Liefde in tijden van eenzaamheid

Door Bndicte gepubliceerd op Thursday 11 April 00:19

Een boek geschreven door psychoanalyticus Paul Verhaeghe in samenwerking met Erwin Mortier. Drie verhandelingen over de seksuele verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Hij gaat na over wat mensen zowel beweegt als verlamt op het gebied van liefde en erotiek. En de verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke seksuele fantasieën.

1. Inleiding

a) Tot welke conclusie kwamen de seksuologen Masters en Johnsons m.b.t. de verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke seksualiteitsbeleving?
Ze ontdekten dat , hoewel man en vrouw vergelijkbaar zijn in hun fysiologisch-seksuele responsen, er toch twee belangrijke verschilpunten blijven.

Ten eerste, de vrouw is potentieel multi-orgastisch en kan meerdere keren klaarkomen tijdens een vrijpartij. De man daarentegen ledigt zich in één ejaculatoir orgasme.

Ten tweede, de curve van de seksuele respons-cyclus, die bij alle mannen ongeveer gelijk is (opwinding, ejaculatie, tijdelijke impotentie), vertoont bij de vrouw nogal wat variaties.

Anders gezegd:
Mannen zijn eentonige, vervelende wezens, vrouwen niet!


b)“De wetenschap vervangt de religie als regulator van seks maar leidt tot een even dwingend normerend systeem.
Elk volk bezit een eigen traditie, verweven met geloof en geschiedenis, en het is die traditie die bepaalt hoe het koppel eruitziet.
Vanuit die vaststelling is een volgende stap snel gezet.
Binnen onze cultuur liggen geloof en traditie aan scherven, zodat de regulering die gisteren nog door hen bepaald werd, vandaag zoek is.
Voor de generatie van onze overgrootouders waren de wegen zeer duidelijk uitgetekend: het monogame huwelijk, ‘tot de dood ons scheidt’. Pastoor, dokter en schoolmeester verkondigden dezelfde boodschap, twijfel was er niet.
Binnen de aldus eng afgebakende grenzen moest elk koppel het maar zien te rooien.

Het zijn die grenzen die opgeheven werden in de tweede helft van de twintigste eeuw. Vrijheid was de boodschap. Vrijheid moest leiden tot een nieuwe, verlichte verhouding tussen man en vrouw, waarvan de invulling verwacht werd van de wetenschap als nieuwe zingever.
De wetenschap had de rol overgenomen van de vroegere zingevers, religie en ideologie, de man in het zwart moest plaats ruimen voor die met zijn witte jas.
De verwachtingen waren aanvankelijk zeer hoog gespannen, maar de antwoorden bleven uit, en

vandaag worden de berichten uit de laboratoriumhoek hoe langer hoe minder overtuigend. Het resultaat is dat de huidige koppels wanhopig op zoek zijn naar een nieuwe zingever die hen voorschrijft hoe ze horen te beminnen.

Deze zoektocht zorgt voor de nodige karikaturale toestanden, waarbij het vooral opvalt dat de bevrijdende, verlichte wetenschap evenzeer voor dwingende invullingen kan zorgen als de religie van weleer. Dit gebeurt telkens op dezelfde manier: onderzoeksresultaten gaan functioneren als verplichte normen.

Hetzelfde gebeurt overigens in naam van de serieuze wetenschap. Het beste voorbeeld in dit verband zijn Masters en Johnson, die, vanuit correct wetenschappelijk onderzoek, eveneens aanleiding gegeven hebben tot ‘voorschrijf’-gedrag, waarbij hun ontdekkingen normen werden waaraan het seksueel gedrag moest voldoen.

Het voorschrijf-gedrag begint waar die ontdekkingen gekoppeld worden aan een vreemde uitwas van de emancipatiebeweging. De feministische eis naar gelijkberechtiging werd in een aantal gevallen vertaald als een eis naar gelijkheid, gelijkheid tussen man en vrouw.

Binnen de kortste keren kreeg de vrouw daardoor het mannelijk vrijpatroon opgedrongen, met als centraal element het orgastisch ‘scoren’. Daarbovenop kreeg ze, in naam van de wetenschap, het multi-orgastisch model opgedrongen, dat waar elke man van droomt. Wat kan, dat moet.
Op de koop toe moesten de orgasmes van man en vrouw tijdens de flowerpowerperiode bij voorkeur gelijktijdig plaatsgrijpen, met als resultaat dat het uiteindelijk neerkwam op een man die wanhopig probeerde niet klaar te komen, terwijl de vrouw van haar kant even wanhopig probeerde wel klaar te komen.
Dat de vrouw een heel andere houding heeft tegenover het klaarkomen dan de man, had men ondertussen volledig uit het oog verloren.

De aanvankelijke euforie over ‘het’ wetenschappelijk antwoord is nu, op het einde van dit millennium, weggeëbd, en in plaats daarvan heerst onzekerheid. De roep om nieuwe waarden en zekerheid klinkt hoe langer hoe harder, en die waarden en zekerheid zullen er straks ook wel komen.


2. De techno-minnaar

a) Hoe interpreteerde men in de jaren zestig de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke seksualiteit?
Seksualiteit en erotiek zijn een natuurlijk spel tussen man en vrouw, meer niet, opvoeding en cultuur moesten ophouden met belemmeringen te installeren.
Kinderen die in vrijheid opgroeien, zouden spontaan tot lustbeleving komen, en hun volwassen seksualiteit met dezelfde vrijheid tot ontplooiing kunnen brengen.
Ze zouden erotiek als spel ontwikkelen, verfijnen tot een kunst, in tegenstelling tot de verkrampte laatavond-seks van hun ouders.
Zo beschouwd lijkt seks wel een zaak van techniek te zijn.

Vandaag is de doorsnee man opgeleid tot een techno-minnaar, via allerlei videovoorlichting, pc-toepassingen en wat nog meer.
In het geval van een eventuele lichamelijke ondermaatsheid zijn er ondertussen meer dan voldoende technische hulpmiddelen voorhanden.

Als de moderne man zijn braaf aangeleerde kunstjes in de praktijk probeert te brengen dan krijgt hij vaak genoeg nul op het rekest. Nu hij het kan, hoeft het niet meer.
De vrouw verlangt iets wat ze niet wil.

Als ze deze technieken onder de knie hadden: Vind de juiste plekjes, streel op de juiste manier werd verondersteld dat de ‘arousal’ automatisch ging volgen.

Bij vrouwen is het verlangen zonder die erogene zones van nul en generlei waarde. Meer nog, ontdaan van elk verlangen worden ze een bron van walging. En als het verlangen er wel is, wordt álles erogeen.


b) Wat was het gevolg van deze visie?
Seksualiteit en erotiek waren geen natuurlijk spel meer tussen man en vrouw.

Als de moderne man zijn braaf aangeleerde kunstjes in de praktijk probeert te brengen – het destijds zo aangeprezen ‘voorspel’ – dan krijgt hij vaak genoeg nul op het rekest.
Nu hij het kon hoeft het niet meer.
De vrouw verlangt iets wat ze niet wil.

Er is meer in het spel dan alleen maar techniek. De reductie tot het technische was een typisch mannelijk product van de bevrijdingsseksuologie, waarbij seks gereduceerd werd tot een behoefte die zich afspeelde tussen navel en knieschijf: van arousal tot orgasm.
Bovendien werd dit binnen de kortste keren tot een prestatiemodel omgebouwd met ‘scoren’ als het belangrijkste doel. Het is uit diezelfde periode dat de mythe van de erogene zones stamt.

Horden mannen gingen op zoek naar de fameuze g-plek en er werden zelfs heuse bijscholingen georganiseerd.
Dit zogenaamde tweefasemodel werd uitgebreid met de allernoodzakelijkste derde, het verlangen.

De reductie tot het ‘handige Harry’ – aspect drukt in eerste instantie de mannelijke aanpak uit.
Daar voorbij ontmoeten we wat die techniek vormgeeft: de achterliggende, sturende gedachten, de invulling bij de man van wat hij denkt dat de vrouw verlangt en vice versa.
Anders gezegd: de achterliggende fantasie, als vormgeving van dat verlangen.


