De geheime zolderkamer

Vincent verveelde zich te pletter. Hij zat al een uur nutteloos op een houten tuinbankje. Voor hem op tafel stond een half glas limonade. Zijn vierde al. Hij was op visite bij zijn tante, tante Truus. Vincent wist precies wat zo'n uitje bij tante betekende. Lang stilzitten, het was slaapverwekkend. Bovendien was het vandaag bloedje heet. Hij was veel liever met zijn vrienden naar het zwembad gegaan, maar dat ging niet door. Tante had hem al een hele poos niet gezien en zijn ouders vonden het nodig om met zijn drieën bij haar langs te gaan. Vincent had nog gemopperd toen hij hoorde dat ze vandaag gezellig naar tante Truus zouden gaan. Gezellig, dat was het vroeger wel. Vroeger toen zijn nichtje Diana nog bij haar ouders thuis woonde. Diana was er niet meer. Ze was verdwenen, al meer dan een half jaar geleden. Het was een ingewikkeld verhaal. Want niemand wilde Vincent vertellen wat er precies gebeurd was. Of niemand wist het?

Hij wist alleen dat zijn oom op een dag verdween en hij is nooit meer teruggekomen. Nog geen twee weken later verdween ook zijn nichtje. Zomaar in het niets. De politie had de buurt afgezocht, had advertenties in de krant geplaatst, maar het had voorlopig niets opgeleverd.

Gapend keek Vincent wat om zich heen. Hij ving iets op van het gesprek tussen zijn tante en zijn vader. "En dat beest, dat loopt maar rond, iedereen denkt dat het van mij is...op een dag welke het zelfs naar binnensluipen, maar...

Moeder keek Vincent aan, ze had wel door dat hij zich doodverveelde. "Waarom ga je niet spelen? Vroeg ze. "Met wie", antwoordde Vincent humeurig. Na..dan ga je even een rondje lopen in de tuin. Saai, dacht Vincent. Dat is voor oude mensen. Het was wel zo dat tante een grote tuin had, een enorme tuin als hij het met zijn tuin vergeleek. Tante Truus vond dat ook wel goed idee. Ze wees naar een pad met wat grind erop, "als je langs het pad loopt zie je overal schitterende bloempjes en als je geluk hebt kom je een paar eekhorens tegen. Het was in ieder geval beter dan weer een uur stilzitten.

Oh ja en als je een aantal zwerfkatten ziet jaag ze maar weg, goed? Vincent kikte eenstemmig. Afgesproken mompelde hij.

Stap voor stap slenterde hij over het rode grindpad. Eigenlijk had Vincent ook wel een beetje medelijden met zijn tante. Haar man was verdwenen en ook nog eens zijn dochter. Tante had het er erg moeilijk mee en was ook erg sneu vond hij. Diana miste hij stiekem wel. Hij kon goed met haar overweg. En in de krokusvakanties mocht hij altijd bij zijn nichtje logeren. Hij herinnerde zich de flauwe streken die ze samen uithaalden, belletje ringelen en zo. Hij herinnerde zich ook dat hij oom Theo niet heel erg mocht. Soms was hij humeurig en chagrijnig. Hij was altijd aan het klagen.

Maar er was één ding heel apart aan zijn oom. Hij had namelijk een soort hobbykamer. De zolderkamer, daar mocht niemand komen. Daarom noemden Diana en Vincent de zolder ook wel: de geheime zolderkamer. Oom Theo had namelijk een geheime hobby. Een hobby die alleen voor hem was. Wat het precies was, wist niemand, zelfs tante niet. Op een dag, toen hij bij Diana logeerde, zag Vincent zijn oom langs de zoldertrap naar boven klimmen. Diana was op dat moment niet in de buurt.

En vanaf een hoekje zag Vincent zijn oom. Hij stond bij soort tafel. Hij had blijkbaar iets in zijn handen en legde dit voorzichtig op die tafel neer. Het moest iets zeer kostbaars zijn, want hij deed dat uiterste voorzichtig. Vincent kon toen zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en sloop onopvallend naar de ouden houten trap. Hij zette zijn voet op de eerste trede, iets wat hij niet had moeten doen.

De houten trap kraakte geweldig. Oom Theo draaide zich om en zag Vincent staan. Snel legde hij een soort laken over de tafel en liep vliegensvlug naar beneden. Hij deed het luik dicht en nam Vincent mee. Waarom mocht hij dat niet zien? Had hij hem nog gevraagd. Oom Theo zei dat er helemaal niets te zien viel.

Terwijl Vincent over het pad liep, kwam er een geniepig lachje op zijn gezicht. Hij stond stil en kneep zijn ogen samen. Hij was een ondeugend plannetje aan het verzinnen. Als hij nou eens... maar als ze hem dan zien ... Vincent wreef in zijn handen. Ik doe het, besloot hij. Hij zal voor eens en voor al tijd ooms geheime hobby ontraffelen. In plaats dat hij het voetpad volgde, sloop hij door de tuin, langs een brede struik richting het huis van zijn tante.

