Mijn angst achter het stuur
Zou jij nog achter het stuur durven als jij als klein kind een vreselijk ongeluk hebt gezien? Een waargebeurd verhaal. Lees hier wat ik zag toen ik 5 jaar was.....
Autorijden lijkt zo vanzelfsprekend...
Bijna iedereen rijdt auto tegenwoordig. Het lijkt zo vanzelfsprekend maar er zijn mensen voor wie dat niet zo is.... Op jonge leeftijd zag ik iets vreselijks; iets wat ik nooit meer zou vergeten. De traumatische beelden draag ik sinds die dag altijd bij me.
Een zondagmiddag om nooit meer te vergeten......

De zon scheen genadeloos fel vanuit een strakblauwe hemel. De trappers van de fiets van mijn vader zongen een krakerig lied. Het was een hete broeierige middag in augustus. Vanuit mijn kinderzitje gleden traag de vlakke weilanden voorbij en een lange kale landweg strekte zich voor me uit. We waren op weg naar opa en oma. Voor ons fietsten mijn moeder en mijn oudere zus. "We zijn er bijna", riep mijn vader opgewekt. Ondanks de hitte stond er nog een zacht briesje waardoor de zomerjurk van mijn moeder lichtjes opwaaide. Haar benen waren nog wit. Om me heen was er niet zoveel te zien. Een eindeloze weg zonder bomen met verlaten weilanden en heel in de verte een paar boerderijen. Mijn jurkje plakte aan mijn lijf en ik had dorst.
In de keuken bij opa en oma op de boerderij was het donker en koel. Lange donkergele kleverige linten hingen aan het plafond waarop tientallen vliegen geplakt zaten. Ik rook de koffiebonen die oma maalde maar ook de geur van gebakken spek en een doordringend schoonmaakmiddel dat er altijd hing. Opa zweeg meestal en zat in zijn stoel zijn pijp te stoppen.
Na de koffie speelden mijn zus en ik tikkertje buiten, voor het huis. We sprongen, lachten en dansten in het rond. De meeste bloemen stonden prachtig in bloei; dikke hommels zoemden in de kelken en koolwitjes fladderden onbezorgd rond. Een weelderige zonovergoten plek vol geluk waar we door het gras rolden en liedjes zongen van school.

Plotseling hoorden we een enorme dreun. Abrupt bleven we staan en keken elkaar geschrokken aan. Het was een geluid dat we niet konden thuisbrengen. "Wat was dat nou", zei mijn zus verbaasd. We keken om ons heen maar zagen niets. Vervolgens liepen we een eind de weg op tot er een bocht kwam. Ik zag nog net hoe een paar koeien zenuwachtig opstoven en het op een lopen zetten. Na de bocht zag ik het. Er stond een auto tegen een boom gedrukt. Verbijsterd bekeken we de ravage die we zagen. De hele voorkant van de auto zat in elkaar gedeukt als een pakketje schroot en de voorruit was totaal aan gruzelementen. Het wegdek lag bezaaid met stukjes glas. Maar er was nog meer.

Door de kapotte voorruit heen zag ik iemand zitten. Ik kwam nog wat dichterbij en de stukjes glas knerpten onder mijn schoenen. Ik staarde naar binnen. Er zat een jongeman achter het stuur, zijn hoofd iets achterover. Zijn ogen wijd opengesperd en zijn mond vertrokken in een nare grimas, alsof hij op het punt stond te gaan schreeuwen. We stonden aan de grond genageld van schrik. Maar er was nog iets...... Hij bewoog helemaal niet. En het leek wel alsof er een rode gebarsten ster in zijn voorhoofd gekerfd stond. Zijn zwarte achterover gekamde haar glansde in het zonlicht. Binnen in de auto was alles bezaaid met bloedspetters. Zwijgend stonden we daar, mijn zus en ik; het leek alsof de wereld stil stond. Mijn hart bonsde wild en akelig hard in mijn borst. "Hallo, hallo, ben je misschien dood", vroeg ik met een bibberig stemmetje. Er kwam geen antwoord. Ineens wist ik heel zeker dat dit dood zijn was. Als je niet meer kunt spreken of lachen of je kunt bewegen.
Het duurde heel lang voordat de mensen uit de huizen kwamen. Althans zo leek het. Wij werden onmiddellijk weggetrokken bij de verongelukte auto door mensen met witte gezichten. Kreten van afschuw en ongeloof. "Oh, mijn God", hoorde ik iemand zeggen. "Het is die jongen van Gerritsen". Buiten begon de lucht te betrekken alsof de hemel ook treurde om dit dieptragische ongeval.
Bij oma in de keuken was alles in rep en roer. De jongeman bleek enigszins een bekende van de familie. Hij was de jongere broer van de verloofde van mijn tante. De koekjes die oma op een schoteltje voor ons had neergelegd bleven onaangetast evenals de rode limonade. Die deed ons teveel ergens aan denken. "Ach ach, wat is het wat", huilde en mompelde oma voortdurend.

Later bleek dat de jongeman in de auto na de kerkmis naar het cafe was gegaan en daar een paar stevige borrels had gedronken. Op de weg waar hij verongelukte had hij naar iemand gezwaaid en waarschijnlijk de macht over het stuur verloren waardoor hij vervolgens tegen de boom was geklapt. Op slag dood.
EPILOOG
Op mijn 18e ging ik op rijles en haalde zelfs de 1e keer meteen mijn rijbewijs. Er leek niets aan de hand. Tot ik zelf bijna een ongeluk kreeg. Alles kwam weer boven. Daarna ben ik nooit meer in de auto gestapt tot op heden. Wanneer ik naast iemand zit is er merkwaardig genoeg niets aan de hand. Maar die ene seconde, die ene seconde dat ik iets niet zou zien terwijl ik zelf achter het stuur zit. Die gedachte is onverdraaglijk voor me. De verongelukte jongeman is altijd bij me gebleven; ik zie hem vaak. Bijvoorbeeld vlak voordat ik in slaap val flitst zijn dode gezicht voorbij.
Inmiddels heb ik mijn rijbewijs laten verlopen. Het is goed zo, ik heb er vrede mee. Ik hoef van mezelf niet meer achter het stuur en ik reis altijd met bus en trein. Ik werk vanuit huis en spaar het milieu.











Reacties