderbrak met de opmerking: Ik praat niet met kinderen!"
Een andere keer was ik er bij dat Thomm een hard pornoboekje kreeg van een vriend die aan de kunstnijverheidsschool studeerde.
We bekeken de fotos met rode oortjes.
Na juni 1957 verloor ik Tommie G. uit het oog en pas begin jaren zestig hoorde ik iets van hem toen hij abstrakte tekeningen ging exposeren, ik geloof in 1962 bij Galerie Mokum die toen nog niet een keuze voor het realisme en het surrealisme had gemaakt .

In 1966 kwam bij uitgeverij G.A. van Oorschot te Amsterdam het boek “Nader tot U” van Gerard Kornelis van het Reve uit en tot mijn verrassing las ik op pagina 69 tot 72 het verhaal over het bezoek dat Tommie G. met zijn map tekeningen aan van het Reve bracht en hoe het onvermijdelijk verliep in een waas van marihuana en homo erotiek.

Het volgende fragment uit “Nader tot U” van Gerard Kornelis van het Reve over Thom G. volgt hieronder :

“Portfolios had ik heel wat gezien, peinsde ik, die men maar al te dikwijls, wegens het grote formaat, door botsingen in de bochten van donkere trappen, tot dwarrelende uit-zaaiing van de kolleksie, uit zijn poten moest laten vallen, als men al niet zelf een doodsmak maakte. Ik schudde het hoofd en dacht, heel stil zittend, opeens aan Tommie G., die nog maar een paar maanden dood was, en die de laatste keer dat hij in Amsterdam bij mij langs was geweest, ook een portfolio bij zich had gehad en had open-gemaakt om mij zijn met zwarte inkt gemaakte pentekenin-gen te laten zien, opeenhopingen van snel uitgevoerde, lus-achtige figuurtjes, die wellicht mensen uitbeeldden, zodat de tekeningen misschien menigtes moesten voorstellen (‘mas-saatjes,’ zei Teigetje later) die soms stilstaand, soms naar links of naar rechts in beweging zijnd, moesten worden begrepen. Toen hij er een paar op de vloer had gelegd, was ik er, zittend op het bed, naar begonnen te staren, maar ik kon er niks in zien (…) Mijn gepieker was echter niet nodig, want de jonge kunstenaar had al een sigaret gerold van iets geweldig krachtigs, ‘weed’ met nog iets wittigs erdoorheen, zodat hij al na de eerste paar trekken om alles giechelde en één of twee, weinig belangwekkende mede-delingen een groot aantal keien met vrijwel gelijkluidende woordkeus herhaalde en een paar maal opmerkte, dat hij alles ‘hardstikke fijn vond’.
‘Hebben ze namen? Ik bedoel: heb je ze titels gegeven?’ vroeg ik.
Nee, namen hadden zijn tekeningen niet.
‘Maar dat moet wel,’ betoogde ik.
‘Laten we maar eens kijken.’
Tommie begon met potlood, in goed leesbaar schrift, op een blok-nootje, in opeenvolgende nummering, de benamingen op te schrijven, die ik, telkens als hij een nieuwe tekening te voorschijn had getrokken, voorstelde.
‘Je nummert de tekeningen zelf toch ook wel?’ had ik hem nog gevraagd.
‘Anders weet je bij wijze van spreken straks niet meer wat voor naam op wat voor tekening slaat.’
Nee, dat onthield hij zo ook wel.
‘Het is je eigen werk, en dat ken je natuurlijk,’ had ik beaamd. Terwijl ik hem, nadat hij naast mij op het bed was komen zitten, telkens streelde en even aanhaalde, verzon ik de benaming en, waarvan ik me niet één meer kan herinneren, al weet ik nog wel dat ze alle in de trant waren van ‘Structureel Doorzicht’, ‘Entrissen sind wir dem Tageslicht’, ‘Impasse 1964’, en dergelijke, alle met woest, geestdriftig gegier door Tommie begroet en genoteerd. Toch was ik nog steeds blijven piekeren, want, zo geil als ik van hem was, had ik er toch tegen opgezien om hem in al te vast verkeer over de vloer te krijgen, want hij kon, dat wist ik, in wat voor kamer ook, en net zo goed in een bed als op een divan, zonder bezwaar twintig uur aan één stuk door slapen, stond zelden vóór smiddags half één op, ging in geen geval ooit voor een uur of drie snachts naar bed, en had me al een paar keer tegen middernacht uit een of andere leuke kroeg opgebeld, ‘dat ze nog even wat zaten te praten’, maar dat hij ‘beslist vóór enen’ nog bij me was, en dat het zeker wel goed was als hij ‘Leopardo’ of ‘Vitessa’, of beiden, meebracht, onveranderlijk een slome haarboer respektievelijk een brochessmedende kunst nijverheidstrut die, nog nauwelijks binnen en nog nooit van het begrip burengerucht gehoord hebbend, begonnen zeuren over het ontbreken van muziek, meestal gevolgd door vage klachten dat ze wel ‘trek’ hadden - als ze al niet zelf je ijskast openrukten, eigenlijk niets dus, dit alles,voor de ‘burgerschrijver’, want al durf ik niet te zweren dat ik elke dag vóór zevenen uit en vóór midder nacht weer in ben, het hoort wel zo te zijn, dat weet u trouwens even goed als ik. Maar Tommie was dus dood, met gas, in de nieuwe flat woning in H., van weer een geheel andere kunstnijveraarster of misschien sociologe, op de zondagmorgen na Nieuwjaar toen hij alleen in de woning was geweest en de slang van het fornuis had losgetrokken, met opzet of niet, daar kwamen ze zo gauw niet uit, want hij kon ook, wankelend van de ‘weed’ waarmee hij zich weer had volgeblazen, vóór het fornuis gestruikeld zijn en de slang daarbij hebben losgemaaid en daarop hadden de autoriteiten het tenslotte maar gehouden, ook al omdat het er verder weinig vakkundig uit had gezien, niet met kop in de oven bijvoorbeeld, en ook niet met alles potdicht, want er had waarempel nog een bovenlicht opengestaan. Toen dat alles was uitgezocht, hoefden we alleen nog naar de kremaatsie in Den Haag toe, op een vrijdag, Teigetje en ik, samen met kandidaat-katoliek A., die wel een jaar of zes lang met Tommie ‘had opgetrokken’ en hem zelfs al gekend had in de tijd dat Tommie, omdat het ‘thuis niet meer ging’ in een of ander tehuis of jeugdhaven had gezeten, en die, van het doodsbericht af, aan allerdiepste neer slachtigheid ten prooi was geraakt.
We gingen, wegens nutteloosheid van een automobiel tijdens de spitsuren, met de trein.In het begin was ik, gesterkt door een flinke ochtendronk,heel monter geweest, want ik houd eigenlijk wel van begrafenissen en dergelijke, maar van lieverlede was het lelijk gaan tegenvallen, en was het me in de etablissementen van die merkwaardige, lijkverwerkende industrie, in de aula te machtig geworden, zodat, toen er na alle gegoochel met harmonika deuren en de plotselinge aanblik van een lichtbak als in een bioskoop, die STILTE UITVAART vermeldde, nog een dominee bij gehaald bleek te zijn ook die al begon te bladeren en zijn keel schraapte, ik na een malle opmerking wild jankend naar buiten was gelopen, en bij het hek snikkend was blijven wachten, waar zich spoedig twee jongedames bij me hadden gevoegd die ook, maar iets later, tijdens de dominee zijn toespraak, waren weggelopen, en van wie de ene vertelde dat ze voor de oorlog vlak bij mij in de buurt had gewoond, in de Smaragdstraat of op het Smaragdplein en in de oorlog als jodin naar Engeland was ontkomen en na de oorlog met een niet-joodse Duitser, een chemicus, was getrouwd, om zichzelf ‘nog meer te straffen’ of wegens een soortgelijke teorie, wat ik allemaal natuurlijk niet meteen hoorde, maar pas veel later; de andere jongedame, met misschien een witte trui aan, en blond, die iets panterachtigs en ook wel iets lesbies over zich had, vond ik meteen geil, op een bepaalde manier, als dat bijna lichtgevend roze snoepgoed dat het gehemelte stuk etst. (…) De blonde en geile had in het centrum van Amsterdam in hetzelfde krot als Tommie een of ander atelier gehad, of had dit nog steeds, maar wat ze precies deed is mij niet bijgebleven, en ik geloof ook niet, dat ik het haar gevraagd of van haar gehoord heb -misschien had ze iets met handel of mode te maken, zoiets, denk ik. We stonden elkaar bij het hek een hele tijd gelijk te geven.
‘Moet je horen,” zei ik toen.
‘Ik moet hier blijven staan, want ik moet wachten op mijn vriend, en op nog iemand’ -waar haalde ik de woorden vandaan? - ‘en ik zie hier vlak bij niks dat op een drankzaak lijkt.’