Het was een groot en vrij oud huis met maar 2 ingangen. Waar zijn ouders en tante waren kon hij natuurlijk niet heengaan. Hij moest het huis insluipen zonder gezien te worden. Zo onopvallend mogelijk sloop hij naar de voordeur. Die was natuurlijk dicht. Er moest nog een ingang zijn. Even dacht Vincent na. Natuurlijk de glazen deuren van de serre die waren meestal wel open, maar dat was te dicht bij de achterdeur waar iedereen hem kon zien.

Zijn plannetje leek de mist in te gaan. Tot hij op het idee kwam op een andere manier binnen te komen.

Vlak bij de plek waar zijn ouders en zijn tante waren, stond een schuur. Als hij op het dak van de schuur klom, zou hij zo bij het openraam van tante's slaapkamer naar binnen kunnen sluipen. Maar was er wel een manier om onopgemerkt op het dak van de schuur klimmen?

Vincent sloop door enkele bosjes richting het oude schuurtje. Toen hij dichterbij kwam, hoorde hij de herkenbare lach van zijn moeder. Hij moest nu niet te veel lawaai maken, anders hadden ze hem door. Hij keek omhoog en zag dat het raam inderdaad open was.

Het was een houten schuur die er niet echt stevig uitzag. Het was gelukkig niet erg hoog, nog geen 2 meter schatte hij. De groene verf op het hout was dof geworden, doordat het een lange tijd niet was onderhouden.

Helemaal links van schuur liep een verroesten metalen regenbuis die er smerig uitzag.

Hij zette zijn linker voet tegen de verroeste buis die daardoor iets bewoog.

Net op het moment dat hij zichzelf omhoog wilde hijsen, klonk er een zacht geritsel achter hem. Onmiddellijk liet hij zich weer op de grond zakken.

Had iemand hem gezien? Hij was nog zo voorzichtig geweest.

Het geritsel kwam dichterbij. Hij was gesnapt... Vincent durfde zich niet om te draaien.

Hij hield zijn adem in, zijn hart bonkte in zijn keel. Enkele seconden gebeurde er niets. Net toen het geritsel leek te zijn opgehouden, kwam het geluid weer opzetten.

Daar was het weer, dit maal heel dichtbij. Hij deed zijn ogen dicht. Hij was ervan overtuigd dat er iemand achter hem stond en hij kon geen kant op.

Minuten leken voorbij te gaan. Vincent voelde wat zweet lang zijn voorhoofd glijden.

Opeens voelde hij iets aan zijn rechtervoet trekken. Zijn hart leek 10 tellen over te slaan. Er werd nog harder aan zijn voet getrokken. Vincent verzamelde al zijn moed en besloot om zijn ogen open te doen. Toen zag hij hoe een zwarte kat met de veters van zijn sportschoenen zat te spelen.

Hij kon weer opgelucht adem halen. Er verscheen zelfs een lach op zijn mond. Wat was hij toch een schijtluis.

De kat hield zijn hoofd scheef en keek Vincent vragend aan. Zo van, wat ben jij eigenlijk van plan? Vincent legde zijn vinger tegen zijn lippen. "Als je mij maar niet verraad", fluisterde hij voor de grap. Vincent legde zijn voet voor een tweede maal op de glibberige regenbuis.

Zijn linkerhand op de rand van het dak en hief zichzelf omhoog.

Het kostte hem een hoop energie om uiteindelijk op de schuur te klimmen, maar met veel moeite lukte het hem.

Op het dak kon hij onmogelijk gaan staan, niet omdat hij bang was, maar iedereen kon hem zo zien en dat moest hij niet hebben. Bovendien was het dak glibberig: er groeide mos en hij moest dus extra voorzichtig zijn, wilde hij niet met een enorme smak op de grond belanden.

Vlak voor hem stond het open raam. Vincent kroop op zijn knieën, zijn kleren werden groen van het mos. Ze handen werden smerig. Wat kon hij toch koppig zijn. Hij had ook netjes op zijn tuinstoel kunnen blijven zitten, dan was hij zich nu nog steeds enorm aan het verleven.

Bijna was hij bij de het raam. Hij keek even onderzoekend om zich heen. Niemand kon hem nu zien. Zijn ouders en tante waren met de rug naar hem toe. Als iemand om zou kijken, wanneer hij door het raam naar binnen zou sluipen, konden ze hem natuurlijk wel zien. Het moest dus snel gebeuren.

Langzaam ging hij staan. Het hout van de schuur begon te kraken. Bijna stond hij overeind. Rechts van hem zaten zijn ouders, tante was blijkbaar even naar binnen gegaan om wat drinken op te halen.

Hij was nog geen halve meter van het raam vandaan.

