't Weerbericht geeft de dag een negen

Door Cchristel gepubliceerd op Thursday 18 July 18:25
0?e=1568851200&v=beta&t=Oxej0IP28M-Z-L6c

'Vuilakken!' Ze schreeuwt tegen de muren over het plein en met vaart kletst er een bierflesje achteraan. Kapot. Speerwerpen denkt ze. 'Klootzakken!’ schreeuwt ze. En weer keilt ze er een achteraan. ‘Smeerlappen!' Hup, weer een. 'Matennaaiers! Ik wil wel eens zien wat jij zou doen! Stelletje gekken!’

Nagenoeg elk flesje valt samen met een scheldkanonnade.

'Egoïsten! Zieke gestoorde geesten!' Scherven liggen rondom.

Het winkelend publiek beschouwt van een afstand. Het is alsof zich een schouwspel voltrekt.

Welgeteld tweeënhalf jaar heeft Peggy de overleefmodus ‘vol’ gehouden nadat zich jaren van ellende al had voltrokken, iets met een wraakzuchtige ex (en het domineren van persoonlijke bezittingen en zo meer; narcisme? What ever.) Wat wenste ze rust, had willen kijken in haar eigen fotoalbums, herinneringen willen ophalen, samen met haar moeder Marja. Ze wilde weten wat Marja wist, hoeveel, hoever ze herkende. Nu het nog kon. Toen het nog kon. Nou ja, het kon dus niet.

Daar op dat plein met het krat bier naast haar, doeken zinnen uit de afgelopen tweeënhalf jaar in herinnering op: 'Als jij nu niet normaal doet, dan moet je het huis uit!' De man die dit duidde, was Roderick, haar vader. Hij had werkelijk geen idee. Complete wanhoop (autisme?). Het was in ieder geval duidelijk dat hij het niet wist. De vrouw waartegen hij ageerde, was de zijne: Marja, Peggy’s moeder. 'Door dik en dun, in voor- en tegenspoed.' Ze hoort het hem nog zeggen.

Uiteindelijk waren buren, in januari 2017, op ruzie en hels lawaai afgekomen. ‘Of er hulp nodig was, of het wel goed ging,’ informeerde Roderick Peggy, daags na Marja’s opname, een maand later .

'Smerige leugenaar!’ Opnieuw vliegt er een fles. ‘Jij deed maar alsof veiligheid belangrijk was! Jij zei dat zij recht had op haar recht!’ Ze graait met twee handen flessen uit het krat, werpt er een met links: ‘Lul!’ De ander met rechts: ‘Jij bent mijn vader niet meer!’ Alles is aan diggelen.

2017

'Hoe gaat u nu verder?' Het was eind februari 2017. Deze vraag kwam van een praktijkondersteuner, waar Peggy op aanraden van een dame van het wijkteam en de huisarts naartoe ging. Ellende vierde hoogtij. 'Ik ga het schrijven,’ had ze geantwoord. ‘Iedereen mag weten wat er daarbinnen op die vreselijke afdelingen plaatsvindt. En ik wil mijn moeder daar weg en ik wens een advocaat te vinden. Ik zal ook mijn suggestie weergeven, beschrijven en visualiseren hoe mijn idee voor menswaardige zorg eruit ziet. Dit moet anders.'

Peggy heeft een verscheidenheid aan ervaring in de zorg. Ze is een hopper geweest, ze weet dat het anders kan. Dit is niet normaal.

'Je wil gelijk de hele zorg in Nederland veranderen?'

'Als dat kan, waarom niet?'

Het was niet haar doel, zij wilde bovenal staande zien te blijven; de bodem voelde weggevaagd. Schrijven is Peggy’s passie en eer toeschrijven aan haar dochter Lynn was wel het minste dat ze kon doen.

Lynn en Marja hadden samen meest prachtig voelbare en zichtbare band. Lynn had het, zonder enige twijfel, goed gedaan in contact tot haar oma; zeker ook in dat huis. Niet zonder reden was ze uitbundig bedankt voor al haar inzet aan het einde van dat weekend, zondagavond 19 februari 2017, door drie familieleden.

