Swa ... i don't care

Door Distefano gepubliceerd op Friday 28 September 12:12

just for fun

De schrijver

Ik stuitte op een veld vol paardenbloemen. Er waren zoveel bloemen dat het mij deed duizelen. De rode ochtendzon hing laag aan de horizon. Een fazant struinde over een pad, vluchtte toen hij mij zag. Hij verstopte zich in een struik met rode bessen. In de verte liepen zes boeren. Allen hadden ze een zeis in hun handen. Achter mij, op het dorre zandpad rinkelde een bel. Een boerenmeid, lang blond haar, een blauwe rok, plofmouwen fietste, stopte. Een stofwolkje kroop omhoog, viel traag omlaag.

   ''Ben jij Stefan?''
   ''Ja dat klopt,'' zei ik.

Ze had, ondanks haar boerentreinenheid, een heldere stem, zonder accent, stralend blauwe ogen, rode wangen van het fietsen en volle lippen. Van die lippen die je per direct aan je piemel wilt hebben.
  ''Ze verwachten jou,'' zei ze en maakte weer aanstalten. Ik vroeg naar haar naam maar kreeg geen antwoord enkel een blik, een lach. Haar fiets maakte een piepend geluid.
  ''Je moet je ketting smeren,'' riep ik.

Ze verdween achter een heuvel. Elk dorp kende haar schoonste en naar alle waarschijnlijkheid was ik die net tegengekomen. De heuvel liep vals plat omhoog. Toen ik aankwam bovenop die heuvel zag ik de zes boerenknechten het koren seizen. Het koren stond krom, maar er was geen wind te bespeuren. In het midden van het veld stond een oude tractor die eerder roze was dan zijn oorspronkelijke rood. Er klonk een kerkklok. Hij sloeg negen keer. Onderaan de heuvel, op een kleine drie kilometer afstand aan het einde van het pad met aan weerszijde rijen van iepen, essen en wilgen lag een dorp in volle glorie, ernstig mooi te wezen. Geen groot dorp, pittoresk, en naar eigen schatting: een driehonderd inwoners. 

Ik kon enkel denken aan slapen, ik had dagen niet gegeten, doorgelopen tot ik kramp kreeg in mijn kuiten en hongerkloppen had overleefd. Natuurlijk wisten zij dat ik onderweg. In het dorp was geen ziel te bekennen, op een magere hond na die over een plein liep. In het midden van dat plein stond een put. Ik ging op de rand van die put zitten en dronk wat water uit de houten emmer die dreef op het water. Er hing een lang stuk touw aan de emmer. Ik dronk als een bezetene. Water is een godsgeschenk, bedacht ik me. Er kwam een oude vrouw aan: dik, breed met een vreemd plat gezicht. Haar nek kon je niet zien. Ze had een  rok aan: zo eentje van een zwartkousendorp.

    ''Jij bent Stefan?'' zei ze met haar twee tanden ontblotend.
    ''Ja.'' zei ik. 
    ''Je hebt geluk, de mannen zijn werken op het land, zei ze, als zij wisten dat je nu kwam was het einde  zoek.''
    ''Kom mee, ik heb een slaapplaats voor je.''

Er bekroop mij een onbehagelijk gevoel maar vreemd genoeg was daar geen twijfel om haar niet te volgen. Ik moet eruit hebben gezien als een spook. Zij begeleidde me naar een koddig huis. Het huis stond ietwat schuin. De zon priemde op de ramen. Voor de deur lag die magere hond die ik eerder had gezien. Binnen bleek het rommelig. Een schilderij van een vrouw trok mijn aandacht. Het getuigde niet echt van smaak.

    ''Ze is dood, al een tijd,'' zei ze nuchter.

Er hingen oude Delfs blauwe schalen in de gang. In de keuken stonk het naar gebakken eieren en spek, maar alles was opvallend schoon.
    ''Volgt u mij,'' vervolde ze en wenkte. Wie liepen door een gangenstelsel en kwamen uit in een huiskamer, waar een oude man op een rieten schommelstoel zat. Hij lurkte aan een grote pijp.
    ''Ik vroeg me al af wanneer je zou komen,'' zei hij en pufte een grote wolk rook uit die de hele kamer vulde.
    ''Je bent op de hoogte?'' Zei hij.
    ''Ja.'' zei ik. De oude man schommelde verder alsof er niets aan de hand was. De oude vrouw wees naar de trap. Het is de eerste rechts. De trap, bleek goed onderhouden, niet gammel, gestoffeerd met groen tapijt. Ik liep de trap en stond vervolgens bij de eerste deur rechts. Op de deur hing een bord. ''Verboden emoties te voeren.'' Ik opende de deur en stond in een kamer.

Op het bed, in de kamer, lag een bleke vrouw. Bloot. Een wind blies door het raam. De schaduw van de dansende gordijnen deden de kamer tot leven brengen. Boeken, uitgeknipte krantenartikelen lagen her en der verspreid, de grond was bezaaid met rozenbladeren. Een bruinrode agenda waarin ik gedetailleerd elke stap noteerde lag op een glazen tafel. Zwarte sokken hingen aan een houten stoel. Een oude computer, die een ratelend geluid produceerde stond op een eikenhouten bureau. Het apparaat fungeerde als de ziel van de protagonist van dit verhaal. De vrouw bleek dood. Vermoord. Hoe ik hier terecht ben gekomen is een raadsel maar toen ik uit het raam keek, zag ik een bezette stad, burgers in rep en roer, een vuurpeleton, blote wijven, en iemand lurken aan een dikke joint. In de verte zag ik de Toren van Babel die mij verdwaald aankeek in mijn eigen fantasie.

 

Leven

Er blies een gure wind, traag. De wereld leek gerimpeld, aanhoudend, zover het oog kon zien; de golven, het zand, de duinen, zelfs de lucht, alles leek gekreukt. Er kroop witgelend schuim over het water dat zijn weg zocht naar het strand, waar het als badschuim op de tegels van een badkamer in elkaar kromp. Een meeuw vloog over. Soms een paar. De lucht was donkerder dan de groengrijze zee. Over het strand, in rubberen laarzen liep ik. Ik volgde een spoor. Het leek op de sporen van een grote hond (leken eerder op voetsporen van een enorme leeuw). Er was daar vrijwel niets anders te zien dan eindeloos zand, water en een grauwe lucht. In de verte spartelde een kapotte roodgele vlieger over het strand als een halfdode vis. De wind nam toe, de golven in die lichtgevende grijsgroene zee veranderde in gebogen, witte mannen, met immens grote armen. Zij zochten naar hun vrijheid en verlossing. Ik liep verder totdat ik in de verte hem zag staan toen ik keek door mijn verrekijker.

 

Er stond een huis, een houten huis op palen tegen de groene helmduinen aan. Het deed mij verlangen naar mijn pensioen. Ik zou in dat huis oud worden, verdwalen in mijn gedachten, genieten en zitten op mijn veranda. Ik zou saaie stoffige boeken lezen, eindeloos mijmeren, nietszeggende notities maken zoals nu, en op mistige dagen zou ik de traagheid van de druppels bestuderen op de ramen. ‘s Avonds zou ik een dikke sigaar roken. Ik zou hem aansteken met een lange lucifer, de krant openslaan en een nip van een goede, oude rode wijn nemen, dicht, knus, bij mijn openhaard. Voor minuten lang staarde ik naar dat huis, naar het water, naar de oliegekleurde schelpen en kwallen op het strand: was ik in gedachten bij wie weet - mag het zeggen. Toen een windvlaag mijn gedachten verstoorde ware de voetprinten van de leeuw verdwenen, ze waren weggespoeld door de golven en naarmate doorliep en ik dichterbij de vlieger kwam realiseerde ik mij; dat de alcohol uit mijn bloedbanen en de vlieger dood was. Op het rimpelig strand stond ik, met mijn gezicht naar de zee, de harde wind in mijn haren en rug. Ik had mijn piemel in mijn hand en pieste persend hard, maar niets kon het schuim, de zee stoppen, niets, helemaal niets. Ik besefte dat de wereld niet om mij draaide, niet zoals; het leven, en ik liep verder over het strand, totdat ik bij de vlieger kwam. Het lag half begraven in het zand, dood, en ik realiseerde mij; dat de leeuw hem misschien wel uit de lucht had geslagen, gewoon om ermee te spelen.

 

 

Reacties (4) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Mer lijn , dan heb ik misschien door waar de titel ........
Sorry, Meer lijn in het verhaal , dan is het ook meer bergrijpelijk, maar je hebt je best gedaan , het was niet echt slecht , dus ik geef een duim !
Just for fun zeg je, nou ik heb er wel om kunnen lachen. Kon af en toe een beeld vormen om vervolgens de draad weer kwijt te zijn.
De schrijftrant is interessant, maar kan mij niet zo bekoren.

Pork geeft de DUIM.
FAN is hij al.

DRIMPELS.