Bij elk stapje dat hij zette kraakte de schuur, alsof het elk moment kon instorten.

Voorzichtig deed hij het raam nog wat verder open. Net op het moment dat hij naar binnen wilde sluipen, voelde hij dat zijn broekspijp ergens aan was blijven haken. Dit kostte kostbare tijd.

Langzaam zakte hij terug, het dak kraakte weer. Toen merkte hij dat hij helemaal niet was blijven haken. Het was die kat weer. " Jij ook al op het dak", fluisterde hij zachtjes tegen hem. "Maak dat je weg komt", ...zei Vincent en deed alsof hij hem wilde schoppen.

Opdat moment leek de schuur te schudden en verloor hij zijn evenwicht. De kat schoot weg en met een harde klap kwam Vincent op het dak terecht.

Overal voelde hij pijn, zijn rug, zijn rechterelleboog, maar vooral...zijn hoofd.

Alles werd even wazig.

Zachtjes kreunende hij van de pijn. Zijn ouders moesten hem gehoord hebben. Er bestond geen enkele mogelijkheid dat ze de knal niet gehoord konden hebben.

Er stond Vincent niets meer te doen dan wachten tot hij een boze stem zou horen. Die van zijn vader vreesde hij het ergst. Hij zou voor de rest van zijn leven straf krijgen, daar was hij van overtuigd.

Minuten gingen er voorbij, er gebeurde niets. Vincent hield op met kreunen.

Zijn ademhaling werd langzaam weer normaal. Naar de hemelstarend, luisterde de hij naar de geluiden om hem heen. Hij had nog steeds niks van zijn ouders gehoord, het enige wat hij hoorde was zijn eigen ademhaling.

Langzaam kwam hij overeind. De rugpijn was blijkbaar verdwenen, zijn hoofdpijn was er nog steeds. En die voelde nog akeliger toen hij op probeerde te staan.

Doorbijten dacht Vincent. Hij keek in de richting van de tuin. De houten tuinstoel waarop zijn tante had gezeten stond nog even vertalen als net. En ook zijn ouders... zaten nog gewoon gezellig met elkaar te kletsen.

Vincent wilde zichzelf op de schouders tikken: poeh, dacht hij, wat ben ik een geluksvogel vandaag. Als ik nu niet door mijn ouders ben tegengehouden dan moet ik gewoon die zolder in.

Het was lot, anders was hij allang teruggefloten, dacht hij. Blijkbaar moest Vincent doorgaan, om ooms geheim te oplossen.

Ditmaal was er geen kat die hem in de weg kon staan. Ditmaal werd het menens.

Zo gedacht zo gedaan, Vincent kroop handig door het raam en was eindelijk binnen.

Hij was nu op de logeerkamer, daar had Vincent wel eens gelegen. Niets leek er te zijn veranderd zins de laatste keer dat hij daar logeerde. Op het eikenhouten bureau lag zelfs nog een strip die hij daar had laten liggen.

Goh, dat zijn tante hem daar niet aan had herinnerd. Ze was het blijkbaar vergeten. Ze was natuurlijk nog onder de indruk van de plotselinge vermissing van haar man en dochter. Een strip is op dat moment niet belangrijk, vond Vincent.

Toch kon hij het niet laten om even in zijn vergeten strip te bladeren. Hij herinnerde zich het verhaal weer. Het ging over een jongen die op het strand aan het zwemmen was en toen in een onderwaterwereld terechtkwam waar hij tegen akelige monsters moest vechten. Vincent vond het een leuk verhaal.

Hij besloot zijn strip mee te nemen. Hij rolde hem op en schoof achter zijn spijkerbroek.

Doordat hij een T-shirt aan had kon niemand zien wat hij had meegenomen.

De trap naar de zolder stond aan het eind van een lange gang. Links en rechts hingen er een aantal oude schilderijen. Het was Vincent voorheen helemaal niet opgevallen dat die er hingen, misschien waren ze er pas neergehangen.

De gang was donker. Er kwam alleen een beetje licht binnen door een klein raampje met een bruin gordijntje ervoor. Vincents stappen deed de houten vloer kraken. Hij begon zich ongemakkelijk te voelen. Er hing iets in de lucht. Niet letterlijk. Het was een gevoel, het gevoel dat iets niet klopte. Vincents kon het niet helemaal begrijpen, maar er was iets met het huis.

Toen hij bij de houten trap die naar de zolder leidde aankwam, zag Vincent dat die helemaal onder het stof zat. In sommige hoeken zaten kleine, kapotte spinnenwebjes. Er kwam niemand meer op zolder dat stond vast: anders was het wel schoongemaakt.

Vincent had zich voorgesteld dat het luik op zolder dicht was, maar dat bleek helemaal niet zo te zijn. Het luik was helemaal open.

Nieuwsgierig en een beetje angstig liep hij naar boven.

