Samenvatting/begrippenlijst:

'Parlementaire democratie' (hoofdstuk 3)

 

 

Boek: Thema's maatschappijleer

Klas: VWO

 

 

§1: Wat is politiek?

  • Politiek: Wijze waarop een land wordt bestuurd.
  • Burgerparticipatie: De deelname/rol van de burger in de politiek.
  • Dictatuur: De wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht zijn niet van elkaar gescheiden maar in de handen van kleine groep mensen.
  1. Burgers hebben geen invloed op de politiek.
  2. Er is maar een beperkte individuele vrijheid.
  3. Er is geen politieke vrijheid.
  4. Er is overheidsgeweld.
  5. Er is geen onafhankelijke rechtsspraak.
  6. Massamedia en kunstuitingen staan onder censuur van de overheid.
  • Autocratische dictatuur: 1 leider is aan de macht.
  1. Wordt soms geholpen door een Junta (regering die bestaat uit millitairen)
  2. Door ideologie komt godsdienstvrijheid en economische speelruimte vaak voor.
  • Totalitaire dictatuur: Een groep mensen of partij heeft macht gekregen via een ideologische revolutie.
  1. De politiek, economie en het sociale leven wordt door de overheid bepaalt.
  2. Er is indoctrinatie.
  3. Er is theocratie. (Een godsdienst is verheven tot staatsideologie)
  • Directe democratie: Het volk heeft directe zeggenschap.
  1. Bestaat nu niet meer.
  2. Het referendum is daarvan overgebleven. (Een volksstemming over een bepaald wetsvoorstel.)
  • Representatieve democratie: Het volk kiest vertegenwoordigers die de beslissingen nemen en bij verkiezingen verantwoording aan de bevolking moet afleggen over hun beleid.
  1. De macht is verdeeld over meerdere personen en iedereen controleert elkaar. (=trias politica, Klik hier voor meer informatie daarover.)
  2. Er is individuele vrijheid. (vrijheid van meningsuiting)
  3. Er zijn politieke grondrechten. (er mag gestemd worden en zichzelf verkiesbaar worden gesteld)
  4. Politie en leger hebben maar beperkte bevoegdheden.
  5. Er is onafhankelijke rechtspraak.
  6. Er is persvrijheid.
  • Parlementaire stelsel: Het gekozen parlement heeft de grootste macht.
  1. Kan een niet-gekozen staatshoofd hebben met beperkte macht door een grondwet, bijvoorbeeld een koningin. Wanneer er een koningin is spreek je van een consituele monarchie.
  • Presidentieel stelstel: Naast het gekozen parlement is er ook een gekozen president aan de macht.
  1.  President staat aan het hoofd van de regering, uitvoerende macht en kan eventueel ministers benoemen en ontslaan.
  2. De president krijgt dan geen ontbindingsrecht. (Het recht om het parlement te ontbinden.)
  • Democratieën en dictaturen hebben de neiging om zich te ontwikkelen tot oligarchie. (= regeren door weinigen)

  • Regentencultuur: Politici en bestuurders regelen onderling de politieke zaken en schuiven elkaar de belangrijkste baantjes toe.