3. Vormgevende fantasieën

a) Leg uit: “Dat de een het fantasma is van de ander ligt aan de basis van elke paarvorming tussen man en vrouw”.
De travesties incarneert het supervrouwelijke, of beter: het supervrouwelijke vanuit het standpunt van de mannelijke fantasie.
Er zijn maar weinig vrouwen die zo ‘vrouwelijk’ zijn als de travestiet.
Naar analogie daarvan kan gesteld worden dat een vrouw-vrouwverhouding voor de vrouw meestal ook stukken bevredigender is, bovendien zonder dat de travestie daarbij nodig is.

Het succes van dergelijke relaties heeft niks te maken met het feit dat een partner van hetzelfde geslacht een meer aangepaste techniek zou hanteren.
Het succes heeft vooral te maken met het feit dat binnen dergelijke relaties de kans op overeenkomst tussen de respectieve fantasieën veel groter is.

De mannelijke travesties die een vrouw speelt/incarneert, doet dit vanuit zijn mannelijke fantasie over hoe een ideale vrouw eruitziet, ideaal dus voor een andere man. Daarbij ligt het accent op het lichamelijke.

Langs de kans van de vrouwen liggen de zaken gecompliceerder. De vrouw die een andere vrouw verleidt, incarneert niet of nauwelijks de ideale man, maar veeleer iets voorbij het uiterlijk zichtbare, iets van de orde van de ideale relatie: de ideale liefde.

Dit onderscheidt komt nog veel sterker tot uiting binnen homoseksuele paren, waar bij de mannelijke partners het ‘scoring’ centraal staat en bij het vrouwelijke koppel het ‘nesting’.

Elk van ons benadert de ander vanuit zijn eigen fantasie, ziet in die ander in de eerste plaats niet veel meer dan de vormgeving van deze fantasie. Paarvorming is de ontmoeting tussen twee op het eerste gezicht aan elkaar beantwoordende fantasieën, maar de overeenkomst is slechts zelden perfect.

Hoe dan ook, de één is het fantasma van de ander, en de twee zijn niet op elkaar afgestemd. Voor de man is het fallisch-coïtale het doel op zich.
Voor de vrouw is dit fallisch-coïtale eerder van de orde van het middel, middel om een ander doel te bereiken, met name het installeren of onderhouden van de relatie.

Vandaar de bekende klacht van de man: eens de liefdesverhouding min of meer vaste vormen aangenomen heeft, heeft de vrouw weinig of geen zin meer in seks. Komt de verhouding om de een of andere reden in het gedrag, dan neemt haar zin plots weer toe.


b) Het verband tussen erotiek en fantasie
Fantasie, dit wil zeggen de voorstelling, het in scène brengen, het uitgebreid uitspinnen van een verhaal, is zonder twijfel een van de meest essentiële bestanddelen van erotiek. Daarzonder vervalt erotiek tot het animale niveau, is het zelfs geen erotiek meer.
Met het fantaseren wordt het menselijk. Dit fantaseren valt bovendien niet te beperken tot het individuele dagdromen, het vormt ook de basis van elke vorm van kunst.

Zoals Freud schreef: De kunstenaar slaagt erin zijn eigen fantasieën dusdanig vorm te geven dat anderen er kunnen van meegenieten – maar met de uiteindelijke bedoeling dat hij/zij daardoor macht en erotiek verwerft.


c) Hoe wordt de typische gerichtheid van het mannelijke fantasma enerzijds en van het vrouwelijke fantasma anderzijds door de auteur omschreven?
Fetisjisme bij de man en erotomanie bij de vrouw. Fetisjisme betekent dat het libido van de man verhoogd wordt door wat op het eerste gezicht slechts accessoires zijn, met lingerie, laarzen en hoge hakken als meest bekende, met dien verstande dat élk object als fetisj kan dienen. Bij nader toezien leveren deze bijkomstigheden vooral een maat op voor de angst van de man voor dat ‘andere’ dat de vrouw is, en waarvoor de fetisj als bliksemafleider functioneert.

Erotomanie betekent dat een vrouw door dik en dun verliefd is en blijft op een onbereikbare man, van wie ze dezelfde verliefdheid verhoopt, en er zelfs zeker van is. Niets blijkt in staat te zijn haar deze overtuiging te ontnemen, zodat de betrokkene vaak genoeg een beroep moet doen op politie en gerecht.

Fetisjisme is zo wijdverbreid bij de man dat het veeleer als vorm van normaliteit beschouwd kan worden en een vrouw gaat zeer ver om een relatie in stand te houden.


d) Hoe verhouden de mannelijke en vrouwelijke fantasmen zich tegenover elkaar?
Wat de man betreft, is die vormgeving snel gevonden: de pornografie, als typisch mannelijk product. De vrouw die daarin ten tonele gevoerd wordt, is steeds dezelfde. Het is de kortgerokte, ruimbeboezemde (silicone!) secretaresse/verpleegster/.. die haar directeur/dokter/… binnen de kortste keren verleidt. Ze is niet alleen uitdagend verlangend, ze is bovendien onmiddellijk seksueel beschikbaar. Meer nog, ze verlangt maar 1 ding, en liefst zo vaak en zo lang mogelijk.

Anders gezegd: Ze is de perfecte projectie van hemzelf.
Mannelijke seks is visueel en genitaal-fallisch gericht, met een duidelijk eindpunt, het orgasme. Daarna: inpakken en wegwezen.

Wat de vrouw betreft, valt die vormgeving op het eerste gezicht niet zo vlot te vinden. Vrouwelijke visuele pornografie, als tegenhangen van de mannelijke, bestaat nauwelijks en is hoogstens een randverschijnsel van een bepaalde vorm van feminisme.

Naast de mannelijke porno hebben we de boekjes voor de vrouw. De literaire erotische verhalen ‘door vrouwen, voor vrouwen’ .
De daarin geproduceerde verhalen zijn even stereotiep als de mannelijke tegenhangers, zij het met volledig andere accenten.
Een vrouw, die net een ongelukkige liefde achter de rug heeft, gaat als au pair werken bij een filmregisseur (dokter, directeur,..) wiens vrouw zopas gestorven is; zij neemt de zorg over voor de 2 kleine kinderen; ondanks een aanvankelijke antipathie wordt ze verliefd op hem, maar helaas is hij verliefd op een actrice die hem eigenlijk alleen maar gebruikt voor haar carrière; na veel misverstanden ontdekken ze dat ze van elkaar houden, enz.

De daarin aan bod komende vrouwelijke erotiek is nauwelijks visueel, nooit genitaal gefocaliseerd en zonder duidelijk eindpunt, durend in een tijdloos interval. De man die daarbinnen uitgetekend wordt, de kern van haar fantasie, is steeds een bijzondere man door zijn positie. Doorheen de verschillende variaties waarmee hij in de liefdesroman ten tonele wordt gevoerd, blijven een aantal dingen constant. Hij is niet gebonden door een actuele liefde, hij is veeleer teruggetrokken, hij moet als het ware veroverd worden. Meestal snapt hij eerst niet dat zij, de andere hoofdfiguur, de ware is voor hem, maar zodra hij verliefd wordt op haar, wil hij alles doen om die liefde voor eeuwig te laten duren; dat levert steeds de nodige moeilijkheden op, en daar gaat het boekje dan precies over.

Voor zover seks er al aan te pas komt, is dit veeleer een onderdeel van, nooit het hoofddoel.

Een dergelijke man is de perfectie projectie van wat de vrouw zelf verlangt, net zoals daarstraks de geile, seksbeluste vrouw de perfecte projectie was van de verlangens van de man. Bijgevolg zijn de wederzijdse fantasieën niet inruilbaar.


4. Zichzelf vervullende profeties

a) Tot welk scenario leidt het verschil in vrouwelijke en mannelijke fantasmen als deze het karakter krijgen van “zichzelf voorspellende profeties”?
De man drukt zijn verlangen voornamelijk uit in coïtaal gerichte seksualiteit, de vrouw doet dit heel wat minder en heeft andere, meer gevarieerde uitdrukkingsvormen. Het gevolg van dit verschil is dat een en ander een sneeuwbaleffect krijgt en zich ontpopt tot een ‘self-fulfilling prophecy’.

Immers, het naakte feit dat de gemiddelde man voortdurend fallisch paraat staat, oefent op zich een fnuikende invloed uit op het verlangen van de gemiddelde vrouw.