Nu was hij boven en tuurde om zich heen.

Er was niets te zien. Het kleine raampje beneden op de gang gaf veel te weinig licht en het zolderraam zat dicht.

Een zaklantaarn zou hem op dit moment prima van pas komen. Maar die had hij natuurlijk niet bij zich.

Op de tast naar het zolderraam zoeken, dat leek de enige mogelijkheid.

Stap voor stap liep hij vooruit. Zijn armen wijd voor zich uit. De vloer kraakte. Met zijn handen verkende hij de omgeving. Het hout voelde droog aan. Vincent hoopte vurig dat hij geen splinter in zijn vingers zou krijgen, of dat hij de punt van de roestige spijker zou raken. Dat moest er nog eens bijkomen vandaag.

Langzaam begonnen Vincents ogen aan het donker te wennen. Vaag zag hij wat licht tussen het hout doorschijnen. Maar hij zag niets dat op een raam leek.

Plotseling voelde hij iets in zijn haar. Iets trok aan zijn haren. Telkens wilder.

Vincent schudde met zijn hoofd, maar het trekken ging door. Het begon te piepen. Het moest een vleermuis zijn. Een smerige bloedzuigende vleermuis, dacht Vincent.

Hij wilde wegrennen, terug naar beneden het was wel leuk geweest voor vandaag. Vincent maakte drie stappen naar voren en stootte zijn voorhoofd tegen een houten balk.

Het beest bleef aan zijn haren trekken. Radeloos, probeerde hij de vleermuis weg te slaan. Maar ook dat hielp niet. Blijkbaar hield hij zich stevig aan Vincents haren vast.

Wanhopig liep hij naar links en naar rechts. Het getrek bleef, het gepiep hield niet op.

Even dacht hij iets gezien te hebben. Twee gele puntjes. Was dat misschien het raam? Het gele licht kon geen zonlicht zijn, daarvoor was het net iets te donkergeel voor.

Wat was er toch met die twee lichtjes? Vincent het had gevoel dat het iets belangrijk was, maar hij begreep niet wat. Vincents hoofd deed ongelooflijke pijn. Zij haren werden bijna uit zijn hoofd getrokken en van de val op de schuur had hij ook de nodige pijn overgehouden.

Opeens gingen de twee gele puntjes omhoog. Ze leken Vincents iets te willen vertellen.

Het gekrijs van de vleermuis bleef aanhouden. Het raam, hij moest nu het raam vinden. Vleermuizen kunnen niet tegen het zonlicht. Dat wist hij van de vele griezelstrips die hij gelezen had. En die twee gele puntjes wilden hem helpen. Zo moest het zijn, dacht Vincent.

Hij holde richting de twee lichtjes. Het beest sleurde hij aan zijn haren mee. Op de tast voelde hij inderdaad een soort hendel. Hij trok eraan, maar er gebeurde niks. Een kwartslag naar links? Hard trekken...

Het felle zonlicht verwarde niet alleen de vleermuis maar ook Vincent die meteen zijn ogen sloot. De vleermuis liet los en fladderde weg. Naar buiten? Vincent wist het niet, maar het beest had hem in ieder geval losgelaten.

Even wreef hij in zijn ogen. Er druppelde zweet langs zijn voorhoofd. Vincent wreef het weg en merkte dat het bloed was. Het miezerige beest moest hem gekrabd hebben.

Hij draaide zich om. Daar zag hij op een doos, de zwarte kat. Dezelfde als voorheen op het dak van de schuur. In het donker gloeiden zijn ogen blijkbaar geel. De kat had hem ditmaal al dan niet gewild geholpen.

Het beest sprong van de doos op een tafel met een groot bruin laken erover. Er lag iets onder. Ooms geheim?

Het felle zonlicht dat de zolderkamer binnendrong kwam precies terecht op het bruine laken. Het laken was oud en versleten. Enkele motten hadden er kleine gaatjes in gemaakt.

Het zonlicht leek terug te worden gekaatst.

Vincent was er klaar voor. Hij geep het laken stevig beet. Stofdeeltjes dwarrelden ophoog. In een ruk trok hij het bruine laken weg.

Een fel licht scheen de zolderkamer in. Zo vel dat de zwarte kat er van schrok en meteen dook hij weg.

Het felle licht kwam van het voorwerp op tafel.

Vincent boog naar voren en keek.

Tot zijn verbazing zag hij een enorme spiegel op tafel liggen. De zonnestralen werden door de spiegel door de hele zolderkamer weerkaatst. De spiegel was kapot. Het bestond uit wel honderden scherven. Die nauwkeurig weer tegen elkaar gezet waren, alsof het een enorme legpuzzel was.

De zwarte kat verscheen van onder de tafel en keek Vincent weer nieuwsgierig aan.

Dus dit was?

Dit was Ooms geheim. Een kapotte spiegel. Viel dat even tegen?