§2: Politieke stromingen

  • Door industrialisatie en urbanisatie is de samenleving snel verandert.
  • Ideologie: Samenhangend geheel van ideeën over de mens en de gewenste richting van de samenleving.
  • Aspecten die uit  de ideologieën voort zijn gekomen:
  1. Normen en waarden (gaat meestal over de grenzen van individuele vrijheid)
  2. Sociaaleconomische verhoudingen
  3. Machtsverdeling
  • Progressief:
  1. Vooruitstrevend
  2. Pleiten voor veranderingen
  3. Is gericht op op de toekomst.
  • Conservatief:
  1. Behoudend
  2. Richt zich op heden en verleden
  3. Benadrukken wat al bereikt is
  4. Soms: vervanging van regels terugdraaien (= reactionair)
  • Politiek links:
  1. Gelijkwaardigheid
  2. Iedereen gelijke kansen op onderwijs, werk en inkomen.
  3. Overheid moet armen beschermen.
  • Politiek rechts:
  1. Vrijheid en eigen verantwoordelijkheid.
  2. Overheid moet alleen optreden waneer het echt nodig is.
  • Liberalisme:
  1. Wat goed is voor het individu is goed voor de maatschappij.
  2. Vrijheid, individuele verantwoordelijkheid en tolerantie zijn belangrijk.
  3. De vrijemarkteconomie is het beste voor het land.
  • Socialisme:
  1. Iedere individu moet zich kunnen ontplooien.
  2. Pas als mensen gelijke kansen hebben is er vrijheid en gelijkwaardigheid.
  3. Mensen moeten solidair met elkaar zijn.
  4. Bestond vroeger uit communisten en sociaaldemocraten.
  5. Sociaaldemocraten nu: Geen vrijemarkteconomie, maar wel een eerlijkere verdeling van kennis, inkomen en macht.
  • Confessionalisme:
  1. Politieke opvattingen gebaseerd op geloofsovertuiging.
  2. Heeft in Nederland geleid tot oprichting van christelijke partijen.
  3. God heeft een bedoeling met de wereld.
  4. Organische staatsopvatting: Alles is van elkaar en kan alleen in samenhang met elkaar functioneren. (binnen het gezin moeten mensen verantwoordelijkheid voor elkaar dragen)
  5. Christendemocraten nu: streven naar een een samenleving waar rentmeesterschap, solidariteit, harmonie, en gespreide verantwoordelijkheid belangrijke waarden zijn.
  • Rentmeesterschap: Goed voor de aarde zorgen (Bijv. geen genetische manipulatie en klonen van dieren)
  • Naastenliefde: Er moet gezorgd worden voor de kwetsbarenin onze samenleving. 
  • Gespreide verantwoordelijkheid: Mensen zijn verantwoordelijk voor elkaar, alles moet zoveel mogelijk worden overgelaten aan het maarschappelijke midden veld.
  • Maatschappelijke middenveld: Welzijninstellingen en schoolbesturen.
  • Facisme:
  1. Niet democratisch 
  2. Eigen krachten bundelen tegen anderen. (het eigen volk en één leider wordt verheerlijkt en er is weinig plaats voor anderen.)
  3. Iedereen doet alles voor de gemeenschappelijke zaak (= collectief) .
  • Ecologische stroming: (bijv, Groenlinks)
  1. Economische waarden worden ondergeschikt gemaakt aan ecologische waarden (bijv. duurzaamheid)
  2. Overheid moet de zorg voor het milieu waarborgen. 
  3. Marktgerichte economie moet plaats maken voor een duurzame, kleinschalige en milieuvriendelijke economie.
  • Populisme: Stijl van politiek drijven.
  1. De stem van het volk laten horen.
  2. Vaak rechtste standpunten.
  3. Zijn nationalistisch (= tegen immigranten en tegen buitenlandse bemoeienis met binnenlandse politiek en economie)

§3: Politieke partijen

  • Politieke partij: bestaat uit een groep mensen met dezelfde ideeën ocer een ideale samenleving.
  • One-issue partijen: Partijen die zich richten op 1 aspect uit de samenleving (PvdD, partij voor 50+)
  • Protespartijen: Ontstaan uit onvrede met bestaande politiek. (bijv. D66)
  • Functies van poltieke partijen: 
  1. Integratie van ideeën. (Opvattingen worden gebundeld in 1 politiek programma. Door dit partijprogramma worden mensen verbonden en geeft de partij bestaansrecht.)
  2. Informatie. (Om buiten verkiezingstijd iets over de partij te weten te komen.)
  3. Participatie. (Als burgers geïnteresseerd zijn kunnen ze zelf deel nemen aan de politiek)
  4. De selectie van de kanidaten: (Er worden kanidatenlijsten opgesteld, dan kun je kijken op wie je stemt.)
  • Nederlanders hebben lang trouw op dezelde partij gestemd door traditie, sociale afkomst, geloof en cultuur. Vanaf jaren 60 niet meer.
  • Politieke langschap veranderde. (achterban van CDA en PvdA daalde door bijv. toenemende carrièrekansen voor vrouwen, de pil, zwangerschapsverlof. De VVD profiteerde van de zelfstandigheid van de vrouw)
  • Zwevende kiezers: Mensen laten de keuze voor een partije afhangen van het moment en bijv. persoonlijkheid van partijleiders.