Wegens die steeds aanwezige mannelijke druk wordt het vrouwelijke ‘Ja, ik verlang (ook)’ nauwelijks door de man gehoord, soms zelfs nauwelijks nog door haarzelf.
Gevolg daarvan is in steeds toenemende mate dat de man zijn gerief buitenshuis gaat zoeken bij een andere partner, en uit hoofde van de zaak zelf zal deze andere partner sowieso óók op zoek zijn naar een nieuwe relatie.
Dit betekent dat erotiek bij haar op dat ogenblik zeer centraal staat, zij het als middel ter verwerving van een nieuwe band. Gecombineerd met het feit dat ze op dat ogenblik een nieuwe man ontmoet die, aangezien het de eerste keer is, niet zo hard van stapel loopt en haar dus de kans biedt zélf aan bod te komen en zélf te verlangen, wordt dit gegarandeerd een succes.
Gevolg daarvan is dan weer dat de man aldus in de overtuiging verkeert een vrouw gevonden te hebben, die net zoals hij, wél fallisch-coïtale erotiek verlangt, wat hem dan overtuigt van het feit dat zijn vrouw thuis maar aan de frigide kant is.
Ondertussen zit de kans er dik in dat die zogenaamd frigide echtgenote thuis allang niet meer thuis zit, maar in een of ander exotisch restaurantje waar ze zélf een nieuwe genotsvolle relatie aan het opbouwen is met een nieuwe partner die zíjn frigide vrouw thuis beu is en precies daarom…

De tragische variante is de versie waarbij de bedrogen echtgenote braaf thuis blijft en uiteindelijk de ontrouw ontdekt.
Op dat ogenblik is het helemaal geen uitzondering dat de man als reden voor zijn escapade háár frigiditeit inroept met als ultiem bewijs dat die andere vrouw wél naar hem verlangt, dat de brave echtgenote dit bovendien gelooft en zichzelf voelt tekortschieten als vrouw.


b) Leg uit: “De damesbladen brengen uiteindelijk een dubbelzinnige feministische boodschap.
Ongeveer elk damestijdschrift brengt in elk nummer minstens 1 artikel over de perfecte erotische lustbeleving van de ‘moderne vrouw’.
Zo moet zij zich wel ouderwets en abnormaal voelen, uitgestoten uit een zusterschap dat blijkbaar niet het hare is.

Deze omgekeerde vorm van emancipatie – de vrouw moet gelijk zijn aan de man, d.w.z. hem overtreffen op alle vlakken, dus ook op het vlak van de fallisch-orgastische competitie – brengt uiteindelijk een nieuwe vorm van vrouwelijke onderdrukking mee: de vrouw is slechts acceptabel als ze zich verhult in mannenkleren, zodat ze er uiteindelijk de karikatuur van wordt. Voor de invulling van het vrouwelijk verlangen is er geen plaats.


5. En de biologie?

a)  Hoe worden vanuit een neo-darwinistisch model verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke seksualiteitsbeleving geduid?
Man en vrouw verlangen volledig verschillende dingen, ze vertrekken vanuit een andere fantasie, een andere “love map”.

Het resultaat is dat het voor de vrouw steeds meer een karwei wordt en steeds minder een plezier, met de bekende gevolgen.

Polygamie ligt eerder in de lijn van de menselijke natuur dan monogamie.
Die veronderstelde polygame natuur van de mens kan slechts lukken voor zover die natuur kan terugvallen op een ondersteunende cultuur van bij voorkeur een paar millennia oud, waarbij de oudere vrouw een andere, maar minstens even exclusieve plaats krijgt als de jongere. Traditioneel krijgt zij een positie toegewezen van macht en wijsheid, terwijl de jongere het moet stellen met het (kraam)bed. In het geval waarin polygamie niet ondersteund wordt door een culturele traditie, is ze gegarandeerd bron van ellende. Wat op zich voldoende is, om het overwicht van de cultuur op de natuur te bewijzen.

De continu productie van mannelijke zaadcellen doet de man voortdurend zijn pik achternahollen, terwijl de vrouw met slechts 1 eisprong per maand heel wat minder vaak in beweging te krijgen is, enz.

Vanuit dit neodarwinisme willen heel wat wetenschappers ons overtuigen van het feit dat ook wij slechts blinde voortplantingsmachines zijn voor wie slechts 1 doel telt: nakomelingen produceren.
Naar de limiet toe wordt dit ‘wij’ zelfs dubieus, want binnen dezelfde wetenschap wordt al snel duidelijk dat het de genen zijn die dit ‘willen’.


b) Welke conclusies worden vanuit deze visie getrokken m.b.t. promiscuïteit en monogamie?
Mannen zijn natuurlijk promiscu – en dit ‘natuurlijk’ dient letterlijk opgevat te worden – want hoe meer vrouwen zij bevruchten, hoe meer kans dat hun genen verspreid raken. Vrouwen zijn natuurlijk meer gericht op monogamie; immers, in vergelijking met de onbeperkte mannelijke zaadproductie kunnen zij slechts een zeer beperkt aantal nakomelingen produceren, dus kiezen ze a) voor de hoogst bereikbare man die b) bereid is mee te helpen met het grootbrengen van de gemeenschappelijke genenproductie.

Om het nog duidelijker te stellen: vanuit neodarwiniaans standpunt investeert de man in kwantiteit, de vrouw in kwaliteit..


6. Scènes uit een huwelijksleven

a) Wat is voor de auteur het doorslaggevend argument tegen het neodarwinisme en welke rol speelt cultuur daarin?
Het reductionisme: Wij zijn inderdaad een genenverzameling. We zijn vermoedelijk de enige genenverzameling die – hoe beperkt dan ook – een stuk keuze bezit. En die keuze kan ingaan tegen datgene wat er in het oorspronkelijke biologische programma neergeschreven staat, omdat er ondertussen een andere software een serieuze rol is beginnen spelen. Een software genaamd cultuur, als wat vanuit de natuur ontstaan is, maar ondertussen die natuur overstijgt.

Dit keuzeveld is bedreigend. Elk van ons is meestal bereid om het zo snel mogelijk uit handen te geven, hetzij aan god, hetzij aan de wetenschap, hetzij aan de reclame. Het is zonder de minste twijfel juist dat wij biologisch gedreven organismen, in wier genen de roep van millennia opnieuw doorklinkt.

Wij kunnen beslissen wat we met die genen doen, en dat we dienovereenkomstig ook de verantwoordelijkheid voor die beslissing en de gevolgen ervan voor onze rekening moeten nemen.

Cultuur is precies een collectieve beslissing, waarbinnen een regulering aangeboden/opgelegd wordt. Bovendien probeert elke generatie daaraan te sleutelen, en uiteindelijk kan elk individu, als hij/zij bereid is er de prijs voor te betalen, afwijkend van de cultuur. De minimale prijs voor de vrijheid is steeds dezelfde eenzaamheid.


7. Het verdeelde verlangen

a) Wat bedoelt de auteur precies met het “verdeelde verlangen”.
Wat gebeurt er als de normale d.w.z. op onmiddellijke seks beluste man zijn vrouwelijke heruitgave tegen het lijf loopt, een vrouw die ook altijd en overal meteen in bed wil duiken? De kans zit er dik in dat die man het vrij snel laat afweten, ja, zelfs op de vlucht slaat, met de in dit geval niet-spreekwoordelijke staart tussen de benen.

De schijnbaar biologisch vastliggende rollen worden omgedraaid. En dan is het helemaal geen zeldzaamheid dat die man klaagt dat hij zich gebruikt voelt, zelfs misbruikt, gereduceerd tot een object, een vibrator.
Anders gezegd: Hij produceert precies die klacht die als typisch vrouwelijk werd beschouwd.

De schrik van de mannen voor het vrouwelijk verlangen en genieten is zo groot dat ze er zelfs een wetenschappelijke term voor hebben bedacht: ‘nymfomanie’.

De omgekeerde proef, bij de zogenaamd niet of nauwelijks naar erotiek verlangende vrouw.
Wat gebeurt er als die vastgeklonken is aan een man die bij voorkeur platonische discussies houdt over het nut van rietvelden bij het ecologisch reinigen van afvalwater?
Ofwel sleurt ze hem dat rietveld in, ofwel neemt ze een minnaar.


b) Welke gelijkenis, niettegenstaande verschillen in seksuele fantasmen, formuleert de auteur in de mannelijke en vrouwelijke seksualiteitsbeleving?
De interne verdeeldheid is niet direct zichtbaar, omdat de mens er meestal in slaagt die naar buiten te brengen.
Ik leg mijn verdeeldheid bij de ander, en klaag er dan over.