Had hij zich daarvoor uitgesloofd?

Stilletjes had hij gehoopt dat oom Theo een verschrikkelijk geheim verborgen hield, iets spannends, iets opmerkelijks. Dat hij daarom zo mysterieus was verdwenen. Niet om een doodnormale spiegel.

Ik wou dat het iets spannends was, iets griezels, dacht Vincent hardop. Iets zoals wat de jongen in zijn strip mee had gemaakt. Met zeemonsters of piraten.

Het was alsof hij iets verkeerds gezegd had. De sfeer in de kamer werd spookachtig.

Het zonlicht dat door de spiegel weerkaatst werd, veranderde van kleur. Het werd oranjeachtig. De zon zou wel ondergaan. Dacht Vincent meteen. Maar het licht werd nu gelig. Vervolgens rood, groen, blauw. De zolderkamer leek wel een disco. Overal waren felle lichtje te zien.

Het kwam door de spiegel.

De spiegel...het leek wel...

Vincent kon zijn ogen niet geloven. In de spiegel stond een tekst. In het begin vaag, maar langzaam aan werd het helder.

Vincent las: Uw wens gaat in vervulling.

De zolderkamer begon te schudden. Het hout kraakte en piepte aan alle kanten.

De zwarte kat sprong in paniek in Vincents handen. Vincent kon nauwelijks zijn evenwicht bewaren. Het huis leek afwisselend naar links en naar rechts te schommelen.

Door nauwe gleuven van de houtenplanken, leek water omhoog te komen. Een enorme plas water vormde zich onder Vincents voeten.

De lucht proefde zoutig aan. Vincent werd heen en weer geslingerd en botste meerdere keren tegen een houten muur. Er klonken harde schoten. Het leken kanonschoten. Ze leken erg dichtbij.

De zolderkamer was verdwenen.

Vincent slingerde van links naar rechts in het ruim van een schip. Dat alleen verlicht werd door een olielamp die heen en weer slingerde.

Vandaar de zoute smaak die hij proefde. Het schip was midden op zee.

En had water gemaakt. De plas water was daarvan het bewijs.

De kat miauwde boos en paniekerig, alsof hij tegen Vincent wilde zeggen dat het zijn schuld was dat ze in ik-weet-niet-waar waren beland.

Het water was ondertussen met een verrassend snel omhoog gekomen. Hij moest maken dat hij wegkwam.

Met de kat tegen zijn borst geklemd, klom hij via een houten ladder naar boven.

Op het bovendek aangekomen. Zag hij dat het noodweer was. Het regende en er stond een harde wind. Zo hard dat de masten van het schip erdoor waren gescheurd. De lucht was pikzwart en werd af en toe belicht door een enorme bliksemstraal. Het waren geen kanonschoten geweest, het was het onweer.

De vlag op de top van het schip wapperde krachtig. Het was een zwarte vlag met een doodskop. Een piratenschip.

De bemanning had het schip allang verlaten. Het kon niet lang meer duren of het schip zou zinken.

Een geweldige bliksemstraal leek vlak voor Vincents neus neer te slaan. De zwarte kat schrok zich kapot en glipte uit Vincents handen en schoot het ruim weer in. "Nee", schreeuwde Vincent. Maar zijn stem stierf weg. Vincent was nu ziels alleen. Zeiknat zat hij op een verlaten piratenschip met een doodsbange kat.

Hoe moest van het schip afkomen? Hij moest een vluchtweg vinden. Misschien was er nog ergens en roeibootje achtergelaten. Vincent rekende er niet op, maar zocht wel het dek af.

Waar hij ook zocht, er was geen roeibootje te vinden.

De kat verscheen weer op het dek ook hij was kletsnat.

Kom hier, gebaarde Vincent maar, de kat bleef waar hij was.

Het schip leek nu duidelijk zinken. De punt van het voordek stond schuin omhoog.

Het achterdek zonk langzaam maar zeker in het zwarte ijskoude water.

Het hoogste punt was het voordek, daar moest Vincent heen. Tijd om in een van de masten te klimmen was er niet. Kom hier, wuifde hij Vincent de kat nogmaals toe...maar het hielp niks. Vincent wilde hem grijpen. Maar het beest was zo streek door het onweer, dat het nu ook niks meer met Vincent te maken wilde hebben. Haastig klom hij in de dichtstbijzijnde mast. Stommeling dacht Vincent, nu zit je nog dichterbij de bliksem.

Het hout op het achterdek kraakte. Eerst zacht en kort, maar het gekraak werd harder en langer. Tot Vincents schrik, zag hij hoe er een enorme scheur van achter het dek langzaam naar voren barste. Als lucifersstokjes braken de houtenplanken in vele kleine stukjes. Grote en kleine splinters vlogen alle kanten op. Het hout dat niet versplinterd werd, verdween geleidelijk in de donkere ijskoude golven. Vincent werd heen en weer geslingerd. Het leek alsof het schip door een reusachtig zeemonster werd opgeslokt. Als het een monster was geweest, zoals het monster van Loch-Ness dan kon hij zich in ieder geval kunnen verweren. Al wist Vincent heel goed dat hij tegen zo'n beest geen enkele kans maakte.