(Uit: Nader Tot U, Brief In De Nacht Geschreven; fragment.)

De brief die Reve verstuurde aan de moeder van Thom Gerrard na zijn zelfmoord: "Eigenlijk had dit het einde van de geschiedenis van Thommy zijn dood moeten zijn, maar een week of wat later had zijn moeder me nog een brief geschreven: of ik een idee had hoe het gekomen was, en wat er volgens mij precies gebeurd kon zijn, en of er misschien kwaad opzet van anderen bij te pas kon zijn gekomen; waarop ik, naar diepste geweten en beste verstand, had geantwoord in een brief waarin ik ook dingen schreef over het bestaan der mensen, hoe ik dat zag, ook over God, en dergelijke, maar wat ik schreef dat was zo, zoals ik het voelde en geloofde dat het was, niks verzonnen, plechtig misschien wel, maar geen leugens of mooipraterij, en ook zonder iets te verzwijgen, behalve dat ik er maar niets in had gezet over de dijk bij Molkwerum."

Brief van Simon Vinkenoog aan Reve van 29 juli 1965:

In deze brief laat het gedrogeerde Leidseplein orakel Vinkeenoog weten dat Reve Thommy Gerrad na diens dood in de steek had gelaten, door over hem te schrijven, zonder enig begrip voor zijn kunst.
Volgens Reve had het Leidsepleingepeupel ten onrechte de indruk gekregen dat hij in de reisbrief  Gerrard had willen ridiculiseren.

Bronnen over het korte leven van Thom Gerrards:

Hans van Straten, “Jong gestorven Thom Gerrards herdacht met expositie” in Het Vrije Volk”van 16 jan. 1965

Esteban Lopez, “Dood van een Ephebe” in “Als broer en zuster” 1970

Dirk Ayelt Kooiman, “Montyn”. Amsterdam 1982

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.