§4: De verkiezingen

  • Iedereen die 18 jaar of ouder is mag stemmen in Nederland, voor zowel met actief kiesrecht (= recht om te kiezen) als passief kiesrecht (= recht om gekozen te worden).
  • Evenredige vertegenwoordiging: De hoeveelheid stemmen die je nodig hebt om één zetel te krijgen.
  • Coalitie: Samenwerking tussen 1 of meerdere partijen.
  • Kiesdrempel: Het aantal stemmen die je nodig hebt voor een zetel om een partij te vormen. 
  • Engeland en de VS hebben een dristricten- of merderheidsstelsel. 
  1. Land wordt verdeeld in een aantal districten. Er moet een meerderheid in een district behaald worden om afgevaardigd te worden voor het landelijke parlement.
  2. De kiezers kennen de kanidaten zo beter. 
  3. De stemmen die naar de verliezer zijn gegaan, gaan naar de winnaar.
  • Een partij is grondwettelijk vastgelegd. De voorwaarden zijn:
  1. Zich laten registreren bij de Kiesraad.
  2. In elke 19 districten waar ze meedoen moet er een kanidatenlijst en een ondertekende steunbetuiging van 30 Nederlanders ingeleverd worden. 
  3. Er moet een bedrag van 11.250 betaald worden. Dit wordt voor 75% terugbetaald wanneer er een kiesdeler aantal behaalt wordt. (= 50.000)
  • Je keuze voor een partij hang af van:
  1. Standpunten 
  2. Strategisch. (De kans dat jouw partij gaat regeren en de grootste wordt)
  3. Je eigen belangen
  4. De lijsttrekker (= het gezicht van de partij).
  • Verkiezingsprogramma:
  1. Bovenaan de kanidatenlijst staat de lijsttrekker.
  2. Wordt geholpen door spindoctor (= communicatiedeskundige die de partij en lijsttrekker adviseert.)
  3. Opiniepeilingen (= van grote invloed op de uitslag.)
  4. Tegenwoordig ook de tv- en internetdemocratie genoemd.
  • Je stemt op een persoon van een partij. 
  • De lijsttrekker krijgt veel voorkeursstemmen.
  • Na de tweedekamerverkiezingen wordt er begonnen met de vorming van een nieuw kabinet/formatie (= een regering bestaande uit ministers en staatssecretarissen.) De tweede kamer beslist over de wetsvoorstellen.
  • Landen met een districtenstelsel hebben vaak 1 partij met de meerderheid in het parlement.
  • Informateur: Iemand die onderzoekt welke combinatie van partijen de meeste kans van slagen heeft. Dit hangt haf van welke partijen met elkaar willen regeren en over welke onderwerpen er met overeenstemming bestaan.
  • Alle partijen bij elkaar gebracht? Informateur gaat naar koningin en er wordt een formateur gekozen. (= degene die het kabinet gaat vormen.)
  • Regeerakkoord: raamwerk voor het beleid van het kabinet.
  1. Wordt elk jaar bekend gemaakt in met de troonrede, door de koningin voorgelezen aan de Staten Generaal (= eerste en tweede kamer)
  2. Miljoenennota wordt ook dan bekend gemaakt. (= de rijksbegroting, waar het geld dat jaar aan uitgegeven wordt en wat er binnenkomt).
  • Algemene Beschouwingen: Oppositiepartijen (= partijen die niet in de regering zitten) krijgen de kans om kritiek te leveren op de plannen en kunnen met alternatieven komen.
  • Voorjaarsnota: De regering legt verantwoording af voor het beleid uit de miljoenennota. Is op de derde woensdag in mei (= gehaktdag)
  • Regeerakkoord is een verzameling van compromissen.
  • Motie van afkeuring of wantrouwen
  1. Minster treed af doordat de tweede kamer het beleid van de minister afwijst.
  2. De minister dient hierdoor een motie van afkeuring of wantrouwen in.
  • Wanneer een kabinet aftreed:
  1. Er wordt een nieuwe in(formateur) benoemd die kijkt of een nieuw kabinet gevormd kan worden.
  2. Er worden nieuwe verkiezingen gehouden.
  • Demissionair kabinet: De regering die er is zolang er nog geen nieuwe regering is. Er mogen geen nieuwe plannen komen, maar alleen lopende zaken afgehandeld worden.