Op wie wordt de man verliefd? Op de vrouw die hem weigert, die hem aan het lijntje houdt,..
Op wie wordt de vrouw verliefd? Op de onbereikbare man, van wie ze alleen maar kan dromen,..
We hebben hier met onze ‘proef uit het ongerijmde’, reeds voorspeld wat er gebeurt in het omgekeerde geval. Daar treedt de interne verdeeldheid ten volle naar voor, en slaat het subject tilt.

Dit is een vreemde vaststelling: op het ogenblik dat iemand verlangd, begeerd wordt door een ander, zit de kans er dik in dat hij/zij op de vlucht slaat. Dat is vreemd omdat iedereen toch verlangd wil worden, het is precies daarover dat er steeds geklaagd wordt.
Nadere overweging toont dat dit voornamelijk het geval is waar dit verlangen ons reduceert tot het passief object van het verlangen van die ander.

Deze reductie is om de een of andere reden bedreigend zowel voor de man als voor de vrouw.
Dit betekent dat er, voorbij die geëvoceerde verschillen tussen man en vrouw inzake fantasie, toch ook een fundamentele overeenkomst is: beiden verlangen verlangd te worden, maar terzelfder tijd is het voor beiden ondraaglijk gereduceerd te worden tot het passief object van het verlangen van de ander.

Het verschil tussen de mannelijke en de vrouwelijke fantasieën is dus niet voldoende om de onvrede tussen man en vrouw te verklaren.


c) Hoe vertaalt Freud die innerlijke verdeeldheid van het verlangen?
De vraag naar het waarom van de moeilijke man-vrouwverhouding kantelt derhalve naar de vraag betreffende de innerlijke verdeeldheid rond lust en verlangen.
Die innerlijke verdeeldheid inzake het verlangen was voor Freud het vertrekpunt waaraan hij verschillende bewoordingen gegeven heeft. De meest bekende is de tegenstelling tussen het Bewuste en het Onbewuste, samen met de opdelen tussen Ich (het ik) en Es (de driften), met daartussen het Ueber-Ich (het geweten).

Zijn theorie bevat heel wat besprekingen van die verdeeldheid.
1 daarvan is rechtstreeks van toepassing op het bovenstaande: de tegenstelling tussen wat hij de tedere en de zinnelijke stroming in de mens noemt.
Freud koppelt het welslagen van iemands liefdesleven aan de manier waarop hij/zij erin slaagt die tegenstelling op te lossen.

Te veel tederheid langs de kant van de man is niet erg bevorderlijk voor zijn erectie, en de tedere echtgenote kan moeilijk vuile streken verwachten van haar man, laat staan erom vragen, dat hoort niet.
Deze moeilijke combinatie kan evenzeer begrepen worden als het immer moeilijke huwelijke tussen drift en liefde, zodat we wel op zoek moeten gaan naar een bruikbare invulling van deze twee.


8. Dierlijke instincten, menselijke driften.

a) Wat is volgens de auteur essentieel in het instinct en hoe verhoudt de menselijke drift zich daarmee?
De drift: Een grensbegrip tussen het somatische en het psychische.
Het is een tijdlang mode geweest de seksuele drift te reduceren tot iets van de orde van het instinct.
Seks zou slechts een instinct zijn, een behoefte zoals alle andere, eten, drinken, slapen, en alle morele poespas daarrond was overbodig.

Bij de dieren bestaat er een vastliggend gedragspatroon voor het paringsgedrag.
De menselijke drift daarentegen is géén instinct, maar veeleer een pervertering van een aantal oorspronkelijke instinctieve reacties. De oorspronkelijke zuigreflex van de baby wordt al heel snel iets anders, soms zelfs zodanig anders dat het de oorspronkelijke overlevingsfunctie tegenwerkt, met anorexie en boulimie als duidelijkste voorbeelden.


9. De drift: partieel en auto-erotisch.

a) Welke componenten worden vaak onderscheiden in de drift?
De drift is in zijn oorspronkelijke betekenis een concept op de wip tussen het psychische en het somatische. Hij bevat vier componenten: de bron en de drang enerzijds, het doel en het object anderzijds. De eerste twee ontspruiten uit het lichaam, de laatste twee uit de psyche.

Nu blijkt dit bijna intuïtief begrijpbaar, in de zin van: de bron ligt in het soma, een vermoedelijke combinatie van geslachtsorganen, genen en hormonen, die samen de drang veroorzaken, zijnde een soort energetisch spanningsniveau.
Het doel wordt dan de coïtus, en het object is natuurlijk iemand van de andere sekse. Het geheel wordt verondersteld gedirigeerd te worden door psychisch veroorzaakte reflexbogen, waarbij tijdens de kindertijd de nodige fixaties en conditioneringen zullen opgetreden zijn.


b) Wat bedoelt de auteur precies met het “partiële” karakter van de drift?
Dit moet begrepen worden in het licht van een impliciete en dus onuitgesproken verwachting over een ‘normale’, driftmatig gedirigeerde verhouding tussen man en vrouw.

De basisidee in die verwachting is dat er ‘iets’ is – drift, instinct? – wat man en vrouw naar elkaar drijft voor coïtus en voortplanting.
Nadere studie van dit ‘iets’ levert heel snel een tegenovergestelde vaststelling op: het ‘iets’ dat de twee geslachten naar elkaar drijft, bestaat uit een aantal losse componenten die pas achteraf gebundeld worden.
Dit toont zich eerst in de ontwikkeling van de kinderlijke seksualiteit, waarin die verschillende deelaspecten – oraal, anaal, urethraal.. – ongeordend aan bod komen.

Dezelfde deelaspecten kunnen moeiteloos herkend worden in de volwassen seksualiteit, waarvan het klassieke geklungel bij de fameuze eerste keer op zich al een argument levert voor het ontbreken van een voortplantingsdrift.

Dus: een drift is partieel met betrekking tot de idee van coïtus op zich.
Concreet betekent dit dat de mens misschien wel zoiets kent als een orale drift, een anale,.. dat wel, maar dat er nooit een ‘totale’ seksuele drift te speuren valt die de man(nelijke genitalia) onweerstaanbaar naar de vrouw(elijke genitalia) drijft.


c) Tegenover welke visie wil de auteur zich afzetten met het beklemtonen van het partiële karakter van de drift.
Tegen de conditionering. Deze visie is verkeerd, omdat er twee fundamentele kenmerken over het hoofd gezien worden. Het eerste, en waarschijnlijk belangrijkste kenmerk is dat elke drift of pulsie steeds een partiële pulsie is. De tweede, onmiddellijk daarbij aansluitende karakteristiek betreft de auto-erotische aard.


d) Welk concreet gevolg heeft dit partiële karakter voor wat betreft de driftbevrediging?
Een heel concreet gevolg van dit kenmerk is dat de drift het ook nooit doet met een volledig lichaam, maar steeds gericht is op fragmenten, op deelactiviteiten.

De drift heeft geen volledig lichaam nodig, het is steeds slechts een bepaald lichaamsdeel dat aan bod komt, samen met een daaraan gekoppelde handeling, die zowel in actieve als in de passieve wijs kan keren.

Die lichaamsdelen zijn altijd de interactiepoorten met de buitenwereld: genitalia en anus, mond, oog, oor, neus, samen met de daaraan gekoppelde activiteiten: het ruiken, luisteren, kijken, zuigen, penetreren.

De drift blijft steeds partieel ten opzichte van een veronderstelde totaliteit die er uiteindelijk nooit komt. Die partiële driften worden in de loop van de ontwikkeling moeizaam verzameld onder het zogenaamde ‘genitale primaatschap’, maar echt overtuigend is dat niet.


e) Leg uit: “Zelfs daar waar de seksuele praktijk uiterlijk allo-erotisch is blijft de auto-erotiek een wezenlijk kenmerk van de drift”.
Het tweede essentiële kenmerk van de pulsie betreft het object. Een pulsie richt zich niet alleen op stukken van het lichaam en daaraan gekoppelde activiteiten, ze betreft bovendien in eerste instantie het eigen lichaam, het is pas later dat dat van een ander in het spel treedt.
Anders gezegd, de pulsie is in essentie een auto-erotische aangelegenheid. Men zou kunnen denken dat dit auto-erotische aspect leeftijdsgebonden is en beëindigd wordt door de intrede van de ander als partner, maar dat is niet het geval. Auto-erotiek blijft een wezenlijk kenmerk van de drift, zelfs daar waar de eigenlijke seksuele praktijk uiterlijk allo-erotisch is, d.w.z. gericht op een alius, een ander.

