Het maakt niet uit of je nou op de basisschool zit of op de universiteit. Iedereen krijgt in zijn leven wel eens te maken met zinsontleding.
Misschien denk je dat het een zinloze activiteit is, maar dat is het helemaal niet. In dit artikel wordt omschreven waarom ontleden zinvol is en ook krijg je in dit artikel uitleg over de meest voorkomende woordsoorten met voorbeeldzinnen. De basis over ontleden komt aan bod.

Ontleden
Het ontleden van zinnen is als je er even bij stil staat, eigenlijk een hele leuke activiteit. Je bent namelijk met een puzzel bezig: een taalpuzzel. Het is daarnaast ook een nuttige activiteit. Iemand die Nederlandse zinnen goed kan ontleden, zal ook veel eerder andere talen gaan begrijpen en deze ook veel sneller aanleren.

twee manieren
Je kunt op twee manieren ontleden. Je kunt als eerste kijken naar de zinsdelen van de zin. In dit artikel gaan we echter kijken naar de tweede manier. We kijken naar de woordsoorten. We proberen ieder woord te benoemen. Dit heet ook wel taalkundig ontleden. Hieronder staan de meest voorkomende woordsoorten met een uitleg erbij.

Woordsoorten

1. Lidwoord

Er zijn drie lidwoorden: een, de en het
Let wel op, want soms kan een toch een telwoord zijn.
Ook het kan in sommige bijzondere gevallen een voornaamwoord zijn.

2. Werkwoorden
Werkwoorden komen in iedere zin voor. Ze drukken een handeling, gebeurtenis of toestand uit.
Werkwoorden kunnen  voorkomen als een persoonsvorm, infinitief (hele werkwoord) of als voltooid / tegenwoordig deelwoord.
Je kunt bij werkwoorden ook nog achterhalen om wat voor een soort werkwoord het gaat:
1. Zelfstandig werkwoord
2. Koppelwerkwoord
3. Hulpwerkwoord
Daarover meer in een ander artikel.

3. Zelfstandig naamwoord
Zelfstandige naamwoorden zijn bijna altijd:
- mensen
- dieren
- dingen

Daarnaast vallen eigen-, plaats- en straatnamen ook onder zelfstandige naamwoorden.
Meestal kun je een lidwoord voor een zelfstandig naamwoord plaatsen of je kunt het woord vergroten of verkleinen (meervoud/enkelvoud).

4. Bijvoeglijk naamwoord
Deze woorden zeggen iets over het zelfstandig naamwoord of over een persoonlijk voornaamwoord

Hij is blij met het mooie appartement

Hij = persoonlijk voornaamwoord
Is = werkwoord (koppelwerkwoord)
Blij = bijvoeglijk naamwoord
Met = voorzetselHet = lidwoord
Mooie = bijvoeglijk naamwoord
Appartement = zelfstandig naamwoord

5. Telwoord
Een telwoord geeft een aantal aan of een rangnummer.
Bij telwoorden kunnen we ook nog onderscheid maken in:
- hoofdtelwoorden (een, twee, drie, vier, vijf enz. )
- rangtelwoorden (eerste, tweede, derde, vierde, vijfde enz.)
- bepaalde telwoorden (acht, miljoen, vijfduizend)
- onbepaalde telwoorden (weinig, veel, sommige, enkele, beetje)

Met zijn vele plannen wilde hij eerste worden.

Met = voorzetsel
Zijn = bezittelijk voornaamwoord
Vele = telwoord
Plannen = zelfstandig naamwoord
Wilde = werkwoord (hulpwerkwoord)
Hij = persoonlijk voornaamwoord
Eerste = telwoordWorden = werkwoord (zelfstandig werkwoord)

6. Voornaamwoorden
Hieronder staat een overzicht van veel voorkomende voornaamwoorden.
De lijst is niet compleet.


Persoonlijk voornaamwoord

Bezittelijk voornaamwoord
 


Aanwijzend voornaamwoord

Vragend voornaamwoord
 

ik

je / jij

zij / hij

we / wij

jullie

zij

mijn

jouw

haar / zijn

ons / onze

jullie

hun

Dit

Dat

Deze

Die


Wie
Wat
Waar
Hoe
Welke
Waarom


Waarom kwamen zij die fiets bij zijn huis ophalen?

Waarom = vragen voornaamwoord
Kwamen = werkwoord (hulpwerkwoord)
Zij = persoonlijk voornaamwoord
Die = aanwijzend voornaamwoord
Fiets = zelfstandig naamwoord
Bij = voorzetsel
Zijn = bezittelijk voornaamwoord
Huis = zelfstandig naamwoord
Ophalen = werkwoord (zelfstandig werkwoord)

7. Voorzetsel
Een voorzetsel vormt samen met een zelfstandig naamwoord een zinsdeel.
- Op het paard.
- Naast de supermarkt
- In de kast
Staan de woorden erachter, dan zijn het geen voorzetsels meer, maar bijwoorden.

Hij ging in de garage werken.

Hij = persoonlijk voornaamwoord
Ging = werkwoord  (hulpwerkwoord)
In = voorzetsel
De = lidwoord
Garage = zelfstandig naamwoord
Werken = werkwoord (zelfstandig naamwoord)

8. Bijwoord
Bijwoorden kunnen een tijd aangeven (vandaag, morgen, gisteren, ?s avonds).
Bijwoorden kunnen een plaats aangeven (daar, hier).
Ze zeggen meestal iets over:
- een werkwoord in de zin
- een ander bijwoord in de zin
- een bijvoeglijk naamwoord in de zin

Gisteren moest hij daar vele uren hard werken.

Gisteren = bijwoord
Moest = werkwoord (hulpwerkwoord)
Hij = persoonlijk voornaamwoord
Daar = bijwoord
Vele = telwoord
Uren = zelfstandig naamwoord
Hard = bijwoord
Werken = werkwoord (zelfstandig werkwoord)

© Light89 - September 2013

27/02/2014 19:12

Reacties (0) 

Voordat je kunt reagearen moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.