§5: Regering en parlement

  • De koningin heeft geen rol meer bij de kabinetsformatie.
  • Regering bestaat uit koningin en de ministers en zijn verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van ons land.
  • Het kabinet bestaat uit ministers en staatssecretarissen en zijn verantwoording schuldig aan de volksvertegenwoordiging.
  • Minister zonder portefeuille: Minister die niet bij een ministerie zit.
  • Taken van de koningin:
  1. Ondertekenen van alle wetten.
  2. Het voorlezen va de troonrede op Prinsjesdag.
  3. Het benoemen van ministers
  4. Regelmatig overleg met de minister-president over kabinetsbeleid.
  • De koningin is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk voor haar daden.
  • Het parlement:
  • Tweede kamer:
  1. 150 leden
  2. Samen met de regering wetten maken en goedkeuren.
  3. Regering controleren.
  • Rechten van de tweede kamer: 
  1. Stemrecht: wetsvoorstellen aannemen of verwerpen
  2. Recht van amendement: wetsvoorstellen wijzigen en daarna aannemen.
  3. Recht van initiatief: wetsvoorstellen indienen.
  4. Budgetrecht: het recht van beide Kamers om de rijksbegroting wel of niet goed te keuren.
  5. Recht van motie: het recht van beide Kamers om een verzoek aan de minister in te 
    dienen om iets te doen of juist niet te doen
  6. Vragenrecht: het recht van beide Kamers om schriftelijke vragen te stellen aan 
    ministers of staatssecretarissen
  7. Recht van interpellatie: het recht van beide Kamers om een minister ter 
    verantwoording te roepen
  8. Recht van enquête:het recht van beide Kamers om een onderzoek uit te voeren 
    naar een onderdeel van het regeringsbeleid
  • Eerste kamer/senaat:
  1. 75 leden
  2. Worden door de provinciale staten gekozen.
  3. Wetsvoorstellen alleen aannemen ofverwerpen.
  4. Voert de laatste controle uit.
  • Recht van motie : Het recht van beide Kamers om een verzoek aan de minister in te dienen om iets te doen of juist niet te doen
  • Motie van afkeuring: Het beleid van een minister wordt afgekeurd
  • Motie van wantrouwen: Het vertrouwen in de minister wordt opgezegd.

§6: Politiek in de praktijk

  • Er zijn 4 fases hoe politieke besluitvorming werkt.
  • Fase 1:
  1. De samenleving brengt eisen en wensen naar voren.
  2. De politiek hoort het en maakt een spoeddebat.
  3. Poortwachters: Massamedia + pressiegroepen + politieke partijen (zijn degene die de wensen uit de samenleving horen)
  • Fase 2: 
  1. Beleidsvoorbereiding: Het onderzoeken van een probleen.
  2. Beleidsbepaling: Ambtenaren + ministers kijken hoe het probleem opgelost kan worden.
  3. Kijken naar de gevolgen van de oplossing.
  • Fase 3: 
  1. Beleidsuitvoering: Het probleem wordt uitgevoerd.
  2. De minister is verantwoordelijk voor de gevolgen.
  • Fase 4:
  1. De oplossing kan ook weer teruggekoppeld worden wanneer de oplossing niet werkt.
  • Actoren: Iedereen die iets met de politiek te maken heeft.
  • Ambtenaren houden zich bezig met het beleid (= manier waarop je iets regelt en er mee om gaat.)
  • Verschillende advisieurs
  1. Raad van State: adviseert over wetsvoorstellen en belangrijke wetsvoorstellen.
  2. Sociaal Economische Raad: Adviseert over sociaal economische zaken.
  3. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Adviseert over wetenschap.
  4. Centraal Plan Bureau: Adviseert en geeft analyse over economische zaken.
  • Burgers kunnen zelf een wetsvoorstel aan de tweede kamer voorstellen. (= burgerinitiatief)
  • Pressiegroepen: groepen die druk uitoefenen op politici om hun standpunten te winnen.
  1. Via Lobbyen(= Persoonlijk contact zoeken met politici)
  2. Via belangenorganisaties (komen op voor belangen van een groep  uit de samenleving.) (ANWB, vakbond)
  3. Actieorganisaties: (zetten zich in voor 1 bepaald thema/onderwerp) (Amnesty, Greenpeace)
  • Politieke functie van media:
  1. Informatieve functie: de functie van media om burgers te informeren
  2. Onderzoekende/agenda functie: de functie van media die ervoor zorgt dat 
    bepaalde zaken in de aandacht komen die vervolgens op de politieke agenda komen
  3. Commentaarfunctie: de functie van media om commentaar te geven op allerlei 
    zaken
  4. Spreekbuisfunctie: de functie van media waarbij politici, groepen en burgers de 
    ruimte krijgen om hun zegje te doen
  5. Controlerende functie: de functie van media om ministers te volgen en kritisch te 
    kijken of ze ook doen wat ze beloven
  • Pluriformiteit = variatie in media