Het waren ook drie handtekeningen onder een ernstig ondenkbare en onbegrijpelijk verwijtbare brief, twee brieven, in een envelop met ‘Lieve Lynn en Peggy’ als opschrift, de dag erna. Dat waren drie messen in Peggy’s rug, dwars door de ziel heen; van voren aangereikt in briefvorm.

Een brief die meedeelde dat zij buiten het contact waren gezet tot moeder en oma Marja. Een van de zinnen onder het kopje ‘afspraken’ luidde: 'Bij online verspreiding door Lynn of Peggy van onjuiste beelden stoppen we de zorg aan mw.'

Alsof opnames onjuist waren. Bestuur durft eigen beleid niet eens onder ogen te zien? Erger waren de handtekeningen eronder. Peggy had lang gedacht dat dit familieleden waren, erg lang, nog tot de avond hiervoor. Deze drie handtekeningen waren van de drie familieleden die Lynn uitbundig bedankte. Het was amper twaalf uur later. Peggy had gedacht hen te kunnen vertrouwen, op hen te kunnen rekenen.

Zonder verhaal te halen, hadden zij ondertekend, maandagmorgen, door het instituut opgeroepen voor een ‘crisisberaad’.

De meeste groots ondenkbare waanzin stond beschreven: Peggy en Lynn zouden personeel hebben bedreigd in het verpleeghuis, voor extreme onrust hebben gezorgd op een afdeling waar structuur en rust zo belangrijk is, Peggy zou ziek gedrag hebben vertoond, er zouden aangiftes liggen, ze zouden zelfs slachtofferhulp hebben moeten inzetten.

En al deze informatie en de intimidatie was precies andersom. Zij durfden.

Roderick eiste respect. Van Peggy.

Ze herinnert zich een van haar geluidsopnames, voelde zich totaal in het nauw gedreven, waarin ze drie keer verzoekt om haar los te laten. Ze had op dat moment maar een intentie: ze wil eruit, weg daar, uit dat huis. Het voelt op geen manier goed. Ze hoorde zichzelf uiteindelijk op de spraakopname zeggen: ‘Laat mij nou los, anders ga ik de politie bellen.’ Dat is dan de derde keer.

Op haar weg naar buiten werd ze tot drie keer toe omsingeld door clubjes van een stuk of vijf mensen. Waar kwamen zij vandaan? Wat wilden ze van haar?

De ene had een militaire verschijning, de ander daarachter had iets weg van een bulldozer, en dan waren er nog zeker drie, misschien wel vier anderen die met hen de kring rond maakten. Peggy was in het midden.

Ze moest uiteindelijk die immense hal nog door, bijna buiten, bemerkte in de zij-hal een gele fluorkleur en daar vandaan klonk een stem: ‘Moeten we haar uitzetten?’

Politie bellen bleek niet nodig. Dankbaar dat ze buiten was, openden opnieuw de deuren. Dat hadden zij gedaan, zonder dat Peggy het wist of dat het ook maar in haar gedachten was opgekomen.

(Als ze op die afdeling boven was gebleven, had politie Peggy vanaf kamer, verblijf moeder, uitgezet.)

De twee agenten stelden zich voor. Eentje zei: ‘Wij zijn gebeld door dit huis dat zich het een en ander heeft voorgevallen. Mogen we jouw kant van het verhaal?’ Dat liet ze zich geen tweede keer vragen. Haar mobiel was aldoor nog op spraakopname, met medeweten van politie werd het gesprek opgenomen (en is daardoor klaarblijkelijk deelbaar?).

Peggy, Lynn, Roderick, de opgetrommelde teamleider en de agenten gingen een half uur later opnieuw de deuren door voor een oplossing die zou beantwoorden aan de aangedragen onveilige belevingen door moeder Marja. Roderick had gezegd: ‘Ja, natuurlijk Peggy, wil ik ook veiligheid voor ma.’ …

Peggy deed het. Ze ging, ditmaal schrijvend, opnieuw die hel door. Ze wist wat er zou komen. De, net iets verminderde, nachtmerries re-activeerden. Ze was dáár. Buiten. In die nacht. Bij háár. Ze zou haar ophalen. Door het raam.