De scheur sperde zich open. Vincent rende er zo ver mogelijk van weg. Half struikelend bereikte hij het eind van het voordek. De scheur was nu een stuk verder van hem vandaan.

Het onweer leek nu nog heviger te zijn geworden. Het schip werd helemaal door elkaar te worden geschut. Hij moest zich ergens aan vastgrijpen, anders viel hij in het ijskoude water. Hij moest nu iets verzinnen, nu, anders was het te laat.

Zwemmen? In dat ijskoude water? Dat hield hij nooit lang vol.

Waar kon hij zich aan vastgrijpen?

Hevig schudde het schip. Daar, zag hij een touw bungelen. Met beide handen hield hij het stevig vast. Het schip schommelde hevig van links naar rechts. Vincent zag de kat ook niet meer zitten. Was het beest al verdronken. En stond het hem nu ook te wachten?

Bijna gleed hij uit over de het natte voordek.

Hij mocht niet loslaten. Anders was hij er geweest. Hij zou niet loslaten!

Maar het touw was te nat en langzaam gleed het uit Vincents handen. Het natte voordek leek wel een glijbaan. Voor hij het wist lag hij met zijn gezicht naar de donkere zee te staren. Het hevige golvende water maakte dat er zeer gevaarlijk uitzag.

Het schip schudde voor een laatste maal.

Vincent maakte een val enkele meters. Het leek uren te duren voordat hij het ijskoude water voelde.

Het water was als verwacht ijskoud. Het deed pijn aan Vincents borst.

Telkens als hij bovenwater kwam ging hij weer kop je onder. En op een gegeven ogenblik kwam hij niet meer omhoog, maar gleed hij in het duistere diepe water.

Met man en macht probeerde hij zijn adem binnen te houden. Hoe lang kon hij dit volhouden? Hij kneep ogen dicht. Zijn handen balde hij tot vuisten.

Hij voelde hoe zijn hart in zijn borst tekeer ging. Hij moest er tegen vechten. Hij mocht niet ademhalen.

Vincent opende zijn ogen maar zag niets in het donker.

Hij moest nu toegeven, hij moest een zuchtje lucht laten ontsnappen.

Zijn armen en benen werden gevoelloos. Maar Vincent voelde nog wel hoe een krachtige stroom hem meesleurde, dieper de zee in. De onderwater-tornado die alles naar zich toe zoog deed Vincent weer heen en weer schudden. Alsof hij dat vandaag nog niet genoeg had meegemaakt. Het laatste restje lucht ontsnapte uit zijn longen.

Nu kon hij zich niet meer inhouden, hij zou weer inademen. Hij opende zijn mond om een teug zuurstof binnen te krijgen. Hij wilde geen water binnen te krijgen. Maar toch...

Het ijskoude water stroomde zijn mond binnen. Het zou naar zijn longen stromen en hij zou verdrinken, was het niet dat hij geen water meer proefde. Juist op het moment dat hij wilde ademen belande hij op een harde droge zanderige bodem. Het water stroomde weg. Proestend en hoestend hapte hij naar lucht. Hij leefde nog steeds. Op zijn knieën hoestte en proestte hij al het zoute water uit zijn longen.

Het duurde enkele minuten voordat hij weer helder kon nadenken. Waar was hij nou weer beland? Het leek een soort onderwater-grot. Hij kon niet zien welke kleur de wanden hadden. Hij gokte donkerblauw. Het zand waarop hij zat schatte hij wit van kleur, maar zeker weten wist hij het niet. Daarvoor zag hij te weinig.

Niet ver van hem hoorde hij het water golven. Hetzelfde water waar hij net uit was ontsnapt. Hoe hij dat voor elkaar had gekregen was een raadsel, maar hij was dolblij dat hij leefde.

Zijn kleren waren zeiknat. Vincent rilde van de kou.

Hoe kwam hij nu in godsnaam thuis, vroeg hij zichzelf af.

Weer had hij het gevoel dat er niets niet klopte. Er was iets niet pluis in deze grot.

Er scheen opeens licht in de grot. Waar kwam dat vandaan? Toch niet van een één of ander 3 koppige vuurspugend monster die Vincent weer de stuipen op het lijf ging jagen?

Tot zijn schrik zag hij een schaduw over het witte zand glijden. Er liep iemand naar hem toe.

Wat nu weer...wie was deze persoon...

"Hoi, Vincent".

Die stem, die kende hij...zijn nichtje?

  • "Diana"

"In een keer goed", zei ze vrolijk.