Vanuit het standpunt van de partiële pulsie blijft die ander steeds een middel, nooit wordt hij/zij een doel op zich. Pragmatisch uitgedrukt impliceert dit dat de pulsie geen enkele behoefte heeft aan een persoon als subject.

De beweging van de partiële pulsie is er één van een boog, een boemerang die over de ander heengaat, naar zichzelf terugkeert en zich op zichzelf sluit, daarmee een volledigheid creërend, een afsluiting, een zelf-genoegzaamheid.

Het doel van de partiële pulsie is dus niet de ander, het doel is het bereiken van een bepaalde vorm van genieten. Daarbij is de ander in zijn dimensie van subject-zijn eigenlijk overbodig, en soms zelfs een last. Hij of zij is als object – en dan nog als partieel object – een middel om iets te bereiken.


f) Waarom wordt er vaak op de visie van de auteur m.b.t. het partiële en auto-erotisch aspect van de drift met zo veel weerzin gereageerd?
Dit stuk theorie roemt om verschillende redenen weerzin op, het is duidelijk het onverteerbare luik uit Freuds werk. Dat het seksuele leven van de mens neerkomt op een veelheid aan partiële pulsies, partieel ten opzichte van zowel doel als object, dat kan men eventueel nog slikken. Maar de idee dat die partiële pulsies auto-erotisch zijn en blijven, zodat de ander gereduceerd wordt tot een op zich onbelangrijk object, steeds inruilbaar, slechts middel, nooit doel, dát neemt men niet.


g) Tot welke visie m.b.t. perversiteit leidt het concept van het partiële en auto-erotisch karakter van de drift?
Een dergelijke beschrijving van de drift doet het vermoeden rijzen dat elke mens uiteindelijk als pervers bestempeld kan worden. Zo ver gaat Freud niet, maar hij beschrijft wel het kind als “een polymorf pervers wezen”, waarmee hij bedoelt dat alle eventuele latere, volwassen perversies daar als kiem zichtbaar zijn.

De vaststelling dat de kiem van verschillende afwijkende seksuele gedragingen bij elk van ons aanwezig is, laat toe een bepaalde vraagstelling om te keren. Als men ervan uitgaat dat de man-vrouwverhouding gedetermineerd wordt door de biologie, dan luidt de vraag: hoe wordt iemand pervers? Met andere woorden: hoe komt het dat iemand afwijkt van wat verondersteld wordt biologisch vast te liggen? Merk op dat perversie aldus een ‘tegennatuurlijke’ neiging wordt.

Wanneer we daarentegen uitgaan van de idee dat elk van ons vertrekt van een vreemde mengeling van partiële pulsies, dan luidt de vraag anders: hoe komt het dat we niet allemaal pervers gebleven zijn? Op de een of andere manier maakt het merendeel van ons als kind een of ander normaliseringsproces door op grond waarvan die oorspronkelijk perverse trekken voldoende bewerkt worden.

Dit normaliseringsproces is het zogenaamde oedipuscomplex.


10. Liefde

a) Waar situeert Freud het basismodel van de liefde?
Psychoanalytisch beluisterd is de liefde letterlijk de grond van het bestaan op zich, alleen is het zo dat wij het prototype daarvan niet in de man-vrouwverhouding vinden maar elders.
Het basismodel van de liefde valt niet te zoeken in de man -  vrouwverhouding maar wel in de relatie tussen moeder en kind, en die is van alle tijden.


b) Waar situeert zich het begrip “overdracht” t.a.v. dit basismodel?
De allereerste menselijke verhouding levert de grondvorm op waaraan alle latere afgemeten zullen worden. Dit betekent niet dat die latere relaties daar een getrouwe kopie van moeten zijn, ze kunnen bijvoorbeeld precies het tegenovergestelde worden, maar dat neemt dat bepalend karakter niet eg, integendeel.


c) Welke kenmerken vertoont dit basismodel?
Er zijn drie algemene kenmerken: ten eerste, die liefdesverhouding is totaal en exclusief; ten tweede, ze is vanaf het begin ten dode opgeschreven, de erfenis ervan is het tekort met het daaruit voortvloeiende verlangen; ten derde, ze wordt gekenmerkt door macht.


11. Totaal en exclusief

a) Hoe kan de totaliteit van de moeder-kindrelatie worden omschreven?
Aanvankelijk is de verhouding totaal en exclusief.
Daarbuiten bestaat er in het begin niets, de een is alles voor de ander, en omgekeerd.
De moeder-kind-‘unit’ is een eenheid waarin weinig of geen plaats is voor iets of iemand anders.

Het betekent dat moeder en kind als afzonderlijke entiteiten eenvoudigweg niet bestaan, wat natuurlijk de idee van ‘verhouding’ op de helling zet. In plaats van een verhouding tussen twee individuen, is er veeleer een volheid, een ontbreken van elk tekort, en dit in de eerste plaats zelfs als feitelijkheid, met name tijdens de zwangerschapsperiode.

Het is opvallend dat de zwangerschap nadien, als ze beëindigd is, door het merendeel der vrouwen als een toestand van uitzonderlijk goed-voelen wordt beschreven, een toestand van welbehagen die zijn gelijke niet kent.


b) Welke betekenis heeft het begrip “jouïssance”, zoals gebruikt door Lacan, in die preverbale eenheidsbeleving tussen moeder en kind?
In de eerste plaats genot, dat is bekend.
Binnen de Franse taal heeft het woord daarenboven ook nog een juridische betekenis, in de zin van de winst voortvloeiend uit het gebruik van iets wat aan iemand anders toebehoort. Het genie van de taal maakt aldus een op het eerste gezicht vreemde verbinding tussen genot en vruchtgebruik. Het kind is de vrucht van het lichaam, en daarvan wordt blijkbaar genoten.

Die lichamelijke en dus reële eenheid tijdens de zwangerschap blijft nadien, in de postnatale periode, nog een tijdlang op imaginaire wijze bestaan, en getuigt van een vol-ledigheid, een op-zichzelf-geslotenheid, waar de buitenstaanders per definitie buitenstander zijn. De persoon die dat het scherpst voelt is de vader.


c) Welke gevolgen heeft de duale eenheidsrelatie tussen moeder en kind voor de positie van de vader?
Elke kersverse vader moet zichzelf wijsmaken dat hij vader is, in tegenstelling tot wat hij voelt. Meer bepaald dat hij zijn vrouw kwijt is – ze is moeder geworden – en dat hijzelf buitengesloten wordt uit een verhouding die hij nauwelijks begrijpt.

Hij zal pas vader worden op het ogenblik dat hij aan-spraak kan maken op het kind, wat ook het ogenblik is waarop het kind hem (h)erkent.

d) Hoe kan de exclusiviteit zich uiten tussen moeder en kind in het dagelijkse leven?
De ander moet álles zijn voor mij, en alléén voor mij, elke derde figuur is automatisch bedreigend.
Deze eis tot uitsluiting van alle anderen komt normaal gezien van de kant van het kind, zeker als er een concurrent onder de vorm van een nieuw broertje of zusje bijkomt. Vanaf dat ogenblik begint de strijd om de exclusieve aandacht en liefde (‘zijn appelsien is groter dan de mijne!’), bron van alle latere jaloersheid, afgunst en nijd.

Vandaar ook het bijzondere statuut van kinderen die alleen opgroeien, zonder broers of zusjes, of van kinderen, meestal zonen, die inderdaad een exclusieve relatie met hun moeder gehad hebben.
Het gevaar is zeer groot dat zij later, als volwassene tirannieke egoïsten worden voor wie de ander steeds klaar moet staan.