Dat had ze gedacht. Maar ze kon er niet bij. Het was dichtgetimmerd, schots en scheef met houten planken.

Peggy had herhaaldelijk een medicatieaanbod afgewezen, ook die keer bij de praktijkondersteuner. 'Daar word je rustiger van,' had zij gezegd. 'Dat zal best, maar ik moet helder blijven,' had Peggy geantwoord. Te meer om de opgemerkte bedreigingen in haar directe omgeving. De auto met, zo bleek later, een vals kenteken reed de straat uit, nadat een wijnfles tegen haar muur was geklapt. Dit was nog maar een dingetje. Het bleek een machtig instituut waarmee ze van doen had.

‘Jouw familie moet haar daar weghalen,’ zei de politie en ‘wees alert op signalementen. Hou je omgeving in de gaten. Bel 112 als je iets verdachts ziet.’ Het stelde hen niets gerust. Zij mochten de onveiligheid niet benoemen en 'familie' nam veiligheid op geen manier serieus. Welnu, zij ook niet meer.

Klets, daar gaat er weer een.

Sirenes klinken.

Tweeënhalf jaar in overleefmodus. Wat is niet tegen de wet in gegaan? De indicatie, die Peggy na het buiten spel spelen pas onder ogen kreeg, is onjuist: er is geen sprake van dementie. Zeker niet aantoonbaar. Dat kan niet. Ze hebben haar geraddraaid met slaapmedicatie en antidepressiva, de maanden voor haar opname. Marja heeft mevrouw de psychologe, die het dementieonderzoek wilde afnemen, niet eens de voordeur doorgelaten. Weggestuurd. Er ligt geen onderzoek.

‘Voordeel van de twijfel,’ zei de CIZ medewerkster die de indicatie stelde, bij telefonische navraag door Peggy over de inhoud. De dame merkte op dat het haar bevreemdde dat ze zich het huisbezoek niet herinnerde. ‘Dat doe ik anders altijd.’ … ‘Maar ik lees dat de opname is gegaan via BOPZ artikel 60 procedure en dat betekent dat ze haar bij verzet niet mogen tegengehouden en dat ze tenminste recht heeft op een advocaat.’

(Ja, zo is de theorie).

Moeder Marja had psychische klachten, zolang Peggy zich herinnert. Nu heeft Peggy ze ook en Lynn evenzo.

Klets. Daar vliegt er weer eentje.

‘He, doe niet, joh! Zonde!‘ Iemand vanuit ‘t publiek.

‘Zonde? Weet jij wel wat zonde is?’ Zij schreeuwt hem toe: ‘Het is zonde dat er geen advocaat was! Zonde dat die advocaat zei: ‘Ik neem je zaak niet aan. Dit kost jou duizenden euro’s; zij hebben toch al een betere advocaat en jij verliest alsnog.’ En o ja, daarvoor zei die: ‘Ik hoor dit soort verhalen vaker.’ Weet je wel! Dat is zonde!’

‘Waar heb jij het over joh? Doe niet zo gestoord. Jij bent je pillen zeker vergeten!’

Ze raast door: ‘Er was verzet man! Al meteen die eerste dag! Zij hielden ogen gesloten! Net als die deuren! Dat is zonde! Zij werd tegengehouden! Ja, in ieder geval op dag vier! Ook aantoonbaar! Hoor je? Volgens wetgeving is dat ook niet toegestaan! Zonde!’

Klets.

‘Zo zonde!’

Klets, klets.

‘Jonge, het is zonde van dat bier, dat bedoel ik!’ klinkt diezelfde stem.

‘Jongen?’ Het is net alsof ze haar (voormalige) vader hoort. ‘Donder op, idioot! Jij bent een jongen. Ik in ieder geval niet en wat fucked mij dat bier? Alcohol; da’s ook zonde, voor je hersenen, eikel!’ Ze hekelt tegenwoordig, en wantrouwt vooral, vrijwel elke onbekende (als je eigen familie al niet eens kan vertrouwen).

