Ik ben ik en Mies is Mies

Door Distefano gepubliceerd op Friday 28 September 12:12

autobiografisch

De twee kwamen uit hetzelfde nest. Elke deur moest openstaan en als je er eentje niet openstond barstte de hel los. Bij het openen van een deur liepen de twee stoïcijns weg, alsof er niets aan de hand was. Als ik thuis kwam van een dag werken, dan vraten ze, schrokten zij de malse vleesbrokken naar binnen die ik in hun eetbakjes had gekieperd. Het was alsof ze in dagen niets gegeten hadden. Dag in, dag uit beleefde ik hetzelfde ritueel en elke keer, na hun eetfestijn, likten zij hun poten af, zoals je doet wanneer een dikke kippenpoten aan het eten bent. Vervolgens, na hun maaltijd viel het tweetal in slaap op mijn oude rode bank. Plato was niet slim. Een ietwat dikke, grijze kat met witte sokken. Mies was een dame, zwart met een witte bef en witte sokken, elegant liep ze in mijn huis mooi te wezen met een duidelijke eigen mening; haar wil was wet. Op een stormachtige nacht betrapte ik haar op het dak (hoe ze daar was gekomen, was een raadsel), mauwend, krabbend tegen mijn slaapkamerraam. Slaapdronken gleed ik uit bed, deed het raam open en zowaar sprong Mies naar binnen, kletsnat, met pretoogjes keek ze me aan. Plato, deed een oog open, lag op een stoel te suffen en ging weer verder met slapen. Mies sprong op mijn bed, droogde zich op, op mijn deken, likte haar poten schoon, plukte met haar bek klittend haar, leek goedenacht te zeggen en viel vervolgens in slaap. Ik ook.

Die nacht is mij altijd bijgebleven, dit omwille het feit dat ik die ochtend met het opkomen van een mooie rode zon, na een nacht, storm, onweer en regen een afspraak bij de rechtbank had - 10:00 uur stond er in de brief. Die ochtend na een rit in mijn oude witte Opel Station Wagon stond ik dan ook geparkeerd voor de Rechtbank van Nijmegen. Geen geld voor het parkeren, enkel nog drie euro benzine voor de reis terug. Na het inchecken, het afgeven van mijn papieren, identiteitskaart, en een fouillering alsof ik Willem Holleeder was moest ik wachten in de wachtruimte met een drietal anderen. Er was geen koffie. Een, naar alle waarschijnlijkheid, Iraakse man werd als eerste geleid door een bewaker, door de lange, holle gang naar een eiken deur. In de weerspiegeling van de ruiten van de wachtruimte zag ik hoe bleek mijn gezicht was; het zwart stond onder mijn ogen, alsof ik de dag daarvoor van een zware LSD trip had genoten. Een rauwe Nijmegenaar zat op een stoel. Hij had een kaal hoofd, handen als een moker, een tatoeage in zijn nek en een engel op zijn onderarm. Hij keek me doordringend aan. ‘Eerste keer?’ vroeg hij. Ik gaf hem een ietwat gelaten lach. Hij schudde wat aan zijn leren jas en haalde 'de Spits' uit zijn binnenzak om die vervolgens te gaan lezen. Na ruim een half uur wachtend, drie Donald Ducks verder, werd mijn naam omgeroepen. De Iraakse man was woedend, werd door twee stevige bewakers stevig onder handen genomen, gedragen naar een ander vertrek.

Ik stiefelde ietwat angstig, op mijn hoede door diezelfde gang naar de eiken deur die de Irakees eerder open deed en daarachter, in de rechtzaal zat de rechter met twee assistenten. Ik mocht ze geen hand geven van de bewaker, die deed alsof ik een moord had gepleegd.

  'Gaat u zitten!' zei de bewaker streng.

De rechter, een lange, iele man, een priesterkapsel en rottig gebit maande de bewaker tot rust en ik nam plaats aan een tafel tegenover het drietal. De rechtse assistent was bloedjemooi, een Italiaanse schoonheid met lang krullende haren, stevige borsten die in alle rust op de tafel lagen waar het drietal aan zat. Mijn god, wat wilde ik graag die tafel zijn. De assistent links van de rechter zag bleek, had rood haar en leek op Hitler. Een zwarte pukkel recht onder zijn neus, een scheiding naar rechts. Achter hen, aan de muur hing een foto van hare majesteit. Ik zal u niet vermoeien met het verhaal dat ik daar deed, met mijn betoog, het had immers geen zin. De rechter was niet geïnteresseerd in mijn emotionele toestand, de wegen die ik was ingeslagen, de oplossingen die ik had bedacht; de enige oplossing die hij had, sprak hij uit zoals een rechter doet. 

    'U klinkt als een kat in het nauw.' zei hij.
    'U bent failliet verklaard.' vervolgde hij. Er was geen speld tussen te krijgen.