Overigens kan dezelfde eis tot exclusieve aandacht evenzeer van de kant van de moeder komen, die niet of nauwelijks kan verdragen dat het kind, háár kind, aandacht heeft voor anderen.
Als er al concurrentie was tussen vrouw en schoonmoeder rond de man/zoon, dan zal die gegarandeerd verschuiven naar de aandacht voor het kind/kleinkind. De een moet alles zijn voor de ander.


e) Welk verband legt de auteur met monogamie?
Alle pogingen inzake ‘open huwelijk’ hebben vooral bewezen hoe hardnekkig deze eis blijft, en getuigen aldus van het feit dat de gemiddelde mentale leeftijd op dit vlak niet ver boven de vijf jaar uitkomt, d.w.z. de oedipale periode. Vanuit dit perspectief begrijpt de auteur monogamie niet als een biologisch vastliggend kenmerk, wel als een effect van een oorspronkelijke duale verhouding tussen moeder en kind .

12. Oorzaak van tekort en verlangen.

a) Wat is het gevolg voor het menselijk wezen van het verdwijnen van de toestand van preverbale symbiose tussen moeder en kind?
Het kind verlangt dat de moeder bij hem blijft, maar ook dat is niet voldoende, ze moet er niet alleen zijn, ze moet er als het ware volledig zijn, totaal voor hem en voor hem alleen, op een niet-realiseerbare manier.

Via de eis naar haar aanwezigheid eist het kind iets anders, iets wat blijkbaar nooit ten volle uitgedrukt kan worden in woorden.


b) Waar situeert zich het ontwikkelen van de taal in het doorbreken van de symbiose?
Het kind verlangt die preverbale eenheid, die voor het eerst doorbroken wordt met de geboorte, een breuk die overgedaan en vooral geconsolideerd wordt in en door de taal. De moeder-kindeenheid gaat definitief verloren omdat de taal tussen moeder en kind geschoven wordt.
Daar situeert zich het reële verlies, correcter uitgedrukt: het verlies van het Reële, van de dingen, door de introductie van het Symbolische, van de woorden.

Ná de introductie van de taal ontstaat er afstand en bemiddeling, en dus verschil. Dit geldt eerst en vooral ten opzichte van het eigen zelf, omdat er precies daar een eigen identiteit ontstaat die reflexief overdracht kan worden via de taal.

Taal is een brug, zegt men, maar het is een brug die terzelfder tijd de kloof installeert waar ze overheen gaat. Wat er onder die brug ligt, dat zijn we kwijt.
Taal moet hier niet zozeer opgevat worden als een communicatiemiddel, wel als een identiteitsmiddel.

Via de taal krijgt elke mens een afzonderlijke identiteit mét daaraan gekoppelde regels. De oorspronkelijke reële splitsing van bij de geboorte wordt daardoor symbolisch geconsolideerd binnen de oedipale structuur, waar elk zijn gerechtigde plaats toegeschreven krijgt via woorden. Het is hier dat de mens mens wordt en de natuur voorgoed verlaat.

Men verlangt ‘iets’ van de ander, iets vaags of iets concreets, maar dat iets blijkt nooit voldoende te zijn, men verlangt doorheen dat iets naar de ander zélf, maar als die ander zich dan geeft, dan blijkt ook dat niet echt overtuigend…
Men verlangt die definitief verloren eenheid, het genieten binnen die totaliteit die er ooit was, en dát houdt de mens drijvend, eerst binnen die primaire relatie, daarna ook erbuiten.


13. De kunst van het “nee” zeggen.

a) Leg uit: “ het doorbreken van de eenheidsrelatie leidt tot het oorspronkelijk tot moederlijke almacht”.
De oorspronkelijke relatie is er één van almacht, in die zin dat de één effectief alles is voor de ander, dat de twee wederzijds elkaars tekort opvullen. Bij het doorbreken van de eenheid kantelt de almacht naar macht, samen met de overgang van het werkwoord zijn naar het werkwoord hebben.
Waar de twee oorspronkelijk alles zijn voor elkaar, binnen een eenheid, kantelt dat na de scheiding naar een uitwisseling van geven en krijgen, en dus eventueel van weigeren te geven of te krijgen.


b) Welk essentieel grondpatroon binnen menselijke relaties ontwikkelt er zich? Binnen welke fase ontwikkelt zich dit, wat onderstreept de auteur hierin en waarom.
Geven en krijgen, vragen en weigeren, dit alles vooronderstelt als idee dat er ‘iets’ is wat gevraagd/gegeven kan worden, iets wat het tekort en dus het verlangen van die ander zou kunnen opvullen. Hier ligt de basis voor elke vorm van geschenk en uitwisseling. Het is ook hier dat iemand leert geven en krijgen op zijn of haar eigen manier, zodanig eigen zelfs dat het vaak genoeg een typerend persoonlijkheidskenmerk wordt.

Hoe geeft iemand iets, hoe reageert hij/zij op een geschenk? Kan iemand iets vragen, al was het maar de weg, of wil hij/zij het op zijn eentje doen?
Anders gezegd, hoe gaat iemand om met het tekort? Tekort moet in deze context zowel zeer concreet als zeer algemeen begrepen worden: iets wat hij/zij niet heeft/is, maar wel wil hebben/zijn.

In die eerste liefdesverhouding toont dat geven/krijgen/weigeren zich aanvankelijk in de zogenaamde pregenitale ontwikkeling. Pregenitaal duidt die lichaamsdelen aan die in de volwassen erotiek een rol spelen zonder dat ze tot het eng-genitale register behoren, met als meest bekende de orale en de anale lichaamszones.

c) Hoe kan, volgens de auteur, vrouwenhaat en seksisme geduid worden?
Het typische van de pregenitale ontwikkeling is dat ze totstandkomt binnen een wisselwerking tussen het kind en de vraag van de ander. Het is de Ader (de moeder, maar in haar kielzog volgen er nog heel wat) die vraagt dat het kind op geregelde tijdstippen eet, boert, slaapt, ontlast, spreekt, kijkt, luistert. Deze wisselwerking grijpt als het ware voortdurend plaats tussen moeder en kind, waarbij de moeder constant appelleert aan het lichaam van het kind, en dan vooral aan de uitwisselingspoorten tussen lichaam en buitenwereld.

Het kind antwoordt op die vraag van de Ander en maakt daarin keuzes: het kan weigeren te eten, het kan álles eten, het kan weigeren te spreken, het kan weigeren proper te worden.

‘Pisnijdig’ op die Ander en diens vraag. In het volwassen – lees: genitale – liefdesleven toont dit geven-krijgen-weigeren zich op een zeer gevoelig punt, met name het orgasme: wie geeft er een orgasme aan wie? Wie weigert er een orgasme?
De coïtus krijgt soms de allures van een gevecht op dit punt, waarbij de man de vrouw wil doen genieten, omdat hij nu eenmaal de fallus heeft/geeft én ervan overtuigd is dat het verlangen van de vrouw daarnaar uitgaat.

De macht ligt normaliter langs de kant van de  moeder. Het is hier ook de plaats. Het is wel degelijk “Ce que maman veut, Dieu le veut”. Over elke vrouw valt de schaduw van de moeder, waardoor ze meteen deelachtig wordt in de macht, eventueel de almacht van de moeder.
Het is deze oorspronkelijke almacht die angst oproept, met alle bewerkingen daarvan, van seksisme tot vrouwenhaat.


14. Over jongens en meisjes.

a) Hoe probeert de jongen en het meisje elk op hun eigen manier het tekort op te vullen? Tot welke typisch mannelijke en vrouwelijke kenmerken leidt dit?
Het ligt in de aard van de dingen dat de oorspronkelijke almacht doorbroken wordt: de moeder is er niet altijd, en zelfs als ze er is, dan nog is ze er niet zoals vóór de splitsing. Ze schiet tekort, ze is niet wat het kind gehoopt had. En wanneer het kind zich dan tot de vader wendt, komt het na verloop van tijd ook daar bedrogen uit. De vader is niet de gedroomde held die voor alle moeilijkheden een pasklaar antwoord produceert. Bijna elke volwassene bewaart in zijn geheugen de pijnlijke herinnering aan het moment waarop hij/zij ontdekte dat de ouders niet beantwoordden aan het zorgvuldig opbouwende beeld. De ontdekking van het tekort van de moeder is overigens een afspiegeling van de ontdekking door het kind van het eigen tekort en falen. Wat het ook doet, hoe flink het zich ook weert en zijn best doet, het kan nooit het verlangen van de moeder perfect vervullen, net zoals ook zij nooit meer die volledigheid kan zijn zoals ze die ooit was.