‘Bemoei je met je eigen zaken!’ Klets.

‘Lul!’

Het krat raakt leeg.

Roderick had zichzelf depressief genoemd, destijds. De ander zei overspannen te zijn. Uitgerekend deze mensen beslisten over 't leven van óók háár moeder en mochten dat.

Opnames zijn dramatisch, vreselijk om te horen en te zien. Daar hoef je (moeder en oma) Marja niet voor te kennen.

‘Familie’ had nog de best gedaan Peggy ook opgesloten te krijgen. Ze wilden haar, na het buiten spel spelen, gestoord verklaard hebben. Ze deden een zorgmelding bij de huisarts, hielden ‘onderzoek’ onder haar vrienden, belden bij buren aan, belde zelfs met de afdelingsleider van de school, van dochter Lynn. Ze waren er druk mee, maar tijd om de verhalen van Lynns en Peggy’s te horen, voordat zij hun handtekeningen zetten, waarmee ze hen buiten ‘t contact met moeder/ oma speelden, bestond niet.

'Deze is voor jou!’ Er gaat opnieuw een fles, met die derde persoon in gedachten, die vond ’t ook zo nodig om zijn handtekening te zetten. ‘Jij had jouw gore poten moeten thuis houden, klootzak!’

Klets.

‘Je had van mijn dochter moeten afblijven! Zij was vijftien! Gek! Ben jij effe gestoord met je agressieve fysieke gedoe! Jij bent een schijtbak! Een lafaard met je ‘camera ophangen!’

Iedereen mocht het weten. Blijkbaar.

Tweeënhalf jaar wanhoop, onmacht en emotieophoping. Ze had haar moeder te lang niet gezien, niet meer (zij waren niet meer) welkom, na 't duiden van moeders onveilige beleven en het niet kunnen opbrengen van respect voor deze beleidswijze.

Hoe dan? Die man schuifelde af en aan door Marja’s kamer, had de eerste avond in het collectieve keukentje helemaal tegen Peggy’s lijf aangestaan. Hij week niet, was groot en zij had hem niet horen of zien aankomen. Ze gruwelde van hem, later. Lynn was drie keer tussen de deur geduwd, ook door hem. ‘Hard,’ had ze later nog eens opgemerkt. ‘Wat deed je daarvoor?’ vroeg Peggy. ‘Filmen,’ had ze gezegd.

‘Er liggen mensen in mijn bed. Uitkijken voor die man. Hij is naar. Daar moet je uit de buurt blijven. Hij stompt.’ Ook Marja had haar ervaringen geduid. Ze had nooit voor iemand gewaarschuwd.

Het instituut stond op de lijst van inspectie. Er stond in jaarverslagen over mishandeling door personeel.

De valse beschuldigingen door voormalige naasten waren mogelijk nog waanzinniger om te dragen. Elke dag. En elke dag die vraag: gaat ze dood vandaag?

Peggy kan d'r haren wel uit haar kop trekken. Zij had haar moeten meenemen! Zij had schijt mogen hebben aan die achterlijke ‘familie’.

Nu had ze zelfs geen afscheid kunnen nemen.

‘Trut!’

Opnieuw vliegt er een fles.

‘Jij wilde ruzie voorkomen, stom wijf!’

Klets. ‘Zie nou; nou heb je niks! Zelfs je moeder niet! Nooit meer!’ Klets. Klets.

Deze morgen leegde Peggy de brievenbus, iets dat Lynn normaal gesproken doet, maar die is op vakantie. De grijze omlijning op de witte envelop viel direct op. Een rouwkaart. Peggy’s handen trilden bij het pakken, bij het openmaken, onder het lezen en ze trillen nu nog. Gisteren, had ze gelezen. Gisteren was de begrafenis geweest.

Marja had gezegd: ‘Dit gaat niet, hoor, hier,’ die eerste donderdagavond al, 16 februari 2017. ‘Dit hou ik niet vol.’ Ze smeekte Lynn zo ongeveer: ‘Neem me mee. Ik ga hier dood.’