 

§7: Provincie en gemeente

  • Gedecentraliseerde eenheidsstaat: Een staat waarin de rijksoverheid de grote lijnen van het beleid vast stelt maar de invulling aan lagere overheden wordt overgelaten
  • Provinciale Staten: De volksvertegenwoordiging op provincieniveau
  • Gedeputeerde Staten: Vormen het dagelijks bestuur op provincieniveau
  • Commissaris van de Koningin: De voorzitter van de Provinciale en Gedeputeerde Staten
  • Gemeenteraad: De volksvertegenwoordiging op gemeenteniveau. Neemt de belangrijkste besluiten in de gemeente.
  • College van Burgemeester en Wethouders: Vormen het dagelijks bestuur op gemeenteniveau
  • Burgemeester: De voorzitter van de gemeenteraad en B&W
  • Decentralisatie: Proces waarbij je minder centraal gaat besturen.

§8: Nederland en de wereld

  • Eurozone: De EU-landen die een gecoördineerde economische, financiële en monetaire politiek vormen. (dus degene die de euro als betaalmiddel hebben)
  • In de EU:
  1. Is een vrij verkeer van personen en goederen.
  2. Is er een vrije handelsmarkt.
  3. Is er een sterke mobiliteit en expansie.
  • Supranationale organisatie: Landen die lid zijnhebben hun bevoegdheden voor een groot deel overgedragen aan de EU.
  • Intergouvernementeel: Besluiten kunnen alleen worden genomen wanneer er instemming is van alle afzonderlijke landen.
  • Euroscepsis: burgers en regeringen twijfelen aan de supranationale regels.
  • Europese commissie is het dagelijks bestuur van de EU.
  • Raad van de Europese Unie (of Raad van Ministers): De regeringen van alle Europese lidstaten.
  • Europese Raad : De regeringsleiders van de EU-landen.
  • Europees Parlement: Vertegenwoordigers van ale lidstaten die gekozen zijn door de burgers.
  • Europese commisie en Raad van Minister nemen de meeste besluiten.
  • Hof van justitie van de EU: De rechtsprekende macht binnen de Europese Unie.
  • Verenigde Naties: zet zich in voor de hele wereld.
  1. Secretaris-generaal: hoogste ambtenaar van de VN.
  2. Resoluties: Uitspraken waarin het gedrag vane een land wordt veroordeeld.
  3. Verklaring: Basisprincipes die belangrijk zijn voor de internationale samenwerkingen.
  • Vetorecht: Het recht om de uitvoering van een resolutie te verbieden.

§9: Democratie in discussie:

  • Het Nederlandse Democratische stelsel is gebaseerd op de theoriën van Thorbecke.
  • Randvoorwaardenvan een democratie:
  1. Er is voldoende deelname van burgers.
  2. De grondrechten worden gerespecteerd.
  3. Er is een minimum aan sociale cohesie (= de sociale relaties tussen mensen)
  4. De macht van politici heeft voldoende legitimiteit.
  • Monistisch politiek stelsel: wetgevende macht en uitvoerende macht zijn nauw met elkaar verbonden. (= Groot-Brittanië)
  • Dualistisch stelsel: Regering maakt geen deel uit van het parlement. De wetgevende macht en uitvoerende macht zijn gescheiden. (= VS)

 

Lees ook:

De rechtstaat (hoofdstuk 2)

Wat is Maatschappijleer? (hoofdstuk 1)

 

De begrippen uit deze samenvatting zijn dikgedrukt en de woorden tussen haakjes zijn voorbeelden van een begrip of geven wat extra informatie.

_______________________________________________________________________________________

Gemaakt door: H_Justin

Op dit artikel zit Copyright.

_______________________________________________________________________________________

11/10/2013 14:03

Reacties (2) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
25/01/2014 16:41
Fuckinggoed dit, echt niet normaal
Ben verliefd geworden op deze mooie teksten x
25/01/2014 16:41
Fuckinggoed dit, echt niet normaal
Ben verliefd geworden op deze mooie teksten x