Vanaf het doorbreken van de moederlijke almacht en het ontstaan van het tekort ontstaat de zoektocht naar iets daarbuiten, buiten die oorspronkelijke duale verhouding, iets wat misschien wél in staat zou zijn dat tekort op te vullen, iets wat of iemand die het antwoord op dit tekort kan produceren. Binnen de klassieke freudiaanse invulling komt op dat ogenblik de vader op de proppen, als diegene naar wie het verlangen van de moeder uitgaat voorbij het kind, de vader als fallusdrager. Vanaf deze periode wordt de ontwikkeling van het kind gesplitst, in die van het meisje en die van het jongetje. Wegens de anatomie zullen ze nu eenmaal een andere verhouding innemen tegenover het tekort.

Het jongetje zal het antwoord op het tekort in zijn verhouding met de moeder al snel situeren bij de man/vader en diens geslachtsorgaan, waarvan zijn eigen piemeltje de belofte inhoudt ooit ook ‘groot en sterk’ te worden. Met als immer aanwezig risico dat de belofte niet of niet voldoende ingevuld wordt. De angst om niet aan de norm te voldoen, de norm gesteld door die verschrikkelijk grote vader, heeft een dubbel gevolg. Enerzijds de bij de man altijd aanwezige bewijsdrang. Anderzijds de ontwikkeling van een oorspronkelijk hyperstreng Ueber-Ich, het geweten en het bijbehoren schuldgevoel, als reactie op de angst voor die oorspronkelijke vader-reus met wie men in concurrentie trad.

Derhalve is elke man zowel fallocentrisch als autoriteitsgericht; bovendien gaat hij ervan uit dat de vrouw dat ook is.

De ontwikkeling van het meisje daarentegen gaat een andere richting uit. Een eerste verschil is dat het jongetje, als toekomstige man, zijn eerste liefdesobject kan behouden qua geslacht, hij moet het alleen inruilen voor een andere vrouw. Vandaar het merkwaardige gegeven dat heel wat mannen na verloop van tijd tegenover hun vrouw eenzelfde verhouding innemen als oorspronkelijk tegenover hun moeder. Het meisje daarentegen moet inzake liefdesobject veranderen van geslacht. Concreet: ze moet haar eerste liefdesobject, de moeder, in ruilen voor de vader. Als resultaat van haar eerste liefdesband blijft er een identificatie over met de moeder op grond waarvan ze dezelfde liefde hoopt te krijgen van de vader zoals de moeder. Vandaar het evenzeer merkwaardige gegeven dat heel wat vrouwen, eens ‘echtgenote’ en vooral moeder geworden, op de eigen moeder beginnen te lijken. Het belangrijkste effect van deze verschuiving inzake object is dat het meisje heel wat meer aandacht zal hebben voor de verhouding op zich, voor de relatie als dusdanig, in tegenstelling tot de mannelijke preoccupatie met het fallische. Het geringe belang voor het meisje van het object en van het fallische en het accent op het relationele hebben bijvoorbeeld tot gevolg dat haar latere liefdesrelaties niet eens met een man hoeven te zijn.
Aldus beschouwd is de door Freud bij het meisje veronderstelde ‘penisnijd’ – het bij haar verondersteld verlangen ook over een reële fallus te beschikken – veeleer een product van zijn mannelijke, en bijgevolg fallocentrische verbeelding. De enige plaats waar ik tot hiertoe die fameuze penisnijd aangetroffen heb, is bij…mannen, op grond van hun steeds aanwezige angst om tekort te schieten en hun voortdurende imaginaire vergelijkingen met andere fallusdragers. De vrouwelijke tegenhanger van het mannelijk fallocentrisme is het relatie-centrisme.

Een tweede gevolg is de fundamenteel andere verhouding van de vrouw tegenover de Wet, d.w.z. tegenover de oorspronkelijke vaderlijke autoriteit.
Waar het jongetje alle reden heeft om angstig te zijn voor de vader-concurrent, is dit niet of nauwelijks het geval voor het meisje. Integendeel, het is van hem dat zij de liefde krijgt of zou moeten krijgen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de vrouw een veel lossere verhouding heeft tegenover wet en autoriteit.

Een meer praktisch en minder esoterisch gevolg van dit verschil qua oedipale voorgeschiedenis is dat mannen veel vatbaarder zijn voor hiërarchie en dus voor groepsvorming met centrale leiding. Vrouwen daarentegen zijn minder hiërarchisch georiënteerd, en vormen daardoor veel minder een groep.
Patriarchaat en fallocentrisme zijn slechts zwakke opvolgers van een oorspronkelijk almachtig matriarchaat.


b) Wat betekent “narcistische krenking” en hoe kan het zichtbaar worden in relaties tussen volwassen partners?
De geschetste ontwikkeling houdt ook in dat elk van ons vanaf het begin twee soorten liefde gekend heeft: een eerste, allesomvattende die mislukte, en vervangen werd door een tweede, heel wat minder bevredigende. De eerste pre-oedipale vorm, is van de orde van de jouïssance, de tweede eigenlijk oedipale versie wordt gekenmerkt door de minder bevredigende dimensie van het verlangen. Volwassen geworden zullen zowel man als vrouw proberen de oorspronkelijke mislukking en de bijbehorende narcistische krenking op te lossen met de latere partner, door te proberen aan diens verlangen te voldoen en daardoor een terugkeer te bewerken naar die eerste toestand van genieten. Elk doet dit via een focalisatie op wat men zelf belangrijk vindt – fallocentrisch voor de man, relatie-centrisch voor de vrouw. Het feit dat dit nu precies het omgekeerde is van wat de partner belangrijk vindt, zorgt ervoor dat een herhaling van de oorspronkelijke mislukking als het ware voorgeprogrammeerd klaarligt. Pas in een latere, post-oedipale versie kan er eventueel iets anders, iets nieuws gestart worden.


15. De verbeelding aan de macht

a) Welk verband legt de auteur tussen de oorspronkelijke duale eenheidsrelatie tussen moeder en het kind en het seksueel orgasme?
In haar originele vorm moet de eerste liefdesverhouding opgegeven worden. Anders gesteld, elke liefdesrelatie draagt de kiem van de eigen mislukking in zich, voor zover men er die terugkeer naar totale éénwording van verwacht. Die mislukking kan het scherpst gevoeld worden na de momentane versmelting die het orgasme is, als restverschijnsel van de oorspronkelijke symbiose.

Het “Omne animal post coitum tristum” is geen freudiaanse ontdekking, maar werd reeds lang voor de psychoanalyse geformuleerd. Wat wél een freudiaanse ontdekking is, is het verband met de representatie. Het kind, zo zegt Freud, zal de oorspronkelijke toestand van genotsvolle eenheid proberen te herstellen door deze te hallucineren, dit wil zeggen, door deze voor te stellen, in te beelden.


b) Wat is het verband tussen dromen / fantaseren en de primaire eenheidservaring?
Het kind, zo zegt Freud, zal de oorspronkelijke toestand van genotsvolle eenheid proberen te herstellen door deze te hallucineren, dit wil zeggen, door deze voor te stellen, in te beelden. De twee afgezwakte versies die bij de volwassene blijven bestaan, zijn de droom en de fantasie, beiden bekend om hun wensvervullend karakter.

Nu is er iets vreemds aan de hand met dit aspect van wensvervulling. In een droom is het maar zelden zo dat de erdoor vervulde wens echt duidelijk is, en zelfs bij een dagdroom is de eigenlijke vervulling van het verlangde eerder een toemaatje. En toch staat het wnsvervullend karakter van beide processen buiten kijf.

Waaruit bestaat die wensvervulling dan eigenlijk? Niet uit het voltrekken van ‘de’ daad, wat die dan ook moge wezen.
Het is wel een speciale voorstelling, volledig anders dan de afstand creërende symbolisatie via het woord. De on-middellijk-heid die in droombeelden ervaren wordt, is een verre echo van de preverbale eenheid. We verliezen ons in het beeld, we zijn het beeld en genieten ondertussen. De dagelijkse tegenhanger van de nachtelijke droom is de fantasie, niet voor niets ‘dagdroom’ genoemd, en ook daar gaan we op in het imaginaire van de onmiddellijkheid. Het is een vrijkaartje naar het genot voorbij de verdeeldheid van het “ik denk, dus ik ben”. Het is vooral een kaartje met inbegrip van de terugreis.