Elke dag, sinds het buitenspel spelen op 20 februari 2017 kwam er wel die vraag: gaat ze dood vandaag? Niemand informeerde.

Peggy had Roderick, anderhalf jaar geleden laten weten middels aangetekend schrijven niet haar naam, en ook niet die van Lynn, in een rouwadvertentie te willen zien, in combinatie met een dankwoord aan dit huis. (Dan moest het maar zo, had ze gedacht. Hij had op geen manier oor voor haar of hun verhaal en al helemaal geen oog voor hun in dit verhaal.)

Ze informeerde hem, zwart op wit, een rechtszaak te zullen aanspannen voor smaad en laster als hij hiertoe toch zou besluiten.

Nu had Peggy de rouwkaart in handen. Ze las hun namen in het rijtje op de overlijdenskaart van haar moeder en ‘Onze dank gaat uit naar het huis, alwaar liefdevolle verzo…’

Ze vertrok, spoedig daarna, op de fiets, haalde een krat bier bij de slijter en daar staat ze nu, met een nagenoeg leeg krat, een meter of tien vandaan. Niet alleen een mensenmassa heeft zich verzameld; ze ziet agenten uit drie politieauto’s stappen. Vanuit het publiek roept iemand: 'Jij bent helemaal kierewiet!' Een ander schreeuwt erachteraan: 'Zij? Zij is totaal gestoord!'

Vier agenten komen dichterbij.

'Rot op, jullie!’ schreeuwt ze hen toe.

‘Twee keer wist mijn moeder weg te komen uit dat spookhuis. Jullie brachten haar terug! Jullie zijn verwijtbaar! Zij was vrij bij wet! Jullie werkten hieraan mee! Dat is corruptie! Zij was beter af geweest als misdadiger in de gevangenis! Als een hond in het asiel! Stelletje randdebielen!’

Ze is niet klaar, al is het voor hun te laat. Als mensen het boek niet lezen, dan moet het maar zo. Waar moest ze heen met haar emotie? Met haar agressie? Haar woede? Haar ongeloof en met, misschien wel vooral, haar informatie? Ze richt zich tot het publiek: ‘Lees de geschiedenis! Bekijk archief! Plaats niemand op een afdeling waarover je nauwelijks informatie krijgt! Zet je naaste op de wachtlijst bij een fijn huis. Doe dat nu. Als het dan toch moet. Informeer, ook over de hoge eigen bijdrage! Ook over artikel 60 en over macht aan zijdes van mentoren! 100.000 euro vangt zo een instituut om iemand een jaar onder mensonwaardige omstandigheden op te sluiten!’

Politie nadert.

'Blijf staan! Ik gooi, hoor!' Ze dreigt, houdt het flesje boven haar hoofd. Haar voeten worden weggerukt van de stenen, ze klapt met haar kin op de grond en het flesje klapt naast haar, een glasstuk schiet tegen haar hoofd. Van achteren, denkt ze, alweer. 'Ik heb haar,' schreeuwt ie vol in d’r oor. Niet zo moeilijk, denkt ze. 'Is er gebeld?' roept ie.

'Ja. Ze komen eraan,' antwoordt er een.

Ze? Wie?

'Jeetje zeg, ben je zo verward?' klinkt weinig later. Peggy zwijgt. 'Ze zal wel pillen hebben geslikt,' klinkt een ander. 'Dit zien we tegenwoordig toch zo vaak,' zegt de agent die de achter aanval had ingezet en inmiddels weer rechtop staat. Bloed op de grond. Overal glas.

'Kom,' deze stem klinkt vriendelijker. Een vrouw reikt Peggy haar hand en schenkt uit haar andere een lap. Ze knikt naar haar kin, neemt haar aan de arm en brengt haar naar de bus.

Ze zitten. Er gaat een mobiel. De vrouw, zojuist de motor gestart, beantwoordt: 'Ja, het verwardheidsprotocol is in werking gesteld. We zijn bijna onderweg.’ Een vreemde man zit naast Peggy.

©hristel.

 
 

Reacties (0) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.