De hamer sloeg. De hamer, de woorden van de rechter dreunden door, net als de woorden van mijn ex, een drie weken eerder;

    ‘Ik ben niet meer verliefd op je, ik vertrek.´
    ‘U kunt gaan.’ zei de rechter.

Bij het dichtslaan van die zware eiken deur, hoorde ik de echo van mijn stappen harder dan ooit. Plots was daar die immense bewustzijn; een bewustzijn die ik nooit eerder had mogen ervaren; enerzijds was daar de verlossing, mijn doel in zicht, zoals je een eiland ziet na dagen op een dronken vlot te hebben doorgebracht op zee, roeiend tegen de stroming in; anderzijds en hoe waardevol het recht ook was, was daar, op die woensdag van 9 maart 2009 de uitspraak die terstond mijn natuurlijke inspiraties teniet deed, ik had geen puf meer, was op, moe van het strijden. Goede genade wat had ik zin om te schreeuwen in die holle hal van de rechtbank! Mijn echo zou waarschijnlijk tot in RotjeKnor te horen zijn. De rit naar huis was lang en op één of andere duistere wijze had Mies alles in de smiezen. Want Mies was weg! Zij was nergens meer te bekennen,  zelfs niet na dagen. Dagen werden weken, weken werden maanden. Plato was trouw. Ik heb hem ‘’gedoneerd’’ aan een boerderij.

Ik heb de buurt honderden malen afgezocht naar Mies, posters opgehangen, maar niets, geen teken van Mies te bekennen dagen na thuiskomst van het Recht. Ik kon enkel hopen dat Mies haar plek heeft gevonden. Voor weken zat ik binnen, mijn telefoon stond uit, ik sprak niemand, mijn vrienden waren bezorgd, mijn ouders nog meer, mijn huisraad verkocht ik, evenals mijn schilderijen voor wat grijpstuivers, sommige schonk ik aan de kringloop winkel, eentje aan het Ronald McDonaldhuis en als laatste euvel; verkocht ik mijn huis. Na tientallen flessen wijn, Port en duizenden sigaretten verder was ik het beu. Dit tijdelijke onvermogen, dat zwarte bewind, dat dal waar ik mij in bevond, zal ik nooit meer meemaken, dat zweer ik U, en hoewel Mies en Plato tot mijn verleden behoren, als 33-jarige weer bij mijn ouders opgesloten zat kan ik niet ontkennen dat ik het tweetal mis. Maar hoe mijn lot ook zal zijn, ik zal zorgen dat de windhaan richting mij wijst, naar mij kraait en roept; 'Hé, hoe is het?' om hem vervolgens te kunnen zeggen; 'Goed!'


deel 2

De dagen gingen tergend langzaam. Na een tiental jaren was ik terug op ouderlijk nest, moest ik aanhoren hoe vaders elke avond, ietwat beschoten de trap opliep, kreunend en steunend naast mijn moeder ging liggen die weet wat het is om te snurken. Ik moest aanhoren hoe mijn moeder darmkanker had, en overal in huis scheten liet die erom deden. Het was een tijd van afzien, een tijd waarin meer dronk  dan mijn lever lief was. Ik had alles verloren behalve mijn ouders, twee goede vrienden en mijn broer, die ik nauwelijks zag. Ik dank hun allen veel. Naarmate de tijd verstreek, ik weer mijn eigen plek had en mijn doelen niet- en wel bereikt had, relativeerde ik. Opvallend genoeg was ik me welbewust van mijn eerder leven, toen ik het niet nauw nam met regels en plichten. Schoppen tegen regering, regels en plichten, gaat me beter af dan de tocht stroomopwaarts. Althans, zo voelde het. Doch omwille van mijn moeder, vader en vrienden zwom ik rustiger stroomopwaarts. Er zijn slecht enkelen die mij kennen. Ik vind dat nog steeds niet erg. Ik schrijf of schilder het wel van mij af. Ik kan immers, als ik zo weinig mensen ken, alleen dan; weinig kapot maken want juist daar ben ik goed in.

In die tijd, bij mijn ouders, las ik over de scheppingstheorieën, maar als snel bekroop mij het gevoel dat dit verhaal op wetenschappelijk niveau nooit stand zal houden. De toeval dat er uit levenloze materie, eerst in simpele vorm, een hoger, complexer niveau zou zijn bereikt louter een verhaal was om de mens, hoop te geven. De theorie van dit grotesk verhaal ontgaat mij volledig, want als er daadwerkelijk een God zou bestaan, die met al zijn voortreffelijkheden, goede wil, orde, eenvoud doch complexiteit de wereld zou hebben geschapen; dan had Hij met al zijn weten geen man en vrouw gecreëerd. Doch, ik heb getracht alles te begrijpen wat is geschreven. Maar ik trok mijn conclussies; de mens is slechts een product van de natuur, staat hoog boven op de ladder, kijkt naar beneden naar elk ander levensvorm op aarde, en stront rolt altijd naar beneden. Hoe, omhoog ik ook keek in het dal waar ik mijzelf destijds bevond, was mijn dal gevuld met stront, bagger van mijzelf. Ik ben zelf verantwoordelijk voor de schijt waarin ik mij begaf. De spurten van de ladder braken zo nu en dan, twee treden omhoog, drie omlaag, maar de top … de top; dat ben ik! Geen God, geen geschapen creatie van de mens, nee, dat ben ik, dat ben ik wanneer ik mijn volgend avontuur beleef, schrijf, elke dag bij de krieken van de dag, elke dag als ik werk, of als ik schilder, mijn vriendin neuk en ik ben ik met al mijn belemmeringen, beslommeringen, stoornissen, dat ben ik met alles wat ik weet, met al mijn dromen. De top dat ben ik, Stefan!