  • "Maar hoe...ik bedoel...wat doe jij hier?...hoe kom jij hier?...hoe gaat het?

"Dat zijn 3 vragen in één keer".

Diana omhelsde hem.

Je bent zeiknat, zei ze

  • Ja, nou ik ben nog blij dat ik leef.

"We moeten je eerst droog zien te krijgen", deelde ze mee.

"Kom".

Ze liepen richting de ruimte waar het licht vandaan kwam.

"Hoe ben je hier terechtgekomen, Diana", vroeg Vincent.

"Zo meteen vertel ik het je, heb geduld".

Het licht in de grot werd helderblauw. Tot Vincents stomme verbazing zag hij een soort tempel voor zich. Het zag er werkelijk prachtig uit. Het schitterde aan alle kanten.

"Wow", stamelde hij uit.

"Waar zijn wij in hemelsnaam beland?"

Diana, snauwde: "Let niet op het uiterlijk, vaak is uiterlijk schijn."

  • "Waar haal jij die wijze praat vandaan", grapte Vincent.
  • "Dit is echt schitterend."

Ze liepen de tempel binnen. De hal werd ook hier verlicht door een helderblauw licht.

"Het komt uit de tempel"

  • "wat?"

"Het licht"

"Het komt uit de tempel zelf. Er zijn geen lampen of zo."

"Het gaat vanzelf. Kijk maar je kleren zijn al opgedroogd."

Vincent viel van de ene verbazing in de andere.

Uiteindelijk kwamen ze in een grote zaal terecht.

Ze gingen op de grond zitten en Vincent keek onderzoekend om zich heen.

Links en rechts stonden standbeelden waarin allerlei verschillende mensen werden uitgebeeld. De muren waren ook hier blauw en aan de verste kant van de hal waren 3 gangen zichtbaar.

"Wow", zei, Vincent weer.

"Vincent", luister, zei Diana ditmaal op een ernstige toon.

"Wil je weten waarom ik hier zit?"

  • "Graag, dolgraag."

"Je hebt de spiegel gezien."

Vincent knikte.

"Het was kapot niet waar? Die spiegel kocht mijn vader twee jaar geleden bij een antiek handelaar. De spiegel was afkomstig uit een Oude Egyptische tempel. De spiegel was eigendom van een farao. Misschien weet je uit geschiedenislessen dat farao's allerlei spullen meekregen in hun graf."

Vincent herinnerde zich wel zoiets.

"Nou die spiegel werd door onderzoekers uit het graf gehaald en verkocht. Mijn vader betaalde daar een fors bedrag voor. Maar hij liet de spiegel vallen, het viel in honderd stukjes en hij heeft alle stukjes weer bij elkaar gezet. Toen gebeurde er net zoiets als bij jou. Hij deed een wens."

  • "Ok, ik snap het." Maar wat had hij gewenst?"

"Nou", zei Diana, "het meest stomme dat je maar kan wensen."

  • "En dat is", vroeg hij verder.

"Geld. En dat kreeg hij. Want de spiegel laat elke wens in vervulling gaan."

"Waar is hij nu dan", vroeg Vincent.

"Waar ben jij terechtgekomen nadat je wens was vervuld."

  • "Hier!?" Vroeg Vincent onzeker.

"Inderdaad", antwoordde Diana, "hier".

  • "Ik zie je oom niet". Zei Vincent verbaasd.

Diana wees, "daar".

Vincent schrok, Diana wees naar een standbeeld. Het was zijn oom. Helemaal van steen.

Daar stond hij. Hij keek verbaasd. Zijn mond stond open en keek naar omhoog.

"Maar hoe kan dat...?" "En wat doe jij hier? Ik wil hier weg."

Het Vincent te veel. Hij wilde opstaan en wegrennen.

Maar Diana hield hem vast.

"Luister, als je het hele verhaal hoort, kun je misschien alsnog naar huis."

Vincent ging weer zitten en spitste zijn oren, ga door...

"Hoe kwam ik hier allemaal achter? Op het moment dat mijn vader zijn wens had uitgesproken, zag ik een fel licht in het huis.

Later kwam ik erachter dat dat licht uit de spiegel kwam. Dus toen ik al mijn moed bij elkaar had gespaard liep op zolder en vond de spiegel. Maar ik begreep helemaal niet wat dat met mijn vader te maken had. In zei iets te hard ik dat ik wilde weten wat er met mijn vader was gebeurd. En toen belande ik hier en werd het me duidelijk."

  • "Dus je bent hier naar toe gegaan om erachter te komen wat er met jou vader was gebeurd."

Diana knikte.

  • "En hij is nu in een standbeeld veranderd. Waarom ben jij dan nog in leven, waarom leef ik nog?"

"Ik was nog niet klaar met vertellen.

Mijn vader kreeg spijt van zijn wens. Hij had dan wel een heleboel goud en sieraden, maar hij kon er verder niks mee omdat elke wens hier in deze wereld wordt vervuld.