De moderne vormgeving daarvan is natuurlijk de film, waarin de kijker zich inderdaad naar hartenlust kan ‘verliezen’. Is het toeval dat een van de oudste kunstproducties precies de uitbeelding is van die oorspronkelijke eenheid, met name de zwangere oermoeders, waarvan de twintigduizend jaar oude beeldjes verspreid doorheen centraal Europa teruggevonden werden?

De mens verlangt naar de éénwording met de geliefde, unio mystica. De gelukzalige onbemiddelde droombeelden doen ons verlangen naar de realisatie daarvan overdag, in het échte leven.
Een normaal mens komt er niet aan toe, slechts de abnormale, uitzonderlijke slaagt daarin.

c) In welke zin zou de eenheidservaring een mystieke ervaring kunnen genoemd worden?
Ten eerste, het gaat over een onbemiddelde aanwezigheid van wat meestal als ‘god’ betiteld wordt; ten tweede, de mysticus/ca neemt daartegenover een passieve positie in, het subject kan er zelf niet actief in ingrijpen; ten derde, de ervaring kan niet gezegd of beschreven worden. Die ervaring is er een van extreme pijn en genot, met als terugkerend kenmerk dat zij zélf, als individu, ophouden te bestaan.

Een andere beschrijving vinden we in de psychiatrie. Die toestand van éénheid met de oorspronkelijke omgeving, los van elke reflexieve afstandname, is de hallucinatoire psychose, het dromen overdag waaruit men niet of nauwelijks kan ontwaken. Het voornaamste verschil met de mystiek is dat in dit geval de gelukzaligheid ontbreekt, en plaats maakt voor een nauwelijks benoembare angst.

We krijgen hier een tweede invulling van dat aartsmoeilijke lacaniaanse jouïssance-begrip: dat wat de psychoticus ervaart op het acute moment van zijn psychose, het moment waarop hij opnieuw één wordt met de Ander.

De prijs voor de volledigheid is zeer hoog, men betaalt het met zichzelf, men verdwijnt als subject. Jouïssance: vruchtgebruik, vrucht van en voor de Ander.


16. Incestverbod en cultuur.

a) Wat is voor de auteur de oorspronkelijke betekenis van het incestverbod?
De natuur heeft geen vaders, kent alleen wijfjesdieren met naamloze jongen, de cultuur kent moeders met kinderen die een naam krijgen, waarlangs een verwantschapsstructuur uitgedrukt wordt. Deze verwantschap is altijd ‘patriarchaal’, wat daarom nog niet betekent dat het noodzakelijkerwijze het westerse kerngezin met een reële vader moet betreffen. De verwantschapsstructuur is ‘patriarchaal’ in die zin dat ze de symbolische erkenning van een verwantschap inhoudt, voorbij de natuurlijke band tussen moeder en kind. Alle accent ligt daarbij op dit aspect van erkenning.

Zelfs in die samenlevingsvormen waar het vaderschap in de enge patriarchale betekenis van het woord gehanteerd wordt, volstaat het biologisch vaderschap op zich nooit, de man moet steeds getuigenis afleggen van zijn vaderschap.

Het kind wordt via naamgeving verwezen naar een derde structuur en verlaat daardoor de oorspronkelijke duale band.

De stap van natuur naar cultuur die ooit, op een niet nader te noemen moment gezet werd in de fylogenese, de ontwikkeling van de soort, herhaalt zich binnen de ontogenese, de ontwikkeling van het individu. De oorspronkelijke, ‘natuurlijke’ liefdesband gaat verloren, omdat er een verbod op rust, een verbod dat overal teruggevonden kan worden. Dit is het fameuze incestverbod.

Hoe verschillend de man-vrouw-kindverhoudingen ook gereguleerd mogen worden in de verschillende culturen, één iets keert overal als constante terug, en dat is precies dit verbod, gericht op die symbiotische band tussen moeder en kind.

Dit is de oorspronkelijke invulling van het incestverbod: de moeder moet haar product opgeven, loslaten; het kind moet de symbiotische band verlaten.

De eerste betekenis stelt ons in staat een veel accuratere invulling te geven van het oedipaal verlangen.
Wat élk kind, jongen of meisje, verlangt, is die pregenitale, natuurlijke eenheid met het eerste liefdesobject. Wat élke cultuur verbiedt, is dit in zichzelf besloten zijn met die eerste Ander.

Pas in een tweede beweging zal het incestverbod ook de vaders treffen, als derde figuur, waarbij het inderdaad een genitaal incestverbod wordt.


b) Wat houdt het exogamiegebod in en hoe situeert zich dit t.a.v. de oorspronkelijke duale verhouding?
Antropologisch gezien betekent dit de verplichting om een partner te zoeken buiten de eigen familiekring. Dit is de uiterlijke invulling van een gebod dat veel verder gaat: elk mensenkind krijgt de opdracht om ‘elders’ te gaan en in dit elders zelf iets op te bouwen en zelf iemand te worden. Dát verklaart de noodzakelijke teloorgang van die eerste relatie, en die noodzaak kan het best geïllustreerd worden vanuit die situaties waar het niet gebeurt, waar er een perfect duale eenheid blijft bestaan, een perfect gesloten relatie waar men niet naar buiten treedt.

Klinisch gezien betekent dit dat hij of zij ‘alles’ is voor zijn of haar moeder, en dat de persoon in kwestie géén eigen leven leidt, soms zelfs nauwelijks over een eigen identiteit beschikt. Potentieel draagt élke liefdesrelatie dit gevaar in zich, waarbij de zogenaamde ‘sterke persoonlijkheid’ de zwakkere volledig opslokt.

Metaforisch uitgedrukt betekent exogamie dat men het moederland moet verlaten als men de wereld wil ontdekken, zeker als men het ‘zwarte continent’ wil ontdekken. En hier vinden we meteen het allesomvattende belang van de liefde, want dit betekent niets minder dan dat de liefde en haar bewerkingen de basis vormen voor de totale cultuur, in de meest ruime betekenis van het woord.

Concreet uitgedrukt: elk van ons moet zijn eerste liefde verliezen, om er alles voor te kunnen doen om ze terug te winnen, zij het dan in een ‘elders’. Cultuur ontstaat in die beweging, is zelfs die beweging.


17. Masturbatie en verslaving.

a) Hoe verklaart de auteur de steeds aanwezige taboesfeer waarin een fenomeen als masturberen zich situeert?
De angst om betrapt te worden, samen met het schuldgevoel is vrij typisch, en iets wat uiteindelijk blijft bestaan, ook na de seksuele revolutie. Dit toont dat de bijbehorende schuld heel wat verder gaat dan de steeds toevallige, d.w.z. cultureel en familiaal gedetermineerde verboden daarop. Overigens was dit verbod vrij verregaand: eeuwenlang werd ongeveer elke ziekte en afwijking vroeg of laat toegeschreven aan ‘onanie’, gaande van slechte ogen tot een scheve rug over tbc, psychasthenie en volledige krankzinnigheid.


Het is een herinstallatie van het verwaande, zelfgenoegzame tweeruggenbeest dat op zijn eentje geniet en bijgevolg de ander, ruimer: het daarbuiten, links laat liggen.

Masturbatie was ooit het grote, onmogelijk te noemen onderwerp van de seksuele opvoeding: “Jeux de mains, jeux de vilains”, handen boven de lakens, het doorkijkluikje in de chambrettes van het internaat, enz.
Voor de volharders in de boosheid werden zelfs de meest wreedaardige mechanische devices ontwikkeld om de desires te bannen.


b) W

Reacties (3) 

Voordat je kunt reageren moet je aangemeld zijn. Login of maak een gratis account aan.
Ja dat is waar, ik zal daar eens voor kijken.
Sorry voor mijn late reactie, door omstandigheden ben ik eventjes weggeweest, maar nu helemaal terug! :)
amai, dat lijkt me een zeer interessant artikel. Maar ik heb het opgeslagen om nog eens te hernemen want het is te veel om in één keer alles goed te lezen. Duim
mag ik een tip geven? ik denk dat het beter zou zijn om het verhaal in 2 delen te plaatsen. Het zal vlugger en meer gelezen worden. groetjes