Toch, na mijn relaas van zojuist, kan ik vermelden dat het zwemmen stroomopwaarts voor balans heeft gezorgd. Het kostte me wel vijf en dertig jaar van mijn leven maar ach, zoals mijn vader zegt; al het goede heeft tijd nodig. Inmiddels, na enkele maanden in het appartement waarin ik mij nu begeef, voelde ik vragen boven drijven die ik voorheen niet had. Mijn ommekeer had alles te maken met de eerdere voorvallen waarmee ik u niet verder zal vermoeien. Mijn schilderijen, tekeningen en schrijven ondergingen diezelfde gedaanteverwisseling. De echo in mijn huis klinkt hol, als er geen muziek aanstaat hoor ik enkel het getik op mijn toetsenbord, en zoals nu mis ik ze.

Mijn nieuw appartement leent zich er niet voor om een Plato noch Mies te herbergen. Helaas. Maar nu ik dit typ denk ik aan vandaag. Ik was zoals gebruikelijk half zeven op. Er zijn maar weinig dagen dat ik later opsta, of ik moet dronken in bed zijn beland, hier of ergens anders. Maar vandaag, heb ik exact kwart voor zeven, in het donker, de ramen gewassen, de was op mijn fiets naar mijn ouders gebracht. Ik heb geen geld voor een wasmachine. Ik heb vier boterhammen met palingworst gegeten bij mijn ouders, en vulde een toto formulier in bij een sigarenwinkel waar ik de vriendelijke vrouw achter de kassa betaalde - die ervoor zorgde dat ik een half jaar lang de Voetbal International won. Met haar maakte ik een burgerpraatje. Maar na het verlaten van dat sigarenwinkeltje, stond ik genageld op het marktplein in het dorp waar ik woon. Hier op dit marktplein, in dit dorp, waar ik geen scheet kan laten (want anders staat het in de kranten) liep een poes. Het was Mies!

Mies zag ik na twee jaar strijd zomaar lopen op het marktplein, nog geen drie kilometer van het huis dat ik ooit bezat. Maar Mies zag mij niet, liep zoals altijd op haar elegantst mooi te wezen, richting de lange Touwslagersbaan, een lange winkelstraat, richting het Chineesrestaurant. Althans, richting een achterzijde van het pand. Ik volgde haar op een kleine afstand, wilde haar niet laten schrikken. En toen zag ik het. Ze klom als een atlete op de stalen vuilniskar, kroop achter een schutting, en deed haarzelf tegoed aan allerlei Chinese lekkernijen. Oud varkens- en kippenvlees, bami, rijst en nasi, achtergelaten in een emmer. Ik stond perplex, totdat er een oude Mercedes aan kwam rijden. Ik kon niet zien wie erin zat, maar hij of zij parkeerde de auto en er gingen een deur open. Er stapte een klein, lief meisje uit, met krullend kroeshaar, twee sierlijke rode vlechtjes en een beugel. Ik schatte haar zes. Ze was gekleed in wat oude kleren, een bloementjesrok en kijk mij ietwat vreemd aan, totdat ze begon te rennen en ze keek achter de schutting waar Mies aan het eten was. Mies sprong op de schutting, was duidelijk blij haar te zien en het meisje haalde haar van de schutting af. Mies keek naar mij. Het meisje draaide zich om en Mies sprong van haar arm, kwam richting mij en krulde haar staart om mijn been, kroelde aan mijn benen.

Het meisje zei; ‘ze vindt je leuk. Ik heb haar een jaar geleden ontmoet, sindsdien woont ze bij ons. Ze is een zwerfkat.’  Ik lachte. Uit de auto stapte een man, in mijn beleving was hij Irakees. Thuis barstte ik in tranen uit.

Reacties (8) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Schrijnend verhaal
Indringend.
Ik heb genoten van je verhaal!
Helemaal met Kafonie ens ...goed geschreven, goed opgebouwd nog wat illustratie! Duim taco
Die staat bij de favo's. Ik ga het eens op mijn gemak lezen ;-)
Wat een meeslepend, pakkend, ontroerend en triest verhaal, wat zo mooi geschreven is, ik voorspel rijkdom,een duim en fan erbij!
Wel doorgaan ?!
super mooi geschreven !