Deze vreemde mysterieuze wereld. Hij wilde dus terug naar de werkelijkheid, de echte wereld. En dat kan...."

Diana wees naar de 3 gangen. "Hij koos een gang....en koos de verkeerde...toen veranderde hij in steen."

"Hij en alle andere mensen die je hier als standbeeld ziet."

Het was even stil.

  • "Dus....als ik het goed begrepen heb, moet ik een gang kiezen en dan ben ik thuis.

Of ik word een standbeeld..."

"Of je hebt geluk, of je hebt pech, "zei Diana.

  • "Waarom heb jij de tempel niet verlaten? Vroeg Vincent. Durf je niet....ben je bang in een standbeeld te vernaderen?"

"Ik durfde wel, ik ben door een gang gegaan. De eerste van rechts.

  • "Maar je zit nog hier...dus daarmee kun je niet terug."

"Echt wel, ik was vandaag nog bij mijn tante."

  • "Ga toch weg, Diana"

"Het is echt zo. Je hebt me zelfs gezien."

  • "Wat?" Vincent begreep er niets van.

"Als je hier wegkomt, mag je nooit met iemand over deze plek praten, ook niet over de spiegel. "

"Ik hou mijn mond wel."

"Zo werkt het niet. Je krijgt niet de kans om hierover te praten. Zie mijn vader, hij vernaderde in een standbeeld."

"En wat gebeurde er met jou?"

"Je hebt me gezien vandaag...."

  • "He...?"

Diana lachte en zei: "Miauw."

"De kat, jij was de kat? "

"De poes, beter gezegd, ik ben een vrouwtje."

"Waarom ben jij een poes?"

"Ik heb je al gezegd je krijgt niet de kans hier met iemand over te praten. Dus werd ik een poes."

"En als ik de rechtergang kies wordt ik ook een poes?"

"Vast niet."

"Ik hou van poezen, het leek mij altijd erg interessant om zo'n beest te zijn."

  • "Dan ben ik liever een wolf of zoiets."

"Dan moet je die gang niet nemen, dan wordt je thuis afgeschoten. Iedereen is bang voor wolven."

  • "Dus ik kan naar huis door één van de gangen. "

"Yes, één daarvan zorgt ervoor dat je als dier terugkomt een andere gang zorgt ervoor dat je een standbeeld wordt.

" En er dus nog één andere mogelijkheid, maar wat die mogelijkheid is weet ik echt niet".

Vincent stond op en liep richting de drie gangen.

Diana volgde hem.

Drie even grote ingangen, naast elkaar. Ze waren donker, er was niet te zien.

"Probeer niet vals te spelen door bij eentje naar binnen te lopen en daarna snel terug te rennen. Voor je het weet ben je een standbeeld," lachte Diana.

Haha, erg grappig vond Vincent het niet. Welke moest hij kiezen. De meest rechtse was een mogelijkheid, maar dan vernader je misschien in een vlieg...geen goed idee dus.

De middelste kon er voor zorgen dat je een standbeeld werd, maar dat kon net zo goed de meest linkse zijn.

Pfffff....

"Volg je gevoel, zei Diana, het is de enige mogelijkheid."

Vincent dacht even na... Uiteindelijk zei hij:

"Ik zie hopelijk aan de andere kant...in de werkelijkheid." Ze gaven elkaar een knuffel en Vincent liep langzaam door de middelste gang.

"Vincent, hoe voel je je?

Het was zijn moeders stem,

"Gaat het."

Hij opende zijn ogen.

De felle zon scheen recht in zijn gezicht. Hij lag plat op het dak van de schuur.

Zijn moeder streelde door zijn haar.

"We waren erg ongerust. Je was buiten westen. Je bent op de schuur geklommen en daarna ben je op je hoofdgevallen. Je bent wel flauwgevallen, wel een half uur lang. We hebben je niet verplaatst, want dat leek ons geen goed idee, misschien heb je iets gebroken, gaat het?" "We waren zo bang. We hebben de huisarts gebeld, hij komt er zo aan. We waren bang dat je nooit meer wakker zou worden ...oooh, we vreesden het ergste..."

  • "Ik, ik," stamelde Vincent, hij had een droge mond. "Ik heb volgens mij naar gedroomd..ik..weet het eigenlijk niet meer." "Het was iets..griezeligs....iets...met...

Op zijn gezicht viel een schaduw.

"Wat doet die kat hier?" Vroeg zijn moeder. Het beest likte aan Vincents voorhoofd, het kietelde. Even keek hij het beest in de ogen. Het leek alsof het beest hem een knipoog gaf. Opeens zei Vincent: "het is geen kat, moeder, het is.... een poes."

 

 

 

 

17/03/2013 15:09

Reacties (0) 

Voordat je kunt